Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201410474/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft het college het wijzigingsplan "De Clinckhoeff" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410474/1/R2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid H.B.C. Planontwikkeling B.V., gevestigd te Schoonhoven, en andere,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3A], wonend te IJsselstein, handelend onder de naam [bedrijf A], en [appellant sub 3B], wonend te IJsselstein, handelend onder de naam [bedrijf B], wonend te IJsselstein,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ahold Europe Real Estate & Construction B.V., gevestigd te Zaandam, en andere,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft het college het wijzigingsplan "De Clinckhoeff" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Ahold B.V. en andere en het college hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het wijzigingsplan "De Clinckhoeff" opnieuw gewijzigd vastgesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2015, waar H.B.C. B.V. en andere, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam, [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B], bijgestaan door [gemachtigde], Ahold B.V. en andere, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door N.E.C. Versteegh, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Besluiten en procedure

1. Het bij besluit van 28 oktober 2014 vastgestelde wijzigingsplan "De Clinckhoeff" voorziet in de uitbreiding van het bestaande winkelcentrum De Clinckhoeff, de realisatie van 33 woningen en een herstructurering van het omliggende openbaar gebied.

Bij het besluit van 18 augustus 2015 is het wijzigingsplan "De Clinckhoeff" opnieuw vastgesteld en is in de verbeelding de aanduiding "parkeergarage" toegevoegd.

2. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 18 augustus 2015 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Nu dat besluit niet geheel aan de beroepen van H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere tegemoet komt, hebben deze beroepen mede betrekking op het besluit van 18 augustus 2015.

Het wijzigingsplan zoals vastgesteld bij besluit van 18 augustus 2015

Planregeling

3. Aan de gronden in het plangebied is de bestemming "Detailhandel" met ten dele de aanduidingen "bouwvlak", "gestapeld" en "parkeergarage" en overigens de bestemmingen "Verkeer-Railgebied", "Verkeer" en "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor detailhandel aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel en dienstverlening, waarbij maximaal 2 supermarkten worden toegestaan;

[…]

c. horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1c van de Staat van horeca-activiteiten;

[…]

f. ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" maximaal 33 gestapelde woningen; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, (fiets)parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, groen en erven.

Ingevolge lid 3.2.1, gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

[…]

e. het totale oppervlakte detailhandel bedraagt maximaal 5.500 m² (bvo), waarbij het totale oppervlak van de 2 supermarkten maximaal 2.500 m² (bvo) bedraagt en het oppervlak van 1 supermarkt maximaal 2.000 m² (bvo) bedraagt.

4. Het wijzigingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan "IJsselstein Noordoost" (hierna: het bestemmingsplan).

In het bestemmingsplan zijn aan de desbetreffende gronden de bestemmingen "Detailhandel", "Verkeer", "Groen" en "Water" toegekend. Voorts is daaraan de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 1" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.4, van de planregels van het bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" de bestemming wijzigen ten behoeve van uitbreiding van de bestemming "Detailhandel", met dien verstande dat:

a. binnen het gebied van het wijzigingsplan dienen ten minste 275 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarvan ten minste 127 gebouwde parkeerplaatsen;

b. naast detailhandelsvoorzieningen, tevens maximaal 33 woningen mogen worden gerealiseerd;

c. parkeerplaatsen en een hellingbaan dienen te voldoen aan NEN 2443;

d. binnen het wijzigingsplangebied dient plaats te zijn voor straatmeubilair, ondergrondse afvalinzameling en opstelruimte voor winkelcontainers;

e. verlies aan wateroppervlakte dient te worden gecompenseerd volgens de normen van de waterbeheerder;

f. per 100 m² bedrijfsvloeroppervlak van een winkel dienen er tenminste 6 fietsparkeerplaatsen te worden gerealiseerd;

g. de bestaande fietsenstalling dient te worden gehandhaafd;

h. een inrichtingsplan dient deel uit te maken van het wijzigingsplan;

i. middels onderzoek op het gebied van akoestiek, bodem, archeologie en middels een watertoets dient te worden aangetoond dat de wijziging mogelijk is.

