Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201404338/1/R1 en 201501595/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2669
JBO 2015/347
JOM 2015/1079
JOM 2015/1080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404338/1/R1 en 201501595/1/R3.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,

4. [appellant sub 4], wonend te Grathem, gemeente Leudal,

5. [appellante sub 5], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,

6. [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Baexem, gemeente Leudal,

7. [appellant sub 7], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

8. [appellant sub 8], wonend te Haler, gemeente Leudal,

9. [appellante sub 9], gevestigd te Ell, gemeente Leudal,

10. [appellant sub 10], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

11. [appellant sub 11], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,

12. [appellant sub 12], wonend te Roggel, gemeente Leudal,

13. [appellant sub 13], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

14. [appellante sub 14], wonend te Roggel, gemeente Leudal,

15. [appellante sub 15], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

16. [appellante sub 16], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

17. [appellante sub 17], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,

18. [appellant sub 18], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

19. [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 19]), beide gevestigd te Haelen, gemeente Leudal,

20. [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], beiden wonend te Hunsel, gemeente Leudal,

21. [appellant sub 21], wonend te Roggel, gemeente Leudal,

22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RoyerGeit B.V., gevestigd te Stramproy, gemeente Weert,

23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V., gevestigd te Haelen, gemeente Leudal,

24. [appellante sub 24], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,

25. [appellante sub 25], gevestigd te Baexem, gemeente Leudal,

26. [appellante sub 26], gevestigd te Horn, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Horn, gemeente Leudal,

27. [appellante sub 27], gevestigd te Grathem, gemeente Leudal,

28. [appellant sub 28], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

29. [appellante sub 29], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,

30. [appellante sub 30], gevestigd te Neer, gemeente Leudal, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Neer, gemeente Leudal,

31. [appellant sub 31], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

32. [appellante sub 32], gevestigd te Ell, gemeente Leudal,

33. [appellante sub 33], gevestigd te Neeritter, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Neeritter, gemeente Leudal,

34. [appellante sub 34], gevestigd te Baexem, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B], [maat C] en [maat D], allen wonend te Baexem, gemeente Leudal,

35. [appellant sub 35], handelend onder de naam [boomkwekerij], wonend te Heibloem, gemeente Leudal,

36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holmel B.V., gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,

37. [appellante sub 37], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Hunsel, gemeente Leudal,

38. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vokar Onroerend Goed B.V., gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,

39. [appellante sub 39], gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,

40. [appellant sub 40], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

41. de stichting Stichting Milieufederatie Limburg, gevestigd te Roermond,

42. [appellante sub 42], gevestigd te Roggel, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Roggel, gemeente Leudal,

43. [appellant sub 40], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,

44. [appellante sub 44], gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Heibloem, gemeente Leudal,

45. [appellante sub 45], gevestigd te Grathem, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Grathem, gemeente Leudal,

46. [appellante sub 46], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

47. [appellant sub 47], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

48. [appellante sub 48], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C],

49. [appellant sub 49], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,

50. [appellante sub 50], gevestigd te Haler, gemeente Leudal,

51. [appellante sub 51], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,

52. [appellante sub 52], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,

53. [appellante sub 53], gevestigd te Haler, gemeente Leudal,

54. [appellant sub 54], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,

55. [appellant sub 55], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,

56. [appellante sub 56], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,

57. [appellante sub 57], gevestigd te Ittervoort, gemeente Leudal,

58. [appellant sub 58A] en [appellante sub 58B], beiden wonend te Roggel, gemeente Leudal,

59. [appellant sub 59], wonend te Haelen, gemeente Leudal,

60. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A], beide gevestigd te Haelen, gemeente Leudal,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leudal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben alle appellanten, behoudens [appellante sub 60A] en [appellant sub 59], beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" vastgesteld. Bij besluit van 11 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" gewijzigd vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 59] en HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft daarop hun zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 22, 23 en 24 september 2015, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De plannen

2. Het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" biedt een juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Leudal. Het plan vervangt de door de raad op 25 juni 2013 vastgestelde beheersverordening "Buitengebied". Daarvoor golden voor het plangebied verschillende bestemmingsplannen. Op grond van de beheersverordening behielden de verschillende daarvóór geldende bestemmingsplannen, alsmede de bijbehorende wijzigingsplannen, (partiële) herzieningen, projectbesluiten verleende vrijstellingen/ontheffingen/afwijkingen, met inachtneming van de beheersverordening, materieel bezien hun werking.

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben de beroepen van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4. De Afdeling merkt de besluiten van de raad van 9 september 2014 en 11 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" voor het beroep van HG Beheer B.V. aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" betrekking heeft op het planonderdeel waarop ook de besluiten van 9 september 2014 en 11 november 2014 zien en waartegen haar beroep gericht is.

Intrekking beroep [appellant sub 4]

5. Ter zitting heeft [appellant sub 4] zijn beroep tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" ingetrokken.

De beroepen tegen het bestemmingsplan "Landgoed Leudal"

6. Het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" heeft tot doel de bestaande camping aan de Roggelseweg 54 te Haelen om te vormen naar Landgoed Leudal, alwaar verblijfsaccommodaties zullen worden gebouwd ten behoeve van groepsverblijf, outdoor activiteiten en (zakelijke) trainingen.

Het beroep van [appellant sub 59]

7. Het beroep van [appellant sub 59], woonachtig aan de [locatie 1] te Haelen, is gericht tegen de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 40" die aan het perceel Roggelseweg 54 is toegekend. [appellant sub 59] betoogt dat het bebouwingspercentage van 40% te hoog is in vergelijking met het bebouwingspercentage in het voorheen geldende plan, hetgeen slechts 3% betrof. Het plan maakt een forse toename van bebouwing op het campingterrein mogelijk. Volgens hem heeft de raad dit onvoldoende onderkend. Volgens bijlage 1 van de plantoelichting zal dit met name in de oostelijke richting van het terrein plaatsvinden. Hij vreest als gevolg hiervan voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege geluidoverlast van aanwezige recreanten en een aantasting van zijn privacy. Voorts vreest hij als gevolg daarvan voor een toename van verkeersstromen. Ten onrechte stelt de raad dat de bebouwing ten opzichte van de bestaande situatie zal verminderen, omdat er nu minder kampeermiddelen op het terrein zullen worden gevestigd. De camping wordt in de bestaande situatie volgens hem minder intensief gebruikt dan waarvan de raad uitgaat.

7.1. Aan het campingterrein is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend en ter plaatse van het bouwvlak is de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 40" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het uitoefenen van activiteiten gericht op verblijfsrecreatie;

[..]

met daarbij behorende:

g. wegen en paden;

h. groenvoorzieningen;

i. parkeervoorzieningen;

[..].

Ingevolge lid 4.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b. het bouwvlak mag worden bebouwd tot maximaal het aangeduide bebouwingspercentage;

[..].

7.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" was aan het campingterrein de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend en ter plaatse van het bouwvlak was de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 3" toegekend.

In artikel 20, lid

20.1, aanhef en onder a, j, k en l, en lid 20.2.1, aanhef en onder a en b, van de planregels van dat plan was eenzelfde planregeling opgenomen.

7.3. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat de beoogde invulling van het westelijke deel van het plangebied concreet is. In dit deel is ruimte voor diverse recreatiewoningen, een bedrijfswoning, parkeervoorzieningen en centrale accommodaties. De recreatiewoningen en centrale accommodaties zijn grotendeels al gerealiseerd. Voor het oostelijke deel van het plangebied bestaan nog geen concrete plannen. Uitgangspunt van het plan is daarom dat voldoende flexibiliteit wordt geboden. Voor het gehele terrein geldt een bebouwingspercentage van maximaal 40%, hetgeen ten opzichte van de feitelijke situatie een vermindering met ongeveer 20% verstening betreft. Uit paragraaf 3.3 van de plantoelichting volgt dat het bebouwingspercentage in het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" lager was omdat het terrein van oorsprong een kampeerterrein was. Kampeermiddelen, waaronder stacaravans, zijn geen gebouwen, zodat deze verstening niet onder het bebouwingspercentage viel. De vervanging van oude stacaravans door recreatiewoningen leidt tot een overschrijding van het maximale bebouwingspercentage. Gelet hierop is in het voorliggende plan een hoger bebouwingspercentage opgenomen. In paragraaf 3.4 is vermeld dat de ruimtelijke kwaliteit van het terrein wordt verbeterd met de realisatie van de recreatiewoningen en het verwijderen van vervallen stacaravans. De landschappelijke afscheiding wordt behouden en waar nodig versterkt. De ontwikkeling van Landgoed Leudal leidt derhalve tot een ruimtelijke kwaliteitswinst in het gebied.

In bijlage 1 van de plantoelichting is een nadere onderbouwing opgenomen voor het bebouwingspercentage. In deze bijlage staat dat er feitelijk op 60% van het campingterrein kampeermiddelen staan. Het aantal zelfstandige accommodaties zal volgens bijlage 1 van 310 kampeermiddelen naar 184 recreatiechalets dalen. Aan de oostelijke kant van het plangebied zal 40% worden bebouwd; gemiddeld zal 38% van het hele terrein worden bebouwd.

7.4. De raad stelt dat in het voorheen geldende plan reeds een recreatieve bestemming aan het campingterrein was toegekend op grond waarvan een groot aantal standplaatsen voor verblijfsrecreatieve voorzieningen op het perceel was toegestaan. Volgens de raad leidt het verhoogde bebouwingspercentage niet tot een toename van overlast of een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 59].

7.5. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 59] niet heeft onderbouwd waarom de raad dit standpunt in redelijkheid niet heeft kunnen innemen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de planregeling, gelet op de afstand van 60 m van het terrein tot de woning van [appellant sub 59] en de omvang van de toegestane bebouwing, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij betrekt de Afdeling dat het terrein in een bosrijke omgeving ligt, waardoor het zicht vanaf het terrein op de woning wordt ontnomen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de privacy van [appellant sub 59] door de toename van het bebouwingspercentage zal worden aangetast. Voorts heeft [appellant sub 59] niet onderbouwd waarom, gelet op het feit dat het aantal kampeermiddelen zal afnemen, de omstandigheid dat het aantal recreatiechalets zal toenemen, maakt dat hij meer geluidoverlast van recreanten zal ondervinden dan voorheen. Evenmin is gebleken dat deze omstandigheid tot gevolg heeft dat het aantal verkeersbewegingen zal toenemen.

Het betoog van [appellant sub 59] faalt.

