Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201502009/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:710, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het college een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201502009/1/A3.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 januari 2015 in zaak nr. 13/3079 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het college een verzoek van [wederpartij] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 28 augustus 2013 heeft de secretaris van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie (hierna: de secretaris van de bezwaarschriftencommissie) het besluit van 27 augustus 2013 bekendgemaakt.

Bij uitspraak van 29 januari 2015 heeft de rechtbank de brief van 28 augustus 2013 als besluit op bezwaar aangemerkt en het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit van 28 augustus 2013 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.J.A. van Dorst, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Gemeentewet, kan in de vergadering van het college slechts worden beraadslaagd of besloten indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Ingevolge artikel 59a, eerste lid, worden stukken die van het college uitgaan, door de burgemeester ondertekend en door de secretaris medeondertekend.

Ingevolge het tweede lid kan het college van burgemeester en wethouders hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het college, aan de secretaris of aan een of meer andere gemeenteambtenaren.

Ingevolge het derde lid is de medeondertekening door de secretaris niet van toepassing indien de ondertekening van stukken die van het college uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een of meer andere gemeenteambtenaren.

Ingevolge artikel 3:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt, indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt.

Ingevolge artikel 7:12, tweede lid, wordt de beslissing op bezwaar bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht.

Ingevolge artikel 10:11, eerste lid, kan een bestuursorgaan bepalen dat door hem genomen besluiten namens hem kunnen worden ondertekend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.

Op 11 juni 2013 heeft het college de "Mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling College Kerkrade 2013" (hierna: de Mandaatregeling), inclusief de daarbij behorende "Lijst College 2013" vastgesteld.

Volgens artikel 6, eerste lid, wordt een bij mandaat genomen besluit als volgt ondertekend: "namens het college", gevolgd door de functieaanduiding van de gemandateerde, handtekening van gemandateerde, alsmede de naam van de gemandateerde.

In de Lijst College 2013 staat onder nummer 4.1.3. vermeld dat aan de Directeur Bestuursdienst mandaat en aan de secretaris van de bezwaarschriftencommissie ondermandaat is verleend tot het bekendmaken van de beslissing op bezwaarschriften zoals bedoeld in artikel 7:12, tweede lid, van de Awb.

2. Bij brief van 28 augustus 2013 heeft de secretaris van de bezwaarschriftencommissie [wederpartij] medegedeeld dat het college het door hem ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard. Als bijlage bij deze brief zijn gevoegd het besluitformulier van de vergadering van het college van 27 augustus 2013 en het advies van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie (hierna: de bezwaarschriftencommissie).

3. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 28 augustus 2013, gelet op de inhoud en formulering ervan, als het besluit op bezwaar moet worden aangemerkt. Nu dit niet is ondertekend door de burgemeester en de secretaris zoals bepaald in artikel 59, eerste lid, van de Gemeentewet, is dit onbevoegd genomen, aldus de rechtbank.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de brief van 28 augustus 2013 heeft aangemerkt als een onbevoegd genomen besluit. Daartoe voert het aan dat het besluit op bezwaar in de vergadering van 27 augustus 2013 is genomen. Dit besluit is vervolgens met een begeleidende brief, ondertekend door de secretaris van de bezwaarschriftencommissie, verzonden aan [wederpartij]. Volgens het bepaalde onder nummer 4.1.3. van de Lijst College 2013 is de secretaris van de bezwaarschriftencommissie daartoe gemandateerd, aldus het college.

4.1. In het besluitformulier van 27 augustus 2013 staat dat het college op 27 augustus 2013 heeft besloten om overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaarschrift van [wederpartij] niet-ontvankelijk te verklaren. Dit besluit is genomen door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden overeenkomstig artikel 56 van de Gemeentewet. Er is, anders dan [wederpartij] aanvoert, daarom geen grond voor het oordeel dat het besluitformulier moet worden voorzien van een paraaf van alle leden van het college.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de brief van 28 augustus 2013 dient te worden aangemerkt als een brief, waarbij ingevolge artikel 7:12, tweede lid, van de Awb, het besluit van het college tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [wederpartij], is bekendgemaakt. De brief geeft, gelet op de bewoordingen daarvan, louter kennis van het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [wederpartij], dat het college in de vergadering van 27 augustus 2013 heeft genomen. Het besluitformulier en het advies van de bezwaarschriftencommissie zijn bij deze brief gevoegd. In de brief is overeenkomstig artikel 3:45, eerste lid, van de Awb, voorlichting gegeven over de openstaande rechtsmiddelen.

De bevoegdheid tot bekendmaken van besluiten op bezwaar is volgens het bepaalde onder nummer 4.1.3. van de Lijst College 2013 door het college gemandateerd aan de secretaris van de bezwaarschriftencommissie. De secretaris van de bezwaarschriftencommissie is ondergeschikt aan en werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college. Anders dan [wederpartij] aanvoert verzet de aard van deze bevoegdheid zich niet tegen mandatering. Er is evenmin een wettelijk voorschrift dat zich tegen deze mandatering verzet. Voor zover deze brief niet is ondertekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Mandaatregeling, overweegt de Afdeling dat dit een onregelmatigheid bij de bekendmaking betreft, die dateert van na het nemen van het besluit, die de rechtmatigheid van dat besluit niet kan aantasten. Daarom levert deze onregelmatigheid geen grond op voor vernietiging van het besluit van 27 augustus 2013. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2006 in zaak nr. 200505067/1.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 januari 2015 in zaak nr. 13/3079;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Verheij w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

280-798.