Intrekkingen

5. [appellante sub 2] heeft ter zitting de beroepsgrond dat het treffen van watercompenserende maatregelen onvoldoende is gewaarborgd nu in de planregels geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen, ingetrokken.

H.B.C. B.V. en andere hebben ter zitting de beroepsgrond dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld, ingetrokken.

Omvang wijzigingsbevoegdheid

6. H.B.C. B.V. en andere en [appellante sub 2] betogen dat het college buiten de in het bestemmingsplan toegekende wijzigingsbevoegdheid is getreden. Zij stellen dat het ingevolge deze wijzigingsbevoegdheid alleen is toegestaan om bestemmingen te wijzigingen in "Detailhandel" terwijl in het wijzigingsplan ook in "Verkeer" en "Groen" is voorzien.

6.1. Volgens het college is de wijzigingsbevoegdheid ruimer en maakt deze ook de wijziging in andere bestemmingen mogelijk.

6.2. In artikel 28, lid 28.4, van de planregels van het bestemmingsplan is vermeld dat het college bevoegd is, onder de gegeven voorwaarden, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 1" de bestemming te wijzigen ten behoeve van de uitbreiding van de bestemming "Detailhandel". Volgens het college kan uit deze bepaling worden afgeleid dat niet uitsluitend wijziging in een detailhandelsbestemming is toegestaan, maar dat ook wijzigingen in andere bestemmingen zijn toegelaten wanneer dat nodig is voor de uitbreiding van de functie detailhandel, zoals de bestemmingen "Verkeer" en "Groen". Dit blijkt volgens het college uit de formulering van het artikellid waarin niet is bepaald dat de bestemming kan worden gewijzigd in "Detailhandel", maar ten behoeve van de bestemming "Detailhandel. De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op dit standpunt stelt. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college buiten de in het bestemmingsplan toegekende wijzigingsbevoegdheid is getreden. De betogen falen.

Branchering

7. [appellante sub 2] betoogt dat in de planregels ten onrechte niet is voorgeschreven welke typen - discount en/of fullservice - supermarkten op grond van het wijzigingsplan zijn toegestaan.

7.1. Het college acht dit niet ruimtelijk relevant en heeft derhalve hiervan afgezien.

7.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3), kan een onderscheid tussen fullservice supermarkten en discountsupermarkten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet worden gemaakt. Het betreft hier immers winkels met een vergelijkbaar assortiment en een vergelijkbare ruimte- en parkeerbehoefte. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het maken van een dergelijk onderscheid in dit geval planologisch relevant zou zijn. Het college heeft dan ook voor een dergelijk brancheonderscheid in het wijzigingsplan geen aanleiding behoeven te zien. Het betoog faalt.

Ladder voor duurzame verstedelijking

8. H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere betogen dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere voeren daartoe aan dat moet worden gemotiveerd dat sprake is van een actuele regionale behoefte en dat hiervan wat betreft de voorziene supermarktruimte geen sprake is. Zij stellen dat het college zich niet heeft mogen baseren op het onderzoek "Actualisatie DPO supermarktstructuur IJsselstein" van september 2013 van Seinpost (hierna: het rapport van Seinpost). Het college heeft volgens hen miskend dat onvoldoende marktruimte bestaat voor de realisering van de voorziene supermarktruimte en dat het wijzigingsplan zal leiden tot een onaanvaardbare leegstand door de sluiting van andere supermarkten en detailhandel in IJsselstein.

[appellante sub 2] verwijst hiertoe in het bijzonder naar het door haar in het geding gebrachte rapport "Supermarktstructuur IJsselstein. Ruimtelijke impactanalyse planinitiatieven" van 26 augustus 2014 van City Works (hierna: het rapport van City Works). Ahold B.V. en andere wijzen op het rapport "IJsselstein, DPO en effecten supermarktinitiatieven" van 22 augustus 2014 van Bureau Stedelijke Planning (hierna: het rapport van BSP). H.B.C. B.V. en andere en [appellante sub 2] voeren voorts aan dat ook geen behoefte bestaat aan de overige detailhandelsvoorzieningen.