8. [appellant sub 59] betoogt voorts dat er sprake is van strijd met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL 2006) en het Limburgs Kwaliteitsmenu. Uit het POL 2006 volgt dat versterking van de landschappelijke kwaliteit als randvoorwaarde geldt bij verdere ontwikkeling van toerisme en recreatie, zodat aanvullende maatregelen hadden moeten worden genomen voor de landschappelijke inpassing. De raad is ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag en dat het Limburgs Kwaliteitsmenu daardoor niet van toepassing is. Naast de toename van het bebouwingspercentage is er sprake van verstening vanwege de aanleg van wegen en parkeergelegenheid. Gelet hierop had de raad aan de in het Limburgs Kwaliteitsmenu opgenomen eisen voor compensatie moeten voldoen.

8.1. In het POL 2006 is het grondgebied van Limburg in verschillende perspectieven verdeeld. Het plangebied ligt buiten de contour plattelandskern van Haelen en in het gebied dat in het POL 2006 is aangeduid als perspectief 4 Vitaal landelijk gebied. De inrichting van gebieden die deel uitmaken van dit perspectief wordt in belangrijke mate bepaald door de landbouw. Daarnaast wordt in deze gebieden extra belang gehecht aan verbreding van de plattelandseconomie, onder meer door het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector. Via de systematiek van het Limburgs Kwaliteitsmenu dient de ontwikkeling van functies gepaard te gaan met respect voor cultuurhistorie en landschappelijke kwaliteit én versterking van de omgevingskwaliteiten. Gemeenten dienen voorts de ruimtelijke ontwikkeling van niet-grondgebonden landbouw, grootschalige toeristisch-recreatieve functies en functiewijzigingen tot werklocatie of woongebied ter advies aan de provincie voor te leggen.

Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op de gedachte dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. Voor nieuwe recreatieve ontwikkelingen zoals campings en bungalowparken is de module "Gebiedseigen recreatie en toerisme" uit het Limburgs Kwaliteitsmenu van toepassing. Hierin is opgenomen dat de inpassing en de verbetering van de kwaliteit op de locatie van de ontwikkeling zelf voorop staat. Er dient een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing te worden gerealiseerd en voorts dient nieuw groen te worden gerealiseerd ter compensatie. Het Limburgs Kwaliteitsmenu is uitgewerkt in de gemeentelijke "Nota kwaliteit". Indien compensatie op basis van het Limburgs Kwaliteitsmenu noodzakelijk is, is hierin beschreven waaruit dat zou kunnen bestaan.

8.2. Over het betoog over de strijdigheid met het provinciaal beleid neergelegd in het POL 2006 en het Limburgs Kwaliteitsmenu, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. De raad dient wel met dit beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In paragraaf 2.2 van de plantoelichting is ingegaan op het POL 2006 en het Limburgs Kwaliteitsmenu. Het plan voorziet volgens de plantoelichting in economische ontwikkelingen zoals nagestreefd wordt in het POL 2006. Over de landschappelijke kwaliteit is opgenomen dat de ontwikkelingen landschappelijk zijn ingepast. De bestaande groensingel rond het recreatieterrein blijft gehandhaafd, waardoor het terrein is afgeschermd van de openbare weg. De bestaande structuren worden niet aangetast waardoor er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Voorts staat in de plantoelichting dat het plan voorziet in een nieuwe ontwikkeling, namelijk de omvorming van Camping Leudal naar Landgoed Leudal met de realisatie van onder andere recreatiewoningen, maar dat er geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. De recreatiewoningen worden gerealiseerd op een locatie die al een recreatiefunctie heeft en al bebouwd was. Omdat deze functie verder niet wordt uitgebreid, is het Limburgs Kwaliteitsmenu volgens de plantoelichting niet van toepassing.

8.3. In paragraaf 5.2 van het Limburgs Kwaliteitsmenu getiteld "Is het kwaliteitsmenu van toepassing" is het volgende aangegeven:

"De soorten van ontwikkelingen waarvoor het Limburgs Kwaliteitsmenu geldt staan beschreven in het POL 2006 en de POL aanvulling Verstedelijking, Gebiedsontwikkeling en Kwaliteitsverbetering. Het kenmerkende voor deze ontwikkelingen is dat het (nieuwe) functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen op het "maagdelijke" buitengebied en/of met nieuwe verstening en verglazing gepaard gaan. We hebben het dan over nieuwe woningen, nieuwe woongebieden, uitbreidingen van agrarische bedrijven, nieuwe agrarische bedrijven, glastuinbouw, R&T functies, niet-agrarische bedrijven en bedrijventerreinen. Het gaat daarbij zowel om situaties waarbij de bestemming gewijzigd wordt van een ‘landelijke’ naar een ‘stedelijke’ bestemming als om situaties waar door de bestemmingswijziging (bijvoorbeeld door toevoegen van een bouwvlak) mogelijkheden voor nieuwe bebouwing, verstening en verglazing ontstaan."

8.4. De Afdeling stelt vast dat de recreatieve functie van de gronden en de daarbij behorende mogelijkheid tot het aanleggen van wegen en parkeervoorzieningen met het thans aan de orde zijnde plan niet is gewijzigd, maar dat de mogelijkheden voor het oprichten van verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn uitgebreid doordat naast kampeermiddelen nu ook recreatiechalets zijn toegestaan. Gelet op de mogelijkheden die het voorheen geldende plan bood, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag niet onredelijk. Niet is gebleken dat de gevolgen van het plan van dien aard zullen zijn dat dit zal leiden tot verlies van omgevingskwaliteit. De Afdeling ziet gelet op de strekking van het provinciale beleid geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Limburgs Kwaliteitsmenu niet van toepassing is, zodat gelet daarop geen maatregelen ter compensatie als bedoeld in het gemeentelijk beleid "Nota Kwaliteit" hoeven te worden genomen. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat het provinciebestuur geen bezwaren naar voren heeft gebracht over het plan. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid onvoldoende bij de belangenafweging heeft betrokken.

Het betoog van [appellant sub 59] faalt.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 59] ongegrond.

Het beroep van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A]

10. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte meer functies onder het begrip centrumvoorzieningen heeft laten vallen. Niet alleen een ondergeschikte functie als detailhandel valt hier nu onder, maar ook een hoofdfunctie als trainingsfaciliteiten. Nu ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, van de planregels maximaal 10% van het bouwvlak mag worden bebouwd voor centrumvoorzieningen, is ofwel het begrip centrumvoorzieningen te ruim ofwel de voorwaarde dat slechts 10% van het bouwvlak ten behoeve van centrumvoorzieningen mag worden bebouwd te krap.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan het mogelijk maakt om 2.800 m² bebouwing voor centrumvoorzieningen op te richten, hetgeen voldoende mogelijkheid biedt voor het oprichten van bebouwing. De raad acht het wenselijk dat één regeling bestaat voor de voorzieningen die niet op recreatie zijn gericht. Omdat deze voorzieningen alleen ondergeschikt aan de hoofdactiviteit verblijfsrecreatie zijn toegestaan, bestaat geen aanleiding voor meer bouwmogelijkheden.

10.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.29, van de planregels wordt onder centrumvoorzieningen verstaan: voorzieningen ten behoeve van en ondergeschikt aan de hoofdfuncties recreatie en training. Centrumvoorzieningen staan ten dienste van personen die op het landgoed verblijven. Het betreft concreet voorzieningen zoals receptie, administratie, trainingsfaciliteiten, detailhandel, restaurantvoorzieningen en opslag.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor centrumvoorzieningen.

Ingevolge lid 4.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b. het bouwvlak mag worden bebouwd tot maximaal het aangeduide bebouwingspercentage;

(…);

d. maximaal 10% van het maximaal te bebouwen oppervlak mag bebouwd worden ten behoeve van centrumvoorzieningen.

10.3. Het bouwvlak is ongeveer 7 ha groot. De gronden in het bouwvlak mogen ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels in samenhang met de aan het terrein toegekende aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 40" voor 40% worden bebouwd met gebouwen, hetgeen 2,8 ha betreft. Maximaal 10% hiervan mag ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, worden bebouwd ten behoeve van centrumvoorzieningen, hetgeen 2.800 m² betreft.

In het ontwerpplan was het perceel ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder f, van de planregels mede voor trainingsaccommodaties bestemd, zodat 40% van de gronden kon worden bebouwd ten behoeve van trainingsaccommodaties. De raad heeft ter zitting toegelicht dat training in het vastgestelde plan abusievelijk niet meer in artikel 4, lid 4.1, als hoofdfunctie is bestemd en trainingsfaciliteiten in artikel 1, lid 1.29, abusievelijk als centrumvoorzieningen zijn aangeduid. Niet is beoogd om slechts de beperkte bouwmogelijkheid in artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, van de planregels op trainingsaccommodaties van toepassing te laten zijn. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

11. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat kortlopende evenementen zonder nadere motivering niet meer zijn toegestaan, terwijl het voorheen geldende plan "Buitengebied Leudal" dit wel toestond.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" een plan is voor een groot gebied, zodat veel algemene regels zijn opgenomen. In het voorliggende plan is een bestemming op maat toegekend. De raad acht het toestaan van kortlopende evenementen niet wenselijk. Daarbij wijst hij erop dat de evenementen in het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" waren beperkt tot driemaal per jaar, terwijl in het ontwerp van het voorliggende plan een onbeperkt aantal evenementen was toegestaan, welk ruim gebruik niet wenselijk wordt geacht.

11.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.84, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" wordt onder kortlopend evenement verstaan: een evenement met een duur van maximaal 7 dagen, inclusief het opbouwen en afbreken.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

11.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling overweegt dat de raad niet inzichtelijk heeft kunnen maken waarom hij het thans niet meer wenselijk acht om driemaal per jaar kortlopende evenementen op het terrein toe te staan overeenkomstig het voorheen geldende plan.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

12. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] kunnen zich niet verenigen met de planregeling voor het huisvesten van arbeidsmigranten. De reeds gebouwde chalets bieden plaats aan 375 personen, terwijl nu slechts 225 personen mogen worden gehuisvest. Volgens hen is niet onderbouwd waarom het toegestane aantal arbeidsmigranten met 150 personen is verminderd, terwijl het gebruik van de chalets voor de huisvesting van arbeidsmigranten in het kader van de verleende vergunningen voor de chalets is toegestaan door het college van burgemeester en wethouders. Daarbij is nadrukkelijk toegezegd dat het aantal te huisvesten arbeidsmigranten niet zal worden verminderd. Zonder de inkomsten daarvan is het plan niet uitvoerbaar.

HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen voorts dat artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder e, van de planregels, waarin is bepaald dat huisvesting van arbeidsmigranten alleen op de begane grond mag plaatsvinden, onnodig bezwarend is en dat een ruimtelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het huisvesten van arbeidsmigranten planologisch niet was toegestaan of anderszins was gelegaliseerd, zodat geen sprake is van gevestigde rechten. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] waren volgens de raad oorspronkelijk niet voornemens om arbeidsmigranten te huisvesten. Vanwege de vertraging in de procedure is de ruimte geboden om arbeidsmigranten op het terrein te huisvesten, maar hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de huisvesting van arbeidsmigranten noodzakelijk is voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Volgens de raad kan de concentratie van huisvesting van arbeidsmigranten tot ontwrichting van het woon- en leefklimaat van de nabijgelegen kernen leiden. Gelet daarop is het aantal gemaximeerd op 225 arbeidsmigranten.

12.2. De aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" is aan het westelijke deel van het terrein toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" bestemd voor de huisvesting van arbeidsmigranten.

Ingevolge lid 4.5.2 gelden met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten de volgende regels:

a. huisvesting van arbeidsmigranten is uitsluitend toegelaten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten";

b. het aantal arbeidsmigranten dat gehuisvest mag worden bedraagt niet meer dan 225;

[…];

e. huisvesting van arbeidsmigranten is enkel mogelijk op de begane grond;

[…].

12.3. Voor de bouw van de recreatiechalets zijn op 5 april 2011 en op 5 februari 2013 omgevingsvergunningen voor bouwen verleend. Hiermee zijn twaalf chalets en vier groepchalets onderscheidenlijk vijftien chalets en drie groepchalets voor het westelijke deel van het terrein dat als fase 1A en fase 1B wordt aangeduid, vergund. De Afdeling stelt vast dat de huisvesting van arbeidsmigranten ingevolge het ten tijde van de verleende omgevingsvergunningen geldende plan "Buitengebied Haelen" niet was toegestaan op het campingterrein. Voorts is niet gebleken dat een ontheffing voor de huisvesting van arbeidsmigranten is verleend op grond van artikel 9 van het destijds tevens geldende paraplubestemmingsplan "Buitengebied Leudal" uit 2010. Uit de verleende omgevingsvergunningen volgt niet dat deze uitdrukkelijk het beoogde gebruik van de chalets voor de huisvesting van arbeidsmigranten omvatten. Dit specifieke gebruik blijkt evenmin uit de aanvragen voor de omgevingsvergunningen. Gelet hierop kunnen de omgevingsvergunningen niet worden beschouwd als een zogenoemde impliciete vrijstelling voor een dergelijk gebruik en is in zoverre geen sprake van bestaande rechten.

12.4. De raad heeft bij de vaststelling van een bestemmingsplan beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft de huisvesting van arbeidsmigranten blijkens artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels uitdrukkelijk willen toestaan op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", maar tegelijkertijd het aantal willen beperken tot maximaal 225 personen. De reden hiervoor is dat de raad vreest voor ontwrichting van het woon- en leefklimaat in de omliggende kernen indien de huisvesting van meer arbeidsmigranten wordt toegelaten.

Volgens HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] bieden de chalets plaats aan 375 personen. Uit het door HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] overgelegde verslag van een overleg op 19 oktober 2012 met een aantal ambtenaren en wethouders van de gemeente Leudal volgt dat is afgesproken dat de chalets op de gronden van fase 1A, waarvoor de omgevingsvergunning op 5 april 2011 is verleend, mogen worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit gebruik is en blijft ook daarna overeenkomstig gemeentelijk beleid binnen de recreatieve bestemming in vergelijkbare omvang als ondergeschikte activiteit mogelijk. Uit een brief van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2013 volgt voorts dat deze afspraak ook geldt voor de chalets op de gronden van fase 1B, waarvoor de omgevingsvergunning van 5 februari 2013 is verleend.

De Afdeling overweegt dat de raad het aantal te huisvesten arbeidsmigranten op een recreatieterrein in het kader van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan kan reguleren, maar dat de raad in dit geval, mede gelet op de correspondentie van het college van burgemeester en wethouders met HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A], niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom vanuit ruimtelijk oogpunt maximaal 225 arbeidsmigranten op het terrein mogen worden gehuisvest. De ter zitting door de raad ingenomen stelling dat het onderwijs kan worden overbelast door een groot aantal kinderen van arbeidsmigranten, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Voor het overige is niet onderbouwd op welke wijze het woon- en leefklimaat in de omliggende kernen door de huisvesting van méér dan 225 arbeidsmigranten zal worden aangetast.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

12.5. Wat betreft de bepaling dat huisvesting van arbeidsmigranten alleen op de begane grond is toegestaan, heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij hiermee wenst te voorkomen dat een te groot aantal arbeidsmigranten op het terrein wordt gehuisvest. De Afdeling is van oordeel dat een dergelijke bepaling geen toegevoegde waarde heeft als reeds in het plan is vastgelegd hoeveel arbeidsmigranten maximaal mogen worden gehuisvest. Nu niet anderszins is onderbouwd waarom de huisvesting tot de begane grond is beperkt, is het plan in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

13. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat de in artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels gestelde eis dat sprake moet zijn van een volwaardig recreatiebedrijf indien arbeidsmigranten worden gehuisvest rechtsonzeker is. Niet duidelijk is wat hieronder moet worden verstaan. Voorts is deze planregel onredelijk en worden hiermee de gemaakte afspraken over huisvesting van arbeidsmigranten miskend. Het huisvesten van de arbeidsmigranten is de economische drager voor de transformatie van de camping naar het landgoed en hiermee kunnen eventuele toekomstige tegenslagen worden opgevangen.

Voorts is volgens HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] niet duidelijk wat met artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels wordt bedoeld. Voor zover is bedoeld dat het deel waarin de arbeidsmigranten worden gehuisvest niet zelfstandig mag worden geëxploiteerd, is dit ruimtelijk niet relevant.

13.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels geldt met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten dat er sprake is van een volwaardig recreatiebedrijf.

Ingevolge lid 4.5.4 moeten de in het plangebied genoemde deelgebieden onlosmakelijk in dit bestemmingsplan met elkaar verbonden blijven en geëxploiteerd worden.

13.2. Uit het verweerschrift en het gestelde ter zitting volgt dat de raad zich op het standpunt stelt dat deze planregels ertoe strekken te verzekeren dat op het terrein één recreatieve onderneming is gevestigd, waar de huisvesting van arbeidsmigranten een ondergeschikt deel van uitmaakt. Hiermee wordt voorkomen dat het terrein alleen voor huisvesting van arbeidsmigranten in gebruik is.

De Afdeling is van oordeel dat uit voormelde planregels niet duidelijk volgt dat de raad dit heeft beoogd. In deze planregels is niets opgenomen over de verhouding tussen de verschillende in artikel 4, lid 4.1, van de planregels toegestane activiteiten. Zonder nadere objectivering in artikel 4, lid 4.5.4, kan voorts niet worden vastgesteld wanneer de in het plangebied genoemde deelgebieden onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Voorts zijn de zogenoemde deelgebieden niet nader in de planregels aangeduid, zodat ook niet duidelijk is welke gronden dit betreft. Het plan is gelet op het voorgaande in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

14. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat ten onrechte voor het huisvesten van arbeidsmigranten een voorwaardelijke verplichting is opgenomen in artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels. Het aanbrengen van een fysieke scheiding tussen de verschillende functies is overbodig en onredelijk bezwarend. Voorts heeft dit tot gevolg dat in een periode waarin weinig arbeidsmigranten zullen worden gehuisvest, dit deel van het terrein onbenut moet blijven. Zij pleiten voor een dynamische scheiding of voor de verplichting arbeidsmigranten te huisvesten op een aaneengesloten deel van het terrein. Voorts is deze bepaling rechtsonzeker, omdat niet duidelijk is wie het bevoegd gezag is, niet duidelijk is waaraan het betreffende inrichtingsplan wordt getoetst en binnen welke termijn goedkeuring hiervoor wordt gegeven.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met een fysieke scheiding is gewaarborgd dat de verschillende functies op het terrein niet kunnen mengen, hetgeen ten koste kan gaan van de hoofdfunctie verblijfsrecreatie.

14.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels is het niet toegestaan de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" te gebruiken voor de huisvesting van arbeidsmigranten zonder dat op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd inrichtingsplan een fysieke scheiding is aangebracht tussen de huisvesting van arbeidsmigranten en de overige hoofdfuncties, recreatie en training.

14.3. De raad heeft er bij de vaststelling van het plan voor gekozen een fysieke scheiding van de in het plan mogelijk gemaakte functies zeker te stellen door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels. De raad acht het huisvesten van arbeidsmigranten alleen ruimtelijk aanvaardbaar indien dat op een gescheiden deel van het terrein plaatsvindt. Nu dit gebruik met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" in samenhang met artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels alleen op het westelijke deel van het terrein is toegestaan, is onvoldoende onderbouwd waarom de voorwaardelijke verplichting noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaarbaarheid. Voorts stellen HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] terecht dat deze regeling tot gevolg heeft dat, in het geval slechts een deel van de chalets op het afgescheiden terrein voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt gebruikt, de overige chalets niet voor verblijfsrecreatie kunnen worden gebruikt en deze regeling daarom leegstand tot gevolg kan hebben. De raad heeft dit niet onderkend.

Artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels biedt daarnaast geen duidelijkheid over de omvang, hoogte en vorm van de fysieke scheiding die ter plaatse moet worden aangelegd, nu het plan niet voorziet in concrete normen waaraan moet worden voldaan. Evenmin is duidelijk wie in dit geval het bevoegd gezag betreft. Het plan is gelet op het voorgaande in zoverre voorts in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

15. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat de maximale bouwhoogte voor gebouwen ten onrechte 5,80 m bedraagt. Een motivering voor een verlaging hiervan ten opzichte van het ontwerpplan en het verwijderen van een afwijkingsbevoegdheid voor een hogere bouwhoogte ontbreekt. Volgens hen is er nauwelijks zicht op het terrein omdat het plangebied een besloten bosachtig karakter heeft. Met een bouwhoogte van 5,80 m kan maar één bouwlaag worden gebouwd, hetgeen geen reële exploitatiemogelijkheden biedt.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de maatvoering is aangesloten bij de reeds vergunde recreatiechalets. Mede gelet op de ligging van het terrein aan de rand van het Natura 2000-gebied Leudal is deze maatvoering voldoende.

15.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,80 m.

