Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201503196/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503196/1/A2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 maart 2015 in zaak nr. 14/1378 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het verzoek geheel toegewezen en [appellant], met toepassing van de wegingsfactor 0,5 (licht), een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten van € 472,00 toegekend.

Bij uitspraak van 5 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 april 2014 vernietigd ten aanzien van de kostenvergoeding in bezwaar en deze vastgesteld op € 974,00. Daarnaast heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 974,00 en het college gelast om het door [appellant] betaalde griffierecht te vergoeden.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door D. Greveling, werkzaam bij Greveling rechtshulp, en het college, vertegenwoordigd door R. Takens, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling

van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met het vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, wordt het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge het derde lid kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.

2. De aan de ex-echtgenote van [appellant] verstrekte uitkering is op [appellant] verhaald. Ter betwisting van de verhaalsbijdrage heeft [appellant] het college bij brief van 18 oktober 2013 op grond van de Wob verzocht om hem alle documenten te zenden die verband houden met deze uitkering. Bij besluit van 15 november 2013 heeft het college [appellant] toegestaan de documenten in te zien, met de mededeling dat [appellant] bij die gelegenheid tegen betaling kopieën zou kunnen ontvangen van de gewenste documenten. Bij besluit van 9 april 2014 is het bezwaar van [appellant] hiertegen gegrond verklaard en is zijn Wob-verzoek geheel toegewezen, waarna hij de documenten heeft ontvangen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn verzoek om het college op grond van artikel 8:88 van de Awb te veroordelen tot volledige vergoeding van de werkelijke kosten van in totaal € 16.256,75 die hij heeft moeten maken voor de bezwaar- en beroepsprocedure over het Wob-verzoek, de hiermee samenhangende voorlopigevoorzieningenprocedure en de tegen de gemeente, met succes, gevoerde civiele procedures over de verhaalsbijdrage. De kostenveroordeling door de rechtbank staat niet in verhouding tot de werkelijke kosten, aldus [appellant].

3.1. De vergoeding van de kosten in de bezwaar- en beroepsprocedure kan slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Bpb plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van het Bpb en de bijlage van het Bpb. Gelet op dit limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is voor een volledige vergoeding van de door [appellant] gestelde kosten in bezwaar en beroep langs de weg van artikel 8:88 van de Awb geen plaats. Dit geldt ook voor de door hem gestelde kosten in de voorlopigevoorzieningprocedure.

Het college kan evenmin op grond van artikel 8:88 van de Awb worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van [appellant] in de civiele procedures tegen de gemeente, reeds omdat die kosten geen gevolg zijn van een onrechtmatig besluit van het college als bedoeld in die bepaling.

Het op artikel 8:88 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.

3.2. De rechtbank heeft de kostenvergoeding in bezwaar en de proceskostenveroordeling in beroep vastgesteld overeenkomstig de in de bijlage van het Bpb neergelegde tarieven, waarbij zij de wegingsfactor 1 heeft toegepast. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is niet gebleken, zodat geen aanleiding bestaat om de kosten van rechtsbijstand vast te stellen op een hoger bedrag.

Het betoog van [appellant] ter zitting, dat het college hem bewust niet heeft toegelaten tot de verzochte informatie omdat dit, zoals in dit geval, tot terugbetaling door de gemeente van de verhaalsbijdrage zou kunnen leiden, geeft hier evenmin aanleiding toe. Dat het Wob-verzoek bij besluit van 15 november 2013 is ingewilligd in een andere vorm dan [appellant] heeft verzocht, laat onverlet dat het college hem reeds toen heeft toegelaten tot de verzochte informatie.

3.3. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Michiels w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

615.