Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201502956/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van een bouwvergunning voor een dakopbouw op de woning op het perceel [locatie] te Den Haag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201502956/1/A1.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2015 in zaken nrs. 14/5744 en 14/5795 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van een bouwvergunning voor een dakopbouw op de woning op het perceel [locatie] te Den Haag afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2013 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de zijgevel van de dakopbouw op de woning op het perceel.

Bij afzonderlijke besluiten van 28 mei 2014 heeft het college het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 28 mei 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2015, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Het college heeft bij besluit van 14 juli 2008 aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor een dakopbouw op de woning op het perceel. Niet in geschil is dat de dakopbouw in afwijking van deze bouwvergunning is gerealiseerd.

[appellant], die eigenaar is van de naastgelegen woning, heeft het college verzocht handhavend op te treden. Bij besluit van 11 maart 2011 heeft het college dat verzoek afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 22 december 2011 heeft het college dat besluit herroepen en heeft het [vergunninghouder] alsnog onder oplegging van een dwangsom gelast de dakopbouw geheel in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning. Bij uitspraak van 13 juni 2012 heeft de rechtbank het beroep van [vergunninghouder] daartegen gegrond verklaard, het besluit van 22 december 2011 vernietigd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Bij uitspraak van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201207301/1/A1 heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd. Als gevolg van deze uitspraak herleefde het besluit van 22 december 2011, waarbij de last was opgelegd.

2. Bij brief van 23 augustus 2013, aangevuld op 23 september 2013, heeft [appellant] het college verzocht tot invordering van de dwangsom over te gaan en zo nodig [vergunninghouder] opnieuw onder oplegging van een dwangsom te gelasten de dakopbouw in overeenstemming te brengen met de op 14 juli 2008 verleende bouwvergunning.

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het college besloten van handhavend op te treden af te zien. Volgens het college heeft [vergunninghouder] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend, zodat concreet zicht op legalisering bestaat.

Bij besluit van 9 december 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor een gewijzigde uitvoering van de dakopbouw op de woning op het perceel.

Bij besluit van 28 mei 2014 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 18 oktober 2013 ongegrond verklaard. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de omgevingsvergunning is verleend, geen sprake meer is van een illegale situatie en er geen bevoegdheid bestaat handhavend op te treden.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college bij besluit van 9 december 2013 terecht aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning heeft verleend. [appellant] is tegen dit oordeel niet opgekomen, zodat de Afdeling uitgaat van de juistheid van dit oordeel. Mede gelet op de bij dat besluit behorende bouwtekeningen is met dat besluit de bestaande dakopbouw op de woning op het perceel gelegaliseerd. Van bouwen in afwijking van een vergunning is dan ook niet langer sprake.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat deze procedure een voortzetting is van de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013, waarbij de Afdeling het besluit van 22 december 2011 heeft bevestigd. Volgens [appellant] is het college, gelet op die uitspraak, gehouden handhavend op te treden tegen de in afwijking van de eerder verleende vergunning gerealiseerde dakopbouw. Het college diende daarbij uit te gaan van de bepalingen van het bestemmingsplan "Benoordenhout", dat gold ten tijde van het besluit van 22 december 2011. Nu de in afwijking van de bij besluit van 14 juli 2008 verleende bouwvergunning gerealiseerde dakopbouw daarmee in strijd is, bestaat geen concreet zicht op legalisering, aldus [appellant].

4.1. Niet in geschil is dat de dakopbouw is gebouwd in afwijking van de bij besluit van 14 juli 2008 verleende bouwvergunning. Het college heeft daartegen bij besluit van 22 december 2011 handhavend opgetreden. Gelet op het op dat moment geldende bestemmingsplan "Benoordenhout" bestond geen concreet zicht op legalisering, omdat het gebouwde met dat bestemmingsplan in strijd was en het college niet bereid was in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning te verlenen. Evenmin lag op dat moment een legaliserend ontwerpbestemmingsplan ter inzage op grond waarvan concreet zicht op legalisering bestond.

4.2. In reactie op de brief van [appellant] van 23 augustus 2013 heeft het college [appellant] bij brief van 18 september 2013 bericht dat de dwangsom is verbeurd en dat het gerechtigd is de dwangsom in te vorderen. Het heeft [appellant] erop gewezen dat [vergunninghouder] een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend voor het wijzigen van de dakopbouw. Gelet op de mogelijkheid van legalisering, heeft het college [appellant] medegedeeld de invordering op te schorten tot is beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning. Indien negatief op de aanvraag wordt beschikt, zal alsnog worden overgegaan tot invordering van de dwangsom, aldus het college.

4.3. De mededeling dat de invordering wordt opgeschort, houdt geen stuiting van de verjaring in, als bedoeld in de artikelen 4:105 en 4:106 van de Algemene wet bestuursrecht, dan wel een verlenging van de verjaringstermijn door het verlenen van uitstel van betaling, als bedoeld in de artikelen 4:94 en 4:111 van die wet. De bevoegdheid tot het invorderen van de dwangsom is met ingang van 24 september 2013 verjaard, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich in zijn besluit van 28 mei 2014 inzake het handhavingsverzoek terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet langer bevoegd was de dwangsom in te vorderen. Dat, zoals [appellant] stelt, hij erop mocht vertrouwen dat het college de verjaringstermijn zou stuiten, doet aan het feit dat het college niet langer bevoegd is in te vorderen niet af.

Nu invordering niet meer mogelijk is, kan geen uitvoering meer worden gegeven aan het besluit van 22 december 2011. Het nemen van een handhavingsbesluit op het nieuwe verzoek van [appellant] van 23 augustus 2013 om handhavend op te treden, kan niet als uitvoering van het besluit van 22 december 2011 worden beschouwd. Het college diende op dat verzoek te beslissen, waarbij het het recht diende toe te passen dat op dat moment gold. Op het moment van het nemen van het besluit van 18 oktober 2013 gold het op 20 december 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Benoordenhout" (hierna: het bestemmingsplan "Benoordenhout 2012"). Het college heeft in het besluit van 18 oktober 2013 bij de beoordeling van de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat dan ook terecht dat bestemmingsplan betrokken. Daaraan doet niet af dat ten tijde van het besluit van 22 december 2011 het bestemmingsplan "Benoordenhout" gold en het ontwerpbestemmingsplan "Benoordenhout 2012" nog niet ter inzage was gelegd. Nu het college bij besluit van 9 december 2013 omgevingsvergunning heeft verleend voor de gewijzigde uitvoering van de dakopbouw op de woning op het perceel en daarmee de illegale situatie op het perceel is gelegaliseerd, was het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in het besluit op bezwaar van 28 mei 2014 niet langer bevoegd handhavend tegen de dakopbouw op te treden. Dit betekent dat voor het college niet ter beoordeling voorlag of sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het van handhaving kon afzien. Het betoog van [appellant] dat dergelijke omstandigheden niet aanwezig zijn, behoeft daarom geen bespreking.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

473.