15.3. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een hogere bouwhoogte een nadelig effect kan hebben op vogels en vleermuizen. De Afdeling is van oordeel dat de raad met deze stelling, die niet nader is onderbouwd, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de bouwhoogte, in tegenstelling tot het ontwerpplan waarin een bouwhoogte van 8 m was opgenomen met een afwijkingsbevoegdheid voor 12 m, is verlaagd naar 5,80 m. Dat de bestaande chalets een dergelijke bouwhoogte hebben, leidt niet tot het oordeel dat hogere bebouwing op andere delen van het terrein onaanvaardbaar is. Daarbij betrekt de Afdeling de niet bestreden stelling van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] dat het plangebied een besloten bosachtig karakter heeft, zodat het uitzicht van omwonenden hierdoor niet wordt belemmerd, en dat met deze bouwhoogte is uitgesloten dat twee bouwlagen kunnen worden gebouwd.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.

16. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] kunnen zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van de grenzen van het bestemmingsplan wat betreft hun perceel ten oosten van het plangebied. Hierdoor is de wijzigingsbevoegdheid die voorzag in de mogelijkheid de aan de gronden toegekende aanduiding "volkstuin" te verwijderen ten behoeve van de uitbreiding van de verblijfsrecreatieve voorziening komen te vervallen. Volgens hen bestaat vanwege de eigendomsverhouding en de functionaliteit samenhang tussen dit perceel en het plangebied.

16.1. Het perceel was in het ontwerpplan in het plangebied opgenomen. Hieraan was de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "volkstuin" toegekend. Voorts was een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan de aanduiding "volkstuin" kon worden verwijderd en het bouwvlak kon worden vergroot ten behoeve van de uitbreiding van de verblijfsrecreatieve voorziening. Nu het perceel niet meer in het plangebied is opgenomen, is het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" het ter plaatse geldende plan. In dat plan is de bestemming "Recreatie - Volkstuin" aan het perceel toegekend.

16.2. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad ingevolge amendement 9 behorend bij het raadsbesluit meent dat een dergelijke uitbreiding via een afzonderlijke procedure zou moeten worden gerealiseerd. Niet is gebleken van een zodanige samenhang tussen het plangebied en het perceel ten oosten daarvan dat een planologische regeling voor deze locatie niet in een ander bestemmingsplan kan worden opgenomen. Dat de gronden in het plangebied en het betreffende perceel allebei eigendom zijn van

HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] is daarvoor onvoldoende.

Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] faalt.

Conclusie

17. In hetgeen HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft:

a. het woord trainingsfaciliteiten in de derde zin van artikel 1,

lid 1.29, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb;

b. artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover training niet als hoofdfunctie is bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb;

c. artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover kortlopende evenementen niet zijn toegestaan, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb;

d. artikel 4, lid 4.5.2 aanhef en onder b, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb;

e. artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder e, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb;

f. artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel;

g. artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel;

h. artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb en met het rechtszekerheidsbeginsel;

i. artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de planregels in genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De beroepen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal"

Het beroep van HG Beheer B.V.

18. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal", voor zover daarbij de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend, wordt met deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat voor het perceel aan de Roggelseweg 54 te Haelen niet wordt teruggevallen op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal", zodat aan dat plan in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep van HG Beheer B.V. tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" is het beroep van HG Beheer B.V. tegen dat besluit niet-ontvankelijk.

Het beroep van de Stichting Milieufederatie Limburg

Intrekking

19. Ter zitting heeft de Stichting Milieufederatie haar beroepsgronden omtrent het toestaan van warmte-koudeopslag, biomassaverbranding en -vergisting ingetrokken.

Stikstofdepositie

20. De Stichting Milieufederatie betoogt dat het plan in strijd is met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), omdat niet kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot significant negatieve effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden door toename van de stikstofdepositie. Daartoe voert zij aan dat geen van de alternatieven die in het stuk "Passende beoordeling in het kader van de natuurbeschermingswet 1998, artikel 19j" van 23 oktober 2013 (hierna: de Passende Beoordeling) en in het PlanMER van 11 november 2013 (hierna: het PlanMER) zijn onderzocht een uitvoerbaar alternatief is in de zin van de Nbw 1998, omdat alle alternatieven leiden tot significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Daarbij is volgens haar van belang dat de raad niet van de feitelijke situatie is uitgegaan, maar van de vergunde situatie terwijl aannemelijk is dat een deel van de vergunde rechten niet wordt benut. De beperkingen die in de planregels worden gesteld bieden volgens de Stichting Milieufederatie onvoldoende zekerheid dat significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. In dat kader voert zij aan dat bij verschillende ontwikkelingen die elk een toename van de ammoniakemissie tot gevolg hebben ook in onderlinge samenhang met andere ontwikkelingen naar de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden moet worden gekeken. Daarbij verwijst de Stichting Milieufederatie naar de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2. Tevens is volgens haar het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient te worden als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Voorts betoogt zij dat de maatregelen in de vorm van compensatie door minimaal gelijkwaardige vermindering van de kwetsbaarheid van de habitat te realiseren door het treffen van inrichtings- en beheermaatregelen, geen mitigerende maatregelen zijn. Daarmee is volgens haar immers niet verzekerd dat de stikstofdepositie per saldo niet zal toenemen.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat via de regeling van strijdig gebruik is gewaarborgd dat geen significante effecten op de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Bij de beoordeling van de feitelijke situatie is volgens de raad de vergunde situatie als uitgangspunt genomen, maar omdat doorgaans minder dieren op een bedrijf aanwezig zijn dan waarvoor vergunning is verleend is daarop een correctie toegepast aan de hand van de meitellingen en de functionele leegstand. Voorts kunnen volgens de raad ook inrichtings- en beheermaatregelen als mitigerende maatregelen in de zin van artikel 19kd van de Nbw 1998 gelden.

20.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.32, van de planregels wordt onder het begrip "bestaande veestapel" verstaan: ten aanzien van het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van vee bestaand ten tijde van de peildatum bepaald bij of krachtens de Nbw 1998.

Ingevolge artikel 3, lid 3.5.6, aanhef en onder j, artikel 4, lid 4.5.5, aanhef en onder j, artikel 5, lid 5.5.4, aanhef en onder j, en artikel 6, lid 6.5.3, aanhef en onder j, van de planregels wordt tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken naast het bepaalde in artikel 49, lid 49.1, in elk geval gerekend het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 7, lid 7.5.4, aanhef en onder j, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" naast het bepaalde in artikel 48 (lees: 49) in elk geval gerekend het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 3.6.4, lid 4.6.4, lid 5.6.4, lid 6.6.4 en lid 7.6.4, aanhef en onder k, kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van de planregeling dat de gronden met de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens zijn bestemd voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij, voor het gebruik van de gronden buiten de aanduiding "intensieve veehouderij" voor intensieve veehouderij, onder de voorwaarden dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 3.6.7, lid 4.6.7, lid 5.6.7, lid 6.6.7 en lid 7.6.7 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van de hiervoor genoemde planregels in die zin dat bij een uitbreiding van de veestapel op een agrarisch bedrijf de ammoniakemissie toeneemt, mits:

a. bij gebruik van nieuwe stalruimte de beste beschikbare technieken worden toegepast om emissie van ammoniak te beperken en de toename van de ammoniakemissie wordt gecompenseerd door middel van mitigerende maatregelen, of anderszins wordt aangetoond dat de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg niet zal verslechteren en er geen significant verstorend effect zal zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Onder een mitigerende maatregel als hiervoor bedoeld wordt mede begrepen:

1. compensatie door middel van een minimaal gelijkwaardige afname van de bestaande depositie op hetzelfde kwetsbare gebied, afkomstig van één of meer andere agrarische bedrijven;

2. compensatie door middel van het realiseren van een minimaal gelijkwaardige vermindering van de kwetsbaarheid van de betreffende habitat, door het (doen) treffen van inrichting- en beheermaatregelen.

Ingevolge lid 3.7.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met uitbreiding en vormverandering van de aanduiding "intensieve veehouderij", onder meer onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 3.7.2 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met de uitbreiding en vormverandering van de aanduiding "glastuinbouw", onder meer onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 4.8.1, lid 5.8.1, lid 6.8.1 en lid 7.8.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 4.8.2, lid 5.8.2 en lid 7.8.2 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak, onder meer onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 3.7.3, lid 4.8.3, lid 5.8.3, lid 6.8.2 en lid 7.8.3 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ter plaatse van de gronden zonder de aanduiding "intensieve veehouderij" of "glastuinbouw" voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

Ingevolge lid 3.7.5, lid 4.8.5, lid 5.8.3, lid 6.8.4 en lid 7.8.5 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door het toevoegen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij", onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

20.3. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 19g.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

20.4. Binnen het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Leudal. Het plangebied ligt in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden Deurnsche Peel en Mariapeel, Grensmaas, Groote Peel, Meinweg, Roerdal, Sarsven en De Banen, Swalmdal, Weerter- en Budelerbergen en Ringselven, Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof, Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek, Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide, Abeek met aangrenzende moerasgebieden, Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg, Wälder und Heiden bei Brüggen-Bracht, Lüsekamp und Boschbeek en Elmpter Schwalmbruch. Deze gebieden zijn Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder n, van de Nbw 1998.

In het deskundigenrapport staat dat voor de dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden de huidige concentratie aan stikstof de kritische depositiewaarde overstijgt voor het gebied Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek, voor de gebieden Leudal en Swalmdal in ruime mate en voor de gebieden Sarsven en De Banen en de Groote Peel in zeer ruime mate.

In het deskundigenbericht staat verder dat in de begripsomschrijving van "bestaande veestapel" noch in andere planregels is aangegeven hoe de omvang van de bestaande veestapel wordt bepaald (bijvoorbeeld of wordt aangesloten bij eventuele verleende vergunningen, dan wel wordt gekeken hoeveel vee feitelijk aanwezig is). Het gebruik van gebouwen en overkappingen voor het houden van vee op het moment van de peildatum blijkt ook niet uit een gemeentelijke inventarisatie. In artikel 49, lid 49.1.1, van de planregels is bepaald dat bestaand legaal gebruik niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Uit deze regels over strijdig gebruik lijkt te volgen dat een legaal gerealiseerd gebruik van een gebouw of overkapping voor de uitbreiding van de bestaande veestapel in ieder geval niet strijdig is met het plan als dat gebruik niet heeft geleid tot een toename van de ammoniakemissie, de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten niet is verslechterd of er geen significant effect was op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Indien er wel sprake is geweest van bijvoorbeeld een toename van ammoniakemissie van het bedrijf (die wellicht als gevolg van saldering niet tot significante effecten heeft geleid), dan lijkt niet zonder meer uitgesloten dat dit gebruik van gebouwen en overkappingen voor een uitbreiding van de veestapel toch als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Het plan maakt echter niet duidelijk of en waar de hiervoor geschetste situaties zich voordoen in het plangebied.