H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere voeren ten slotte aan dat de actuele regionale behoefte aan de in het wijzigingsplan voorziene woningen onvoldoende is aangetoond.

8.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaande stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

8.2. Met het wijzigingsplan is hoofdzakelijk beoogd uitbreiding van het winkelcentrum De Clinckhoeff mogelijk te maken. Het bestemmingsplan voorziet in een winkelcentrum met een bedrijfsvloeroppervlakte (hierna: bvo) aan detailhandel van ongeveer 3.900 m². Het wijzigingsplan voorziet in de vestiging van 5.500 m² bvo aan detailhandel, en begrenst de maximale oppervlakte voor supermarkten tot 2.500 m² bvo. Het wijzigingsplan maakt uitbreiding van de bvo voor detailhandel met ongeveer 1.600 m² mogelijk ter plaatse van gronden waarop dat ingevolge het bestemmingsplan niet bij recht was toegestaan. Het wijzigingsplan maakt verder de realisatie mogelijk van 33 woningen, eveneens op gronden waarop dat ingevolge het vorige planologische regime niet was toegestaan. Het wijzigingsplan voorziet derhalve in een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro. Gelet hierop is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, op dit besluit van toepassing.

8.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan met de voorgenomen ontwikkelingen in een actuele regionale behoefte voorziet en dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare structurele leegstand.

De plantoelichting bevat op dit onderdeel een uiteenzetting waarbij wat betreft de voorziene supermarktruimte in het bijzonder wordt verwezen naar het rapport van Seinpost. In het rapport van Seinpost is vermeld dat in het huidige winkelcentrum De Clinckhoeff een supermarkt met een bvo van ongeveer 1.000 m² is gevestigd. Bij uitbreiding van het winkelcentrum wordt 1.500 m² bvo aan supermarktruimte toegevoegd, hetgeen neerkomt op een toevoeging van 1.000 m² winkelvloeroppervlakte (hierna: wvo). Enerzijds is beoogd om de bestaande fullservice supermarkt uit te breiden en anderzijds om een discountsupermarkt toe te voegen. In het rapport van Seinpost is berekend dat een distributieve ruimte van 3.150-3.250 m² wvo bestaat voor supermarkten. Geconcludeerd wordt dat er voldoende distributieve ruimte bestaat voor de toevoeging van de 1000 m² wvo waarin het wijzigingsplan voorziet. Hierbij is tevens rekening gehouden met de ontwikkelingen op de locatie Panoven, waar twee supermarkten met in totaal 2.300 m² wvo zijn voorzien. Hierbij is verder in aanmerking genomen dat in omliggende kernen, zoals Lopik en Benschop, een discountsupermarkt ontbreekt. In het rapport van Seinpost is vermeld dat vanuit de regio dan ook veel behoefte bestaat aan een dergelijke supermarkt en dat het wijzigingsplan in deze behoefte voorziet. Met het wijzigingsplan is beoogd te voorzien in een verbetering van het kwalitatieve supermarktaanbod in IJsselstein en de omgeving daarvan.

Ten aanzien van de overige uitbreidingsruimte voor detailhandel heeft het college toegelicht dat het nieuwe deel van het winkelcentrum bijna volledig wordt ingevuld met een nieuwe supermarkt. De ruimte die overblijft en de ruimte in het huidige winkelcentrum die ontstaat door verplaatsing van de andere bestaande supermarkt, wordt voornamelijk ingevuld door de thans in het winkelcentrum gevestigde ondernemers, wier winkels worden verplaatst of die wensen uit te breiden.