20.5. Vanwege de mogelijke gevolgen van het plan voor de Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling verricht. In de Passende Beoordeling staat dat de autonome, huidige, situatie is gebaseerd op het aantal agrarische bedrijven in het buitengebied van Leudal gecorrigeerd naar de situatie conform het besluit huisvesting. Het vergunningenbestand van de gemeente vormt het uitgangspunt. De in de vergunningen of meldingen opgenomen veebezetting kan niet worden gebruikt als veebezetting die feitelijk aanwezig is op de bedrijven. Het is algemeen bekend dat er minder dieren op veehouderijbedrijven aanwezig zijn dan waar een vergunning voor is verleend of melding is gedaan. De informatie van CBS, gebaseerd op de meitellingen, geeft een actueel beeld, maar het nadeel is dat de tellingen een momentopname betreffen. Door factoren in de bedrijfsvoering en door toevallige factoren kan dit afwijken van een gemiddelde situatie. Eén van die factoren is de functionele leegstand. Dit betreft de gemiddelde onderbezetting door bedrijfsfactoren zoals afvoer van slachtrijpe dieren en tijdelijke leegstand in verband met onderhoud en reinigen.

In de door Anteagroup opgestelde notitie "Aanvullende informatie planMER en bestemmingsplan" van 5 februari 2014 (hierna: de Aanvulling op het PlanMER) is in bijlage A weergegeven hoe de huidige situatie is bepaald, waarbij in een schema per diersoort is aangegeven hoe de cijfers van het CBS zijn verwerkt.

Voorts staat in de Passende Beoordeling dat gezien de gemiddeld hoge achtergronddepositie en de vele kritische habitattypen met een lage kritische depositiewaarde in vrijwel alle Natura 2000-gebieden voor vrijwel alle Natura 2000-gebieden in de huidige situatie een overschrijding optreedt. Vervolgens wordt geconcludeerd dat in alle beschouwde Natura 2000-gebieden in het geval van realisatie van het maximale scenario volgens het bestemmingsplan sprake is van een meestal aanmerkelijke toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Gezien de hoogte van de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarden zal de maximale planbijdrage leiden tot een verdere aantasting van de kwaliteit van de actueel aanwezige habitattypen en doorvertalend ook voor de gevoelige leefgebieden. Omdat de meeste Natura 2000-gebieden grotendeels bestaan uit voor stikstof zeer gevoelige en gevoelige habitats, kan niet worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de habitattypen en leefgebieden van soorten worden aangetast en dat het bereiken van een goede staat van instandhouding wordt belemmerd door de maximale planbijdrage, aldus de Passende Beoordeling.

In het PlanMER staat dat van de acht mogelijk oplossingen slechts één oplossing aanvaardbaar is voor de raad, te weten het verbinden van voorwaarden aan bouwregels of aan planregels die activiteiten toestaan die een toename van de ammoniakemissie tot gevolg kunnen hebben. In de plantoelichting staat dat in het PlanMER is beargumenteerd dat mitigerende maatregelen met name noodzakelijk zijn om emissies vanuit de landbouw te reduceren. Deze maatregelen kunnen veelal niet op planniveau voorgeschreven worden.

20.6. Gezien de bestemmingsbepalingen en de bouwregels in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van de planregels, zoals hiervoor weergegeven, biedt het plan in beginsel mogelijkheden voor uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van veehouderijen. Toename van de bebouwing ten behoeve van veehouderijen kan, in algemene zin, leiden tot uitbreiding van de veebezetting, tot een hogere ammoniakemissie en dus ook tot een hogere depositie van ammoniak op de betrokken Natura 2000-gebieden. Het is niet uitgesloten dat een dergelijke stijging van de depositie, als deze zich zou voordoen, leidt tot gevolgen van betekenis voor de habitats en soorten waarvoor de betrokken gebieden zijn aangewezen. Een planregeling die een toename van agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk maakt is, in het licht van de artikelen 19j en volgende van de Nbw 1998 dan ook alleen aanvaardbaar als is verzekerd dat ondanks die toename geen uitbreiding van de veebezetting of toename van ammoniakemissie vanaf het bedrijfsperceel, of op een andere manier wordt verzekerd dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal optreden. De vraag zal dan ook moeten worden beantwoord of de in het plan vastgelegde regeling, en meer in het bijzonder de specifieke gebruiksverboden, de afwijkingsbevoegdheden en de wijzigingsvoorwaarden in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7, op dit punt de benodigde mate van zekerheid kunnen geven.

20.7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2, volgt dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiekader.

Uit de Passende Beoordeling en de Aanvulling op het PlanMER volgt dat de raad bij het bepalen van de huidige situatie niet slechts van het vergunningenbestand is uitgegaan, maar daarbij - anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 aan de orde was - gegevens van het CBS die volgen uit de meitellingen heeft betrokken en daarop een correctie heeft toegepast vanwege functionele leegstand. In hetgeen de Stichting Milieufederatie heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de referentiesituatie onjuist heeft vastgesteld.

20.8. Wat betreft het standpunt van de raad dat via de regeling van het strijdig gebruik ingevolge artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels is gewaarborgd dat het plan geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden zal hebben, overweegt de Afdeling als volgt.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 augustus 2014, in zaak nr. 201207794/1/R4 (www.raadvanstate.nl), die is verduidelijkt met de uitspraak van 6 mei 2015, in zaak nrs. 201307326/1/R4 en 201307331/1/R4, reeds omtrent een vergelijkbare planregeling geoordeeld. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de bouwregels en de bestemming. De bestemming kan, zoals in dit geval, nader worden ingevuld door de specifieke gebruiksregels door daarin een concrete uitleg te geven van het gebruik dat met die bestemming in overeenstemming is. Het in de planregels opgenomen gebruiksverbod dient dan ook te worden betrokken bij de toets of het aangevraagde in overeenstemming is met de bestemming.

De gebruiksverboden verbieden uitbreiding van de bestaande veestapel voor zover een dergelijke uitbreiding leidt tot een toename van ammoniakemissie, als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Met deze bewoordingen is, zo begrijpt de Afdeling, kennelijk bedoeld aan te sluiten bij de bewoordingen van artikel 19j, eerste lid. Het gevolg van de door de raad gekozen regeling is dat de beoordeling of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden, verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan optreden of zich een significant verstorend effect kan voordoen op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, plaatsvindt bij de beoordeling of wordt gehandeld in strijd met het gebruiksverbod, waarbij kan worden gedacht aan de vraag of een omgevingsvergunning verleend kan worden en de vraag of wel of niet handhavend kan of moet worden opgetreden. Omdat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is tot handhaving van de regels van een bestemmingsplan, vindt in een dergelijk geval de beoordeling of de zojuist bedoelde effecten zich zullen kunnen voordoen plaats door dat college. Uit de bewoordingen van artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, volgt echter dat de daar bedoelde beoordelingen moeten worden verricht voordat het desbetreffende plan wordt vastgesteld, en dat ze moeten worden verricht door het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit tot vaststelling te nemen; in het geval van een bestemmingsplan dus door de raad. De beoordeling of het plan enig verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, de beoordeling of het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben en de beoordeling of de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, kunnen derhalve niet pas plaatsvinden bij de toepassing van het gebruiksverbod. De zinsnede ", als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied" in de genoemde planregels kan derhalve niet in stand blijven.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

Bestaande veestapel

20.9. Wat betreft het begrip "bestaande veestapel" overweegt de Afdeling als volgt. De gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, gelden voor "uitbreiding van de bestaande veestapel". Op grond van artikel 1, lid 1.32, van de planregels moet onder "bestaande veestapel" ten aanzien van het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van vee worden verstaan: bestaand ten tijde van de peildatum bepaald bij of krachtens de Nbw 1998. Welke datum concreet wordt bedoeld - meer specifiek: of het gaat om de peildatum voor "bestaand gebruik" in artikel 1, aanhef en onder m, van de Nbw 1998 van 31 maart 2010, of bijvoorbeeld om de referentiedatum waarnaar wordt verwezen in artikel 19kd, eerste en derde lid, van die wet (in veel gevallen 7 december 2004) - wordt hiermee niet duidelijk. Evenmin wordt duidelijk hoe de omvang van de "bestaande" veestapel wordt bepaald (bijvoorbeeld of wordt aangesloten bij eventuele verleende vergunningen, dan wel wordt gekeken hoeveel vee feitelijk aanwezig is). Gelet hierop is de definitie naar het oordeel van de Afdeling in hoge mate rechtsonzeker omdat de invulling van "bestaande veestapel" bepalend is voor de strekking van de specifieke gebruiksverboden en geldt hetzelfde voor die bepalingen.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

Uitbreiding veestapel

20.10. Wat betreft de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels en de gelijkluidende afwijkingsbevoegdheden in de artikelen 4, 5, 6 en 7, overweegt de Afdeling als volgt.

Door voorwaarden te stellen aan de uitbreidingen van (intensieve) veehouderijen is getracht een toename van de stikstofdepositie ten gevolge van deze uitbreidingsmogelijkheden uit te sluiten, zodat de gevolgen daarvan volgens de raad buiten de effectbeoordeling van het plan gelaten kunnen worden.

Met deze afwijkingsbevoegdheden is, zo begrijpt de Afdeling, bedoeld te bepalen dat slechts is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijven die zonder passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 kunnen worden toegestaan. Bij een plan dat voorziet in het toestaan van gebruik van gebouwen of overkappingen voor uitbreiding van de veestapel is echter slechts geen passende beoordeling vereist indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de stikstofemissie op het bedrijf na de uitbreiding in totaliteit niet toeneemt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, in zaak nr. 201306991/1/R3).

De voorwaarden die aan de toepassing van de afwijkingsbevoegdheden worden gesteld sluiten naar het oordeel van de Afdeling niet uit dat de uitbreiding waarin de afwijkingsbevoegdheden voorzien leiden tot een toename van de ammoniakemissie van een bedrijf. Gelet op lid 3.6.7, onder a, sub 1, en de gelijkluidende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 kan de afwijkingsbevoegdheid immers ook worden toegepast in een situatie waarin na uitbreiding op bedrijfsniveau een toename van de ammoniakemissie plaatsvindt. De gevolgen van een dergelijke uitbreiding, in samenhang met de afname van de emissie van een ander bedrijf, dienen in een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 te worden beoordeeld.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

Uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van intensieve veehouderij buiten het bouwvlak en toevoeging van de aanduiding "intensieve veehouderij"

20.11. Wat betreft de wijzigingsbevoegdheden in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van de planregels en de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3, lid 3.6.4, en de gelijkluidende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals hiervoor onder 20.5 is overwogen, kunnen de maximale mogelijkheden van het plan leiden tot een toename van de stikstofdepositie en daarmee tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Door voorwaarden te stellen aan de uitbreiding van (intensieve) veehouderijen die in het plan door de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden mogelijk worden gemaakt is getracht de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de wijzigingsbevoegdheden uit te sluiten, zodat de gevolgen van de uitbreidingsmogelijkheden volgens de raad thans buiten de effectbeoordeling van het plan kunnen worden gelaten.

In de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden is de voorwaarde opgenomen dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Met deze bewoordingen is, zo begrijpt de Afdeling, kennelijk bedoeld aan te sluiten bij artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998. Het gevolg van de door de raad gekozen regeling is dat de beoordeling of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden, verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan optreden of zich een significant verstorend effect kan voordoen op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, plaatsvindt bij de vaststelling van een wijzigingsplan dan wel de verlening van een omgevingsvergunning. Uit de bewoordingen van artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw 1998 volgt echter dat de daar bedoelde beoordelingen moeten worden verricht voordat het desbetreffende plan wordt vastgesteld en dat ze moet worden verricht door het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit tot vaststelling te nemen; in het geval van een bestemmingsplan dus door de raad. De beoordeling of het plan enig verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, de beoordeling of het plan afzonderlijk dan wel in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben alsmede de beoordeling of de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, kunnen derhalve niet pas plaatsvinden bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dan wel de verlening van de omgevingsvergunning.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

20.12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het plan, wat betreft artikel 3, lid 3.5.6, onder j, lid 3.6.4, lid 3.6.7, lid 3.7.1, lid 3.7.2, lid 3.7.3 en lid 3.7.5, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, lid 4.6.4, lid 4.6.7, lid 4.8.1, lid 4.8.2, lid 4.8.3 en lid 4.8.5, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, lid 5.6.4, lid 5.6.7, lid 5.8.1, lid 5.8.2, lid 5.8.3 en lid 5.8.5, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, lid 6.6.4, lid 6.6.7, lid 6.8.1, lid 6.8.2 en lid 6.8.4, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, lid 7.6.4, lid 7.6.7, lid 7.8.1, lid 7.8.2, lid 7.8.3 en lid 7.8.5, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw 1998. Voorts is het plan, wat betreft artikel 1, lid 1.32, 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, eveneens vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

20.13. Gelet op het vorenstaande behoeft het betoog dat de maatregelen in de vorm van compensatie door minimaal gelijkwaardige vermindering van de kwetsbaarheid van de habitat te realiseren door het treffen van inrichtings- en beheermaatregelen geen mitigerende maatregelen zijn, geen bespreking meer. Tevens behoeven hierom de overige beroepsgronden omtrent de toename van de stikstofdepositie geen bespreking meer.

Teeltondersteunende voorzieningen

21. De Stichting Milieufederatie betoogt dat de gevolgen van de teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte niet in de Passende Beoordeling zijn meegenomen, terwijl niet kan worden uitgesloten dat deze significant negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden.

21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toepassen van teeltondersteunende voorzieningen geen m.e.r.-plichtige activiteit is en dat uit het planMER volgt dat deze voorzieningen alleen effect hebben op het landschap. Volgens de raad zijn de teeltondersteunende voorzieningen voldoende in de Passende Beoordeling en het planMER bezien.

21.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder s en w, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge lid 3.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het in de planregels bepaalde voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder p en r, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge lid 4.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het in de planregels bepaalde voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder p en s, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge lid 5.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het in de planregels bepaalde voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, aanhef en onder q, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 4" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

21.3. Het Natura 2000-gebied Leudal is blijkens het aanwijzingsbesluit van 23 april 2013 aangewezen voor de soort Bever en voor de habitattypen Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion (H3260A), Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion betuli (H9160A) en Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (H91E0C).

In het deskundigenbericht staat dat de aanwezigheid van teeltondersteunende voorzieningen gedurende de helft van het jaar lokaal kan leiden tot een forse afname van de inzijging van regenwater, hetgeen tot verdroging kan leiden. Voorts staat er dat de bever wateren nodig heeft die in de zomer niet opdrogen en dat de bever als leefgebied een voorkeur heeft voor eilanden en begroeide oevers met gras, kruiden en jong hout, vooral wilgen. Verschillen in onder meer stroomsnelheid en in de constantheid van de toevoer bepalen voorts de aard van de groei van de waterranonkels (habitattype H3260A). De eikenhaagbeukbossen zijn gevoelig voor verzuring van de standplaats door verdroging, hetgeen een belangrijke bedreiging voor het subtype H9160A vormt. De meeste vormen van het habitatsubtype H91E0C zijn gevoelig voor verandering in de hydrologie in de vorm van grondwaterstanddaling of afname van kwel. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het Natura 2000-gebied Leudal bijzonder gevoelig is voor verdroging.

Over het Natura 2000-gebied Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof is vermeld dat de meeste habitattypen die in het Vogelrichtlijngebied voorkomen die de vogels als leefgebied gebruiken gevoelig zijn voor veranderingen in de hydrologie in de vorm van grondwaterstanddaling of afname van kwel.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat gelet op de mogelijk forse afname van de inzijging van regenwater het op voorhand niet met zekerheid is uit te sluiten dat het plan wat betreft de mogelijke realisatie van teeltondersteunende voorzieningen significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden Leudal en Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof tot gevolg heeft.

21.4. In de Passende Beoordeling staat dat er in dit geval geen veranderingen in de (grond-)waterhuishouding zijn voorzien. Om deze reden worden geen negatieve effecten door verdroging op de Natura 2000-gebieden verwacht. Significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Voorts staat er dat geen nadere aandacht wordt besteed aan mogelijke effecten van verontreiniging en verdroging.

In de Passende Beoordeling staat voorts dat verdroging een belangrijk knelpunt is van Leudal, met name als gevolg van grondwateronttrekking door agrarische activiteiten in en buiten het Natura 2000-gebied. De regionale waterhuishouding is een belangrijke oorzaak van verdroging van omliggende Natura 2000-gebieden. Maatregelen op het niveau van het waterhuishoudkundige systeem vallen echter buiten het kader van het ruimtelijk beleid dat wordt uitgewerkt in het voorgenomen bestemmingsplan. Dit bevat geen voornemens die zullen leiden tot verandering van de waterhuishouding, met inbegrip van het grond- en oppervlaktewatersysteem, aldus de Passende Beoordeling.

21.5. Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht hieromtrent staat, kunnen teeltondersteunende voorzieningen significant verstorende effecten hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden door de gevolgen van vermindering van de inzijging van regenwater voor de hydrologie. De raad heeft het deskundigenbericht op dit punt niet weersproken. Vast staat dat in de Passende Beoordeling niet is onderkend dat teeltondersteunende voorzieningen gevolgen hebben voor de inzijging van regenwater en dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor de hydrologie van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit leidt tot de conclusie dat het plan voor zover het teeltondersteunende voorzieningen toestaat is vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

21.6. In hetgeen de Stichting Milieufederatie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft artikel 3, lid 3.1.1, onder s en onder w, en lid 3.4.8, artikel 4, lid 4.1.1, onder p en onder r, en lid 4.4.8, artikel 5, lid 5.1.1, onder p en onder s, en lid 5.4.8, en artikel 7, lid 7.1.1, onder q, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

Recreatie

22. De Stichting Milieufederatie richt zich voorts tegen de gebruiksmogelijkheden voor recreatieve doeleinden die het plan biedt door recreatieve nevenactiviteiten binnen de agrarische bestemmingen toe te staan. Zij betoogt dat ten onrechte de gevolgen van recreatieve voorzieningen alleen in relatie tot de bever zijn bezien. Het is haar onduidelijk of niet meer soorten in de Passende Beoordeling of het PlanMER betrokken hadden moeten worden. Voorts betoogt zij dat ten onrechte niet de voorwaarde in het bestemmingsplan is opgenomen dat bij evenementen verstoring van de bever uitgesloten moet zijn. Ook worden volgens haar ten onrechte geen voorwaarden gesteld of maatregelen opgelegd om negatieve gevolgen van de recreatieve mogelijkheden te voorkomen, te mitigeren of te compenseren. Tevens is volgens haar onvoldoende in het bestemmingsplan vertaald dat voor evenementen van de draagkracht van het gebied uitgegaan moet worden, zoals in de passende beoordeling staat.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de Passende Beoordeling volgt dat significant negatieve effecten vanwege de recreatieve mogelijkheden die het plan biedt op de bever niet zijn uitgesloten, maar dat per voorgenomen ontwikkeling in een later stadium de effecten getoetst kunnen worden. Voorts stelt de raad dat nieuwe recreatieve voorzieningen uitsluitend door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid toegestaan zijn en dat evenementen niet binnen bos- of natuurbestemmingen zijn toegestaan.

22.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.84, van de planregels wordt onder kortlopend evenement verstaan een evenement met een duur van maximaal zeven dagen, inclusief het opbouwen en afbreken.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder e, artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder e, artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder e, artikel 6, lid 6.1.1, aanhef en onder e, en artikel 7, lid 7.1.1, aanhef en onder e, zijn de voor onderscheidenlijk "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - 1", "Agrarisch met waarden - 2", "Agrarisch met waarden - 3" en "Agrarisch met waarden - 4" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, zijn binnen het bouwvlak tevens toegestaan:

a. een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

b. bed & breakfast in de (bedrijfs)woning ten behoeve van maximaal twee slaapplaatsen;

c. kleinschalige kampeeractiviteiten met maximaal 15 seizoenstandplaatsen op het erf.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4.6, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, kan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 ten behoeve van het inpandig verbouwen van agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van het realiseren van recreatiewoonverblijven voor verblijfsrecreatie met een daarbij behorende kleinschalige horecavoorziening, dan wel het plaatsen van trekkershutten, onder meer onder de voorwaarde dat het aantal recreatiewoonverblijven en trekkershutten samen maximaal vijf bedraagt.

Ingevolge artikel 3, lid 3.6.2, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, voor een gebruik ten behoeve van kampeeractiviteiten, onder meer onder de voorwaarde dat per agrarisch bedrijf maximaal 40 kampeermiddelen zijn toegestaan, waarbij het aantal recreatiewoonverblijven en trekkershutten worden meegerekend .