De 33 woningen betreffen sociale huurwoningen. De realisatie van de woningen past binnen de Provinciale Structuurvisie 2013-2018, waarin voor IJsselstein wordt uitgegaan van een woningbouwprogramma van 500 woningen, die onder meer op de locatie Clinckhoeff worden gerealiseerd. Dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de woningen blijkt volgens het college voorts uit het rapport "Schaarste in de regio Utrecht, onderbouwing voor de nieuwe huisvestingsverordening" van 21 november 2014, waaruit blijkt dat in de regio Utrecht een grote behoefte aan sociale huurwoningen bestaat en dat de wachttijd voor een sociale huurwoning in de gemeente IJsselstein gemiddeld 5,2 jaar bedraagt.

8.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2014 in zaak nr. 201303469/1/R3 dient bij de beoordeling of sprake is van een actuele regionale behoefte, de behoefte te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. Voor detailhandel betekent dit dat wordt gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van winkelleegstand. Inzichtelijk moet zijn gemaakt dat het plan niet een zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden. Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod in een bepaalde branche niet betekent dat de ontwikkeling in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro.

8.5. De door het college, [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere in het geding gebrachte rapporten van Seinpost, City Works en BSP - inclusief de aanvullingen daarop - komen tot verschillende conclusies over de mate waarin in IJsselstein marktruimte aanwezig is voor supermarkten. Seinpost concludeert dat de marktruimte 3.150-3.250 m² wvo bedraagt, terwijl de marktruimte volgens City Works 1.650-1.750 m² wvo en volgens BSP 1.850 m² wvo bedraagt.

8.6. De Afdeling is op basis van hetgeen is vermeld onder 8.3 van oordeel dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de woningen en overige detailhandel die het wijzigingsplan mogelijk maakt.

De Afdeling is voorts van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het rapport van Seinpost voldoende gegevens bevat om te kunnen dienen als een onderzoek naar de actuele regionale behoefte zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Op grond van dit rapport stelt het college dat voldoende marktruimte voor de voorgestane supermarkten bestaat, dat hieraan niet alleen vanuit IJsselstein maar ook vanuit de regio behoefte bestaat en dat geen leegstand in het plangebied of elders in IJsselstein zal ontstaan. Het college is verder van opvatting dat, ook indien zou worden uitgegaan van de rapporten van City Works en BSP, waardoor in IJsselstein voor ongeveer één supermarkt minder marktruimte zou zijn, dit niet leidt tot een vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare structurele leegstand. Het college heeft in dit verband ter zitting gesteld dat indien een bestaande supermarkt uit de markt zou worden gedrukt, de verwachting bestaat dat een andere supermarkt de plaats daarvan zal innemen. Voorts heeft het college gewezen op de planologische mogelijkheden dat zich in een vrijkomend pand andere detailhandel of bedrijvigheid kan vestigen en onweersproken gesteld dat de leegstand in IJsselstein in het algemeen laag is.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. De betogen falen.

Parkeren

9. H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere stellen dat niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid. [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere voeren daartoe aan dat het college bij het bepalen van de parkeerbehoefte, om verscheidene redenen, onjuiste parkeernormen heeft gehanteerd. H.B.C. B.V. en andere voeren aan dat het plangebied in feite geheel kan worden gebruikt voor horecadoeleinden, welke functie een grote verkeersaantrekkende werking heeft. Ahold B.V. en andere stellen dat het realiseren van de voorgestane parkeergarage bovendien niet mogelijk is. Zij voeren aan dat de toegevoegde aanduiding "parkeergarage" niet aansluit bij hetgeen is bepaald in de planregels.

9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet zal leiden tot parkeeroverlast. Volgens het college wordt in overeenstemming met het bestemmingplan voldoende parkeergelegenheid aangelegd. Hiertoe zal onder meer een tweelaagse parkeervoorziening met 127 parkeerplaatsen worden gerealiseerd aan de oostzijde van het plangebied. Om de situering daarvan te verduidelijken, is de aanduiding "parkeergarage" toegevoegd in de verbeelding. Hoewel deze aanduiding niet voorkomt in de planregels, voorziet het wijzigingsplan volgens het college wel degelijk in de realisering van de parkeervoorziening, nu ingevolge de aan de betreffende gronden toegekende bestemming "Detailhandel" parkeervoorzieningen zijn toegestaan.

9.2. Ingevolge artikel 28, lid 28.4, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan dienen bij de uitbreiding van het winkelcentrum en de realisatie van de 33 woningen ten minste 275 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In de plantoelichting is vermeld dat 275 parkeerplaatsen zullen worden aangelegd. Vast staat dat hiermee aan de wijzigingsvoorwaarde voor parkeren zoals in artikel 28, lid 28.4, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan, is voldaan. Dit neemt echter niet weg dat het college bij de vaststelling van het wijzigingsplan moest nagaan of wijziging van de bestemming nog ruimtelijk aanvaardbaar is, bijvoorbeeld in het licht van gewijzigde inzichten dan wel omstandigheden. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan voor zover het betreft het aantal parkeerplaatsen in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is.

Ten aanzien van het betoog dat het wijzigingsplan niet voorziet in de realisering van de voorgestane parkeergarage, overweegt de Afdeling het volgende. Ahold B.V. en andere merken terecht op dat de aanduiding "parkeergarage" niet aansluit bij hetgeen is bepaald in de planregels. Het standpunt van het college dat de realisering van de parkeervoorziening desalniettemin mogelijk is, nu onafhankelijk van deze aanduiding op grond van de bestemming "Detailhandel" parkeervoorzieningen zijn toegestaan, acht de Afdeling niet onjuist. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het realiseren van de parkeervoorziening niet mogelijk is. De betogen falen.

Luchtkwaliteit

10. H.B.C. B.V. en andere betogen dat het onderzoek naar de gevolgen van het wijzigingsplan voor de luchtkwaliteit, ondeugdelijk is uitgevoerd.

10.1. Artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) biedt het kader voor de beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit voor de uitoefening of de toepassing van de in het tweede lid van dit artikel opgesomde bevoegdheden en wettelijke voorschriften. In het tweede lid van artikel 5.16 van de Wm zijn geen bevoegdheden en wettelijke voorschriften opgenomen die thans aan de orde zijn, namelijk de vaststelling van een wijzigingsplan. Derhalve is artikel 5.16, eerste lid, van de Wm in dit geval niet van toepassing en kan het betoog omtrent de luchtkwaliteit reeds daarom niet slagen.

Woon- en leefklimaat [appellant sub 4A]

11. Ahold B.V. en andere betogen dat de in het wijzigingsplan voorziene ontwikkelingen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van mede-indiener van het beroep [appellant sub 4A]. Zij stellen dat de uitbreiding van het winkelcentrum leidt tot een toename van het verkeer in de omgeving van het plangebied ten gevolge waarvan [appellant sub 4A] ernstige geluidhinder zal ondervinden. Zij wijzen hierbij tevens op het extra verkeer ten behoeve van het bevoorraden van de nieuwe winkels. Zij voeren voorts aan dat [appellant sub 4A] geluidhinder zal ondervinden van de parkeerplaatsen die bij zijn woning worden gerealiseerd.

11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 4A]. Volgens het college wijzigt de verkeerssituatie ter hoogte van de woning van [appellant sub 4A] in beperkte mate. Het expeditieverkeer neemt ter plaatse af. Voorts zullen de parkeerplaatsen op enige afstand van het woongebouw van [appellant sub 4A] worden aangelegd zodat ter plaatse van zijn woning geen onevenredige geluidhinder zal worden ondervonden, aldus het college.

11.2. De woning van [appellant sub 4A] aan de [locatie] ligt ten noorden van het plangebied. In de huidige situatie wordt deze woning gescheiden van het winkelcentrum door een weg die uiteindelijk doodloopt. Niet in geschil is dat deze situatie niet zal wijzigen, met dien verstande dat langs de weg aan de kant van de Libraflat parkeerplaatsen zullen worden aangelegd.

In hetgeen Ahold B.V. en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toename van het verkeer ten gevolge van het wijzigingsplan op deze locatie zodanig zal zijn, dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 4A]. De enkele stelling daartoe is onvoldoende. Voorts is blijkens de plantoelichting ten behoeve van de bevoorrading van de winkelvoorzieningen een nieuwe expeditiestraat voorzien aan de zuidzijde van het winkelcentrum en wordt de reeds bestaande expeditiestraat nabij de woning van [appellant sub 4A] verkleind. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbare geluidoverlast ten gevolge van verkeersbewegingen zal optreden ter plaatse van de woning van [appellant sub 4A].

Gezien de situering van de voorziene parkeerplaatsen ten opzichte van de woning van [appellant sub 4A], kan worden aangenomen dat hij in zijn woning invloed zal kunnen ondervinden van het parkeren van auto’s ter plaatse van de parkeerplaatsen. Gelet echter op de omstandigheid dat de parkeerplaatsen niet direct aangrenzend aan het woongebouw waarin [appellant sub 4A] woont zullen worden gerealiseerd - tussen de parkeerplaatsen en het gebouw is een trottoir voorzien - heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet leidt tot onaanvaardbare geluidoverlast ter plaatse van de woning van [appellant sub 4A].

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 4A] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het betoog faalt.

Bedrijfsvoering [appellante sub 3A]

12. [appellante sub 3A] betoogt dat het wijzigingsplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van haar bedrijfsvoering. Zij voert daartoe aan dat de zichtbaarheid en bereikbaarheid van haar winkel ten gevolge van de uitbreiding van het winkelcentrum en de nieuwe expeditiestraat ernstig zal verslechteren. [appellante sub 3A] vreest voorts dat de expeditiestraat tot trillingsoverlast ter plaatse van haar winkel zal leiden.

12.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de voorziene ontwikkelingen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de bedrijfsvoering van [appellante sub 3A]. Volgens het college zal de zichtbaarheid en bereikbaarheid van haar winkel vanuit oostelijke richting weliswaar verslechteren, maar zal deze vanuit zuidelijke richting juist verbeteren. Voorts is volgens het college geen ernstige trillingshinder te verwachten ten gevolge van het verkeer dat gebruik zal maken van de expeditiestraat.

12.2. [appellante sub 3A] exploiteert een bloemenwinkel in de zuidoostelijke hoek van het huidige winkelcentrum. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten oosten van deze winkel de bestemming "Detailhandel" toegekend en aan de gronden ten zuiden daarvan de bestemming "Verkeer".

12.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college de bedrijfsbelangen van [appellante sub 3A] heeft afgewogen tegen de belangen gemoeid met de uitbreiding van het winkelcentrum en de daarmee samenhangende herindeling van het omliggende gebied. Volgens het college is geen sprake van een aantasting van de bedrijfsbelangen van [appellante sub 3A] die zodanig zwaar moet worden geacht, dat hieraan doorslaggevend gewicht moest worden toegekend.

Het college stelt hierbij voorop dat met het wijzigingsplan is beoogd om de aantrekkingskracht van het winkelcentrum te vergroten waarvan ook [appellante sub 3A] kan profiteren. Voorts heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zichtbaarheid en de bereikbaarheid van de bloemenwinkel vanuit oostelijke richting weliswaar zullen verslechteren, maar dat deze vanuit zuidelijke richting juist zullen verbeteren. Het college heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat ten zuiden van het winkelcentrum nieuwe parkeervoorzieningen zullen worden aangelegd ten gevolge waarvan meer bezoekers het winkelcentrum vanaf deze kant zullen benaderen, alsmede dat het voetgangersgebied bij de bloemenwinkel wordt geherstructureerd. De stelling van [appellante sub 3A] dat de gehele dag vrachtwagens voor haar winkel geparkeerd zullen staan op de expeditiestraat, waardoor de zichtbaarheid desalniettemin afneemt, acht de Afdeling niet aannemelijk. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de expeditiestraat zal leiden tot onevenredige trillingsoverlast ter plaatse van het pand van [appellante sub 3A]. Gelet op de verkeersmaatregelen die blijkens de plantoelichting zullen worden getroffen, valt dit vanwege de lage snelheid op deze weg niet te verwachten.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsbelangen van [appellante sub 3A] ten gevolge van de voorziene ontwikkelingen niet zodanig worden aangetast dat dit zwaarder dient te wegen dan de belangen die met het wijzigingsplan worden gediend. Het betoog faalt.

Bedrijfsvoering [appellant sub 3B]

13. Ook [appellant sub 3B] betoogt dat het wijzigingsplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn bedrijfsvoering. [appellant sub 3B] voert daartoe aan dat zijn restaurant ten gevolge van de uitbreiding van het winkelcentrum niet langer zichtbaar is vanaf de straat en moeilijker te bereiken is voor klanten. [appellant sub 3B] voert voorts aan dat het restaurant minder goed bereikbaar is voor expeditieverkeer. Hij wijst in het bijzonder erop dat vrachtwagens niet langer direct naast het restaurant kunnen laden en lossen. [appellant sub 3B] vreest tot slot dat ten gevolge van de bedrijfsvoering van zijn restaurant ter plaatse van de voorziene appartementen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, waardoor hij gedwongen zal worden zijn bedrijfsvoering aan te passen.

13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de voorziene ontwikkelingen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de bedrijfsvoering van [appellant sub 3B]. Hoewel ten gevolge van de uitbreiding van het winkelcentrum het zicht vanaf de straat op het restaurant zal verdwijnen, blijft dit ook in de nieuwe situatie voor klanten goed zichtbaar en bereikbaar. Voorts blijft laden en lossen op korte afstand van het restaurant mogelijk en is ter plaatse van de voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd, aldus het college.

13.2. [appellant sub 3B] exploiteert een Chinees-Indisch restaurant aan de oostkant van het huidige winkelcentrum. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten oosten van dit restaurant de bestemming "Detailhandel" toegekend.

13.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college de bedrijfsbelangen van [appellant sub 3B] heeft afgewogen tegen de belangen gemoeid met de uitbreiding van het winkelcentrum, de realisering van de woningen en de daarmee samenhangende herindeling van het omliggende gebied. Volgens het college is geen sprake van een aantasting van de bedrijfsbelangen van [appellant sub 3B] die zodanig zwaar moet worden geacht, dat hieraan doorslaggevend gewicht moest worden toegekend.

Het college stelt ook ten aanzien van [appellant sub 3B] voorop dat met het wijzigingsplan is beoogd om de aantrekkingskracht van het winkelcentrum te vergroten waarvan ook hij kan profiteren. Voorts heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene ontwikkelingen niet leiden tot een onevenredige beperking van de zichtbaarheid en de bereikbaarheid van het restaurant. Het college heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat in de voorgestane situatie de loopstromen vanuit het nieuwe gedeelte van het winkelcentrum langs het restaurant voeren, waardoor de zichtbaarheid voor klanten behouden blijft, en ook de bereikbaarheid vanuit oostelijke richting is gewaarborgd. Ook heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat expeditie ten behoeve van het restaurant in de voorziene situatie op een aanvaardbare afstand mogelijk is. Ter zitting is immers gebleken dat direct aan de achterkant van het restaurant is voorzien in een locatie voor het laden en lossen van bestelwagens en dat vrachtwagens op betrekkelijk korte afstand van het restaurant op de nieuwe expeditiestraat kunnen laden en lossen.

Voorts overweegt de Afdeling dat het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat ten opzichte van de voorziene woningen aan de richtafstand uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kan worden voldaan, zodat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

De vrees van [appellant sub 3B] dat hij in zijn bedrijfsvoering zou worden belemmerd, acht de Afdeling dan ook niet gerechtvaardigd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsbelangen van [appellant sub 3B] ten gevolge van de voorziene ontwikkelingen niet zodanig worden aangetast dat dit zwaarder dient te wegen dan de belangen die met het wijzigingsplan worden gediend. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

14. [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere betwisten de financiële uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.

Zij voeren hiertoe aan dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, aangezien gronden in eigendom van de gemeente aan de projectontwikkelaar zijn verkocht voor een niet marktconforme prijs. Bij terugvordering van de ongeoorloofde staatssteun is het plan financieel niet uitvoerbaar, aldus [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere.

[appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere voeren hiertoe voorts aan dat een zogenoemde ‘ISV-subsidie’ van € 650.000 niet beschikbaar zal worden gesteld. Zij betogen dat niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de subsidie kan worden voldaan.

14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is. Volgens het college is geen sprake van ongeoorloofde staatsteun en kan worden voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden.

14.2. In het kader van een beroep tegen een wijzigingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

14.3. Ten aanzien van het betoog dat mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), overweegt de Afdeling dat in de onderhavige procedure dit slechts indirect aan de orde kan komen, en wel in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Staatssteun houdt immers geen direct verband met de ruimtelijke effecten van het plan.

Een dergelijk betoog kan derhalve slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode, die in beginsel tien jaar bedraagt. Hieraan is niet reeds voldaan, indien [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere aannemelijk maken dat de staatssteun die is of zal worden verleend, kan worden teruggevorderd. Daarnaast dienen zij aannemelijk te maken dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

Daargelaten of in dit geval sprake is van ongeoorloofde staatssteun, hebben [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere niet aannemelijk gemaakt dat de in het wijzigingsplan voorziene ontwikkeling, indien sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun, niet op een andere wijze kan worden gerealiseerd. In dit kader is van belang dat de ontwikkelaar heeft gesteld dat tevens indien sprake zou blijken te zijn van ongeoorloofde staatssteun, het project kan en zal worden gerealiseerd. Voorts is van belang dat voor de financiële uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan de betrokkenheid van de ontwikkelaar niet van doorslaggevende betekenis is. De enkele mogelijkheid dat de huidige ontwikkelaar zich in verband met een terugvordering van staatssteun als ontwikkelaar geheel of gedeeltelijk uit de ontwikkeling zou moeten terugtrekken, brengt niet met zich dat de in het wijzigingsplan voorziene ontwikkelingen niet kunnen worden gerealiseerd zonder ongeoorloofde staatssteun. Hierbij betrekt de Afdeling dat het college heeft toegelicht dat de ontwikkeling, indien noodzakelijk, en eventueel in een soberder uitvoering, door andere marktpartijen zou kunnen worden uitgevoerd.

Gelet op het voorgaande hebben [appellante sub 2] en Ahold B.V. en andere niet aannemelijk gemaakt dat, daargelaten of sprake is van ongeoorloofde staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VWEU, het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

14.4. Voorts is gebleken dat de voorwaarden waaronder de ‘ISV-subsidie’ is verleend zijn gewijzigd en dat het college bij brief van 5 juli 2013 van het college van gedeputeerde staten van Utrecht in kennis is gesteld van deze wijziging. Uit deze brief volgt dat als voorwaarde is opgenomen dat voor 1 januari 2015 moest zijn gestart met de aanleg van bepaalde voorzieningen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee het college ten tijde van het nemen van het bestreden besluit er niet vanuit mocht gaan dat kon worden voldaan aan deze voorwaarde.

14.5. Gelet op het vorenstaande bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het wijzigingsplan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. De betogen falen.

Conclusie

15. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere tegen het besluit van 18 augustus 2015 ongegrond.

Het plan zoals vastgesteld bij besluit van 28 oktober 2014

16. Het besluit van 18 augustus 2015 wordt met de bekendmaking van deze uitspraak in rechte onaantastbaar. Gelet hierop en nu overigens niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 28 oktober 2014 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun beroepen tegen dat besluit. In verband hiermee zijn de beroepen van H.B.C. B.V. en andere, [appellante sub 2], [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en Ahold B.V. en andere tegen het besluit van 28 oktober 2014 niet-ontvankelijk.

Proceskostenvergoeding

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Relativiteit

18. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van de Awb van toepassing is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen tegen het besluit van 28 oktober 2014 niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 18 augustus 2015 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Hagen w.g. Schoonbrood

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

694.