Ingevolge artikel 3, lid 3.6.6, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.1.2 onder b en 3.5.6 onder d ten behoeve van het faciliteren van een bed & breakfast, onder meer onder de voorwaarden dat de bed & breakfast ten hoogste acht slaapplaatsen zal hebben.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder c, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder i, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder h, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder d, zijn de voor ‘Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder h, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor sport- en spelgerelateerde kortlopende evenementen.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Sport - Golfbaan" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder k, zijn de voor "Sport - Manege" aangewezen gronden bestemd voor sport- en spelgerelateerde kortlopende evenementen.

Ingevolge artikel 25, lid 25.1, aanhef en onder k, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen.

22.3. Ingevolge artikel 10 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

22.4. In het PlanMER staat dat uit een globale bureaustudie naar voren is gekomen dat in het plangebied Leudal (delen van) belangrijke leefgebieden aanwezig zijn van de soorten Bever, Poelkikker en Knoflookpad. Tevens staat er dat in de directe omgeving van de gemeente Leudal belangrijke leefgebieden van de soorten Gevlekte Witsnuitlibel, Kamsalamander en Meervleermuis voorkomen. Aangezien het hier de belangrijkste leefgebieden betreft, is het dus nog wel mogelijk dat de Tabel 3-soorten ook elders in de provincie (en het buitengebied van Leudal) kunnen worden aangetroffen. Derhalve dienen, bij nadere detaillering van planontwikkelingen, alsnog alle lokale beschermde soorten binnen de invloedsfeer van het voornemen in kaart gebracht te worden, aldus het PlanMER.

In de plantoelichting staat dat binnen de percelen zich mogelijk bebouwing en groen bevindt die verblijfplaatsen vormen voor beschermde soorten. Omdat het bestemmingsplan uitsluitend een functieverandering bewerkstelligt en geen concrete bouw- of sloopwerkzaamheden worden mogelijke verblijfplaatsen niet aangetast.

22.5. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De Afdeling overweegt dat recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen eventueel in het plangebied aanwezige beschermde soorten kunnen verontrusten. Nu niet in kaart is gebracht of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn is onduidelijk of een ontheffing op grond van de Ffw voor de recreatieve voorzieningen en evenementen nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

22.6. Wat betreft de gevolgen van het plan voor de habitatsoort Bever, overweegt de Afdeling als volgt.

In de Passende Beoordeling staat dat niet zozeer de aanwezigheid van recreatieve voorzieningen en routes in het Leudal een verstoringsbron is, maar wel het gebruik ervan in de avond en nacht. Effecten kunnen worden uitgesloten indien het gebruik van wandelpaden in het Leudal wordt beperkt tot de periode tussen zonsopkomst en zonsondergang. Aangezien deze bepaling deel uitmaakt van de openstellingsvoorwaarden voor bos- en natuurgebieden in Nederland, bestaat er geen reden te veronderstellen dat verhoging van het voorzieningenniveau zal leiden tot afwijking van de gebruikelijke openstelling en gebruik van het gebied. Voorts staat er dat negatieve effecten als gevolg van evenementen waarbij gebruik wordt gemaakt van paden in het Natura 2000-gebied, op voorhand kunnen worden uitgesloten door het aantal deelnemers te beperken tot een acceptabel maximum dat past bij de draagkracht van het gebied. Dit aantal is niet op voorhand te geven en dient in afstemming met de beheerder van het Natura 2000-gebied te worden vastgesteld. Deze afstemming dient plaats te vinden als onderdeel van de gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid. Van verstoring van de bever in het Natura 2000-gebied is geen sprake indien het evenement nadrukkelijk en uitsluitend overdag plaatsvindt, buiten de actieve periode van de bever (avond- en nachtactieve soort). Dit geldt voor het gehele evenement, dus inclusief de voorbereiding en afronding.

In de plantoelichting staat dat via een nadere toetsing van de recreatieve mogelijkheden en van de evenementen in relatie tot het leefgebied van de bever (en voor de habitattypen), eventueel in combinatie met mitigerende maatregelen, in kaart kan worden gebracht of significant negatieve effecten op met name de Bever verwacht kunnen worden.

Het plan staat bij recht recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen toe, zodat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan verzekerd dient te zijn dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Leudal niet zullen worden aangetast. Uit het voorgaande blijkt echter dat niet uitgesloten is dat het toestaan van nieuwe recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen significant negatieve effecten zal hebben op de habitatsoort Bever. Gelet hierop is het plan, voor zover het nieuwe recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen toestaat, vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt.

22.7. In hetgeen de Stichting Milieufederatie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat artikel 3, lid 3.1.1, onder e, lid 3.1.2, lid 3.4.6, lid 3.6.2, lid 3.6.6, artikel 4, lid 4.1.1, onder e, lid 4.1.2, lid 4.4.6, lid 4.6.2, lid 4.6.6, artikel 5, lid 5.1.1, onder e, lid 5.1.2, lid 5.4.6, lid 5.6.2, lid 5.6.6, artikel 6, lid 6.1.1, onder e, lid 6.1.2, lid 6.4.6, lid 6.6.2, lid 6.6.6, artikel 7, lid 7.1.1, onder e, lid 7.1.2, lid 7.4.6, lid 7.6.2, lid 7.6.6, artikel 8, lid 8.1, onder c, artikel 12, lid 12.1, onder i, artikel 13, lid 13.1, onder h, artikel 14, lid 14.1, onder d, artikel 18, lid 18.1, onder d, artikel 20, lid 20.1, onder d, artikel 22, lid 22.1, onder h, artikel 23, lid 23.1, onder d, artikel 24, lid 24.1, onder k, artikel 25, lid 25.1, onder k, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met artikel 19j van de Nbw 1998.

22.8. Gelet op het in 22.4 en 22.6 overwogene behoeven de overige beroepsgronden van de Stichting Milieufederatie omtrent de gevolgen voor beschermde diersoorten van het toestaan van recreatieve voorzieningen binnen de agrarische bestemmingen, het toestaan van evenementen en de cumulatieve effecten geen bespreking meer.

Helihaven [appellant sub 21]

23. De Stichting Milieufederatie betoogt dat de gevolgen van de helihaven op het perceel [appellante sub 24] te Heythuysen ten onrechte niet in de beoordeling van de maximale mogelijkheden van het plan in de Passende Beoordeling is betrokken. Dit had volgens haar wel gemoeten, omdat de grens van het Natura 2000-gebied Leudal dichter bij het perceel is komen te liggen.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de helihaven een aparte procedure is doorlopen en dat het besluit dat de helihaven mogelijk maakt inmiddels onherroepelijk is. Dit besluit kan volgens de raad niet meer ter discussie worden gesteld.

23.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder t, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" uitsluitend bestemd voor een platform voor het opstijgen en landen van hefschroefvliegtuigen, met dien verstande dat maximaal 350 vluchten per jaar, 15 vluchten per week en drie vluchten per dag uitgevoerd mogen worden.

23.3. Niet is gebleken dat hetgeen het plan mogelijk maakt voor de helihaven niet overeenkomt met het feitelijk gebruik van de helihaven. De Afdeling overweegt dat derhalve niet is gebleken dat het plan voor de helihaven voorziet in een ontwikkeling ten opzichte van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Het plan kan wat betreft de helihaven dan ook niet leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied Leudal of een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zodat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat de helihaven niet in de Passende Beoordeling hoefde te worden betrokken. Dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied Leudal bij de definitieve aanwijzing van het gebied is gewijzigd en dichter bij de helihaven is komen te liggen maakt het voorgaande niet anders, nu dit niet maakt dat het plan op dit punt in een ontwikkeling voorziet.

Het betoog van de Stichting Milieufederatie faalt.

Conclusie

24. Het beroep van de Stichting Milieufederatie is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 24]

25. Het beroep van [appellante sub 24] richt zich tegen de planregeling voor haar perceel aan de [appellante sub 24] te Heythuysen.

Het groothandelsbedrijf

26. [appellante sub 24] betoogt dat de gebruiksmogelijkheden van haar gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" ten onrechte zijn beperkt ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Zij wijst erop dat ingevolge dat plan ook andere bedrijven van milieucategorie 3.2 waren toegestaan, terwijl in het nu voorliggende plan uitsluitend een groothandel in machines is toegestaan.

26.1. De raad stelt zich thans op het standpunt dat op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" ten onrechte een groothandel in machines is toegestaan, omdat [appellante sub 24] ter plaatse detailhandel uitoefent. Volgens de raad is daarvoor bepalend dat de producten die [appellante sub 24] verkoopt niet voor doorverkoop bestemd zijn. Ook was ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het voorheen geldende bestemmingsplan geen sprake van een groothandel in machines, zodat ingevolge dat plan uitsluitend een technisch detailhandelsbedrijf was toegestaan, aldus de raad.

26.2. Ingevolge artikel 1, lid 51, van de planregels moet onder detailhandel worden verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, zulks met uitzondering van horecabedrijven.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder r, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" bestemd voor een groothandel in machines.

26.3. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999". Aan de gronden waaraan in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" is toegekend was in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijven (B)" met de aanduiding "td" toegekend.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder 1, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan waren de op de plankaart als "Bedrijven (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de categorie 1 en 2 van de bij dat plan behorende Staat van Inrichtingen.

Ingevolge het tweede lid, onder 1, waren bedrijven toelaatbaar die niet onder de doeleindenomschrijving in het eerste lid vielen, maar die ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van dat plan ter plaatse gevestigd waren. Bij bedrijfsbeëindiging mocht eenzelfde soort bedrijf, dan wel een bedrijf in dezelfde categorie worden gevestigd als het beëindigde bedrijf. Indien een bedrijf in een lagere categorie werd gevestigd, mocht daarna nog slechts een bedrijf in die lagere categorie of daaraan gelijkwaardig worden gevestigd of een bedrijf in een nog lagere categorie, totdat uiteindelijk aan het gestelde in het eerste lid werd voldaan.

Ingevolge het tweede lid, onder 2, mocht ter plaatse van de aanduiding "td" uitsluitend een technisch detailhandelsbedrijf worden gevestigd.

26.4. In het deskundigenbericht staat dat de eigenaar van [appellante sub 24], [eigenaar], in 1981 ter plaatse is gestart met een handel in machines, technische benodigdheden en gereedschap. Volgens [appellante sub 24] levert zij onder meer gereedschap, handgereedschap, hout- en metaalbewerkingsmachines, machineonderdelen, persluchtgereedschap, ladders, steigers, bedrijfs- en veiligheidskleding en veiligheidsartikelen. Het productaanbod zit in een hoog prijssegment en wordt volgens [appellante sub 24] hoofdzakelijk aan professionals in de bouw geleverd. Verkoop aan particulieren vormt volgens [appellante sub 24] minder dan 5% van de omzet, aldus het deskundigenbericht. Voorts staat er dat de activiteiten van [appellante sub 24] niet aansluiten op de omschrijving van detailhandel in het bestemmingsplan, omdat [appellante sub 24] aan bouwbedrijven levert die de producten aanwenden voor de bedrijfsactiviteiten.

26.5. De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of [appellante sub 24] detailhandel uitoefent in de zin van het plan of een groothandel. Zoals in het deskundigenbericht staat en niet door de raad is weersproken, verkoopt [appellante sub 24] de overgrote meerderheid van haar producten aan professionals in de bouw. Deze activiteiten komen niet overeen met de definitie van detailhandel die het plan hanteert. In die definitie is het criterium voor detailhandel immers het verkopen en leveren van goederen aan personen die deze goederen niet gebruiken, verbruiken of aanwenden in het kader van de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. [appellante sub 24] oefent derhalve geen detailhandel uit in de zin van het plan. Dit leidt tot de conclusie dat [appellante sub 24] een groothandel uitoefent. De toegekende bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" is derhalve passend te achten.

26.6. De Afdeling overweegt voorts dat ingevolge artikel 15, tweede lid, onder 2, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "td" uitsluitend een technisch detailhandelsbedrijf was toegestaan. Het betoog van [appellante sub 24] dat met het voorheen geldende bestemmingsplan ook andere bedrijven van milieucategorie 3.2 waren toegestaan, mist derhalve feitelijke grondslag. Voor zover [appellante sub 24] betoogt dat de raad desondanks ook andere bedrijven van milieucategorie 3.2 had moeten toestaan, overweegt de Afdeling als volgt. De raad hanteert als uitgangspunt dat niet-agrarische bedrijven qua uitstraling en overlast niet passend worden geacht in het buitengebied en dat dergelijke bedrijven beter passen op een bedrijventerrein. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van andere bedrijven van milieucategorie 3.2 dan de groothandel van [appellante sub 24] in strijd is met dit door hem gehanteerde uitgangspunt. [appellante sub 24] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen.

Het betoog van [appellante sub 24] faalt.

De uitbreidingsmogelijkheden

27. [appellante sub 24] betoogt dat het plan te weinig uitbreidingsmogelijkheden voor haar bedrijf mogelijk maakt. Zij wenst haar bedrijfsbebouwing met 30% te kunnen uitbreiden en meent dat dit, gelet op de voorheen bestaande uitbreidingsmogelijkheden tot 20%, ook realistisch is. In ieder geval dient de raad de uitbreidingsmogelijkheden tot 15%, die voorheen bij recht mogelijk waren, ook daadwerkelijk toe te kennen. Dat is volgens haar niet gebeurd, omdat het bouwvlak nog steeds strak om de bestaande bebouwing is gelegd.

27.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat aan de gronden met de bestemming "Bedrijf" tot 15% uitbreidingsmogelijkheden moeten worden toegekend, zoals onder het voorheen geldende plan bij recht was toegestaan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 24] slaagt.

27.2. Wat betreft het betoog dat de raad uitbreidingsmogelijkheden tot 30% had moeten opnemen, overweegt de Afdeling als volgt.

In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. [appellante sub 24] heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij plannen heeft om haar bedrijfsbebouwing met meer dan 15% en tot 30% uit te breiden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijfsbebouwing tot 30% toegekend hoeven te worden.

Het betoog van [appellante sub 24] faalt.

De bouwhoogte

28. [appellante sub 24] betoogt dat de bouwhoogte voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" ten onrechte is beperkt tot 9 m, omdat de bouwhoogte in het voorheen geldende bestemmingsplan 10 m was en via een vrijstelling ook 12 m kon zijn.

28.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder e, van de planregels mag de bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte.

28.2. In het deskundigenbericht staat dat de bestaande bouwhoogte van het gebouw waarin de showroom van [appellante sub 24] is gevestigd ongeveer 5,5 m hoog is en dat de bouwhoogte van de werkplaats en helikopterstalling ongeveer 6 m hoog is. Tevens is vermeld dat [appellante sub 24] geen concrete plannen heeft om een gebouw te realiseren met een hogere bouwhoogte.

28.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft de bestaande bouwhoogte als zodanig bestemd. Hij heeft daarbij in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan zijn uitgangspunt dat bedrijven alleen kunnen uitbreiden op bedrijventerreinen dan aan het belang van [appellante sub 24] om de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan te behouden. Hij heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat [appellante sub 24] de eerdere bouwmogelijkheden niet heeft benut. Daarbij komt dat [appellante sub 24] ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen had voor hogere bebouwing.

Het betoog van [appellante sub 24] faalt.

De gronden voor de helihaven en helikopterstalling en met de bestemming "Agrarisch"

29. Volgens [appellante sub 24] is de helihaven ten onrechte niet geheel als zodanig bestemd. Zij wijst erop dat de helihaven conform de vergunning en het bestaande gebruik zou moeten worden bestemd. Voorts betoogt zij dat aan haar perceel ten onrechte deels de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Deze gronden worden niet agrarisch gebruikt en hadden in het voorheen geldende bestemmingsplan deels een bedrijfsbestemming. [appellante sub 24] wenst een bedrijfsbestemming voor deze gronden met de aanduiding "helihaven".

29.1. Aan de gronden met de bestemming "Bedrijf" in de vorm van een omgekeerde Z en een daar tegenaan liggend vierkant is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" toegekend. Aan de gronden ten oosten van het gebouw voor de showroom van [appellante sub 24] en ten westen van de start- en landingsplaats voor de helihaven is de bestemming "Agrarisch" toegekend met een bouwvlak en de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 50%". Op dit deel van het perceel is ook een kalkoenhouderij aanwezig. Aan de gronden ten oosten van de start- en landingsplaats voor de helihaven is de bestemming "Agrarisch" toegekend met een bouwvlak en de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 20%".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering;

b. agrarisch grondgebruik;

c. de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten met uitzondering van stalruimte;

d. de uitoefening van extensieve veehouderij ten aanzien van kraamstallen;

e. kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel;

f. extensief recreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder t, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" uitsluitend bestemd voor een platform voor het opstijgen en landen van hefschroefvliegtuigen, met dien verstande dat maximaal 350 vluchten per jaar, 15 vluchten per week en drie vluchten per dag uitgevoerd mogen worden.

29.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999" was aan de gronden ten oosten van het gebouw voor de showroom van [appellante sub 24] en ten westen van de start- en landingsplaats voor de helihaven grotendeels de bestemming "Agrarisch hulp- en/of verwant bedrijf" toegekend, met een bouwvlak en de aanduiding "50%". Aan de meest oostelijk gelegen strook van deze gronden was de bestemming "Bedrijven (B)" toegekend, met de aanduidingen "am" en "20%" toegekend. Aan de gronden ten oosten van de start- en landingsplaats voor de helihaven was de bestemming "Bedrijven (B)" toegekend, met de aanduidingen "am" en "20%" toegekend.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan waren de voor "Agrarisch hulp- en/of verwant bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die in het landelijk gebied een functie vervullen voor lokaal aanwezige agrarische bedrijven en waarvan de vestiging in de nabijheid van agrarische bedrijven noodzakelijk is gebleken.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, onder 2, mocht ter plaatse van de aanduiding "am" uitsluitend een bedrijf ten behoeve van ambachtelijke bedrijven worden gevestigd.

29.3. In het deskundigenbericht staat dat het plan wat het vierkante vlak voor de start- en landingsplaats betreft niet aansluit op de bestaande situatie, omdat het vierkant in het plan ongeveer 30 graden gekanteld is. Ook komt het pad naar de start- en landingsplaats niet overeen met het feitelijke gebruik van de gronden voor het hoveren. Dat heeft op de verbeelding de vorm van een omgekeerde Z, terwijl het hoveren ongeveer een meter in de lucht gebeurt in een rechte lijn van de start- en landingsplaats richting de zuidelijk daarvan gelegen rails waarover een plateau voor de helikopter kan rijden. Volgens het deskundigenbericht wordt de verharding in de vorm van een omgekeerde Z niet voor aan de helihaven gerelateerde activiteiten gebruikt, behalve als obstakelvrije zone. Omtrent de gronden met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel van [appellante sub 24], te weten ten oosten van de bedrijfsbebouwing, staat in het deskundigenbericht dat deze niet agrarisch worden gebruikt en dat dit ook niet wordt nagestreefd.

29.4. Ter zitting heeft [appellante sub 24] toegelicht dat het vierkante vlak voor de start- en landingsbaan inmiddels zo gekanteld is dat het overeenkomt met de ligging van het vierkante plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven".

29.5. Omtrent de bedrijfsbestemming voor het pad in de vorm van een omgekeerde Z heeft de raad ter zitting erkend dat dit niet het hoverpad is, zodat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" ten onrechte aan deze gronden is toegekend. Wat betreft het betoog van [appellante sub 24] dat de helikopterstalling in het meest oostelijke deel van het meest oostelijk gelegen bouwvlak binnen de bestemming "Bedrijf" ten onrechte niet als zodanig is bestemd, heeft de raad te kennen gegeven dat de helikopterstalling ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 24] slaagt.

29.6. Niet in geschil is dat de gronden ten oosten van de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 24] thans niet agrarisch worden gebruikt en dat zij daar evenmin voornemens toe is. Niet is gebleken waarom een agrarische bestemming voor deze gronden in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, te meer nu niet is gebleken dat deze gronden eerder wel agrarisch in gebruik waren. De enkele omstandigheid dat de gronden thans grotendeels zijn begroeid met gras is daarvoor onvoldoende. Van belang is voorts dat [appellante sub 24] heeft toegelicht dat de thans toegekende bestemmingsregeling niet toestaat dat over deze gronden wordt gehoverd, hetgeen afhankelijk van de weersomstandigheden nodig kan zijn. Ook is van belang dat de toegekende bestemmingsregeling strijdig kan zijn met de veiligheidseisen die aan een helihaven worden gesteld wat de obstakelvrije zone betreft. Niet is gebleken dat de raad deze omstandigheden bij het toekennen van de onderhavige planregeling heeft betrokken. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het toekennen van de bestemming "Agrarisch" aan deze gronden niet met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden.

Het betoog van [appellante sub 24] slaagt.

Overige

29.7. Voor zover [appellante sub 24] zich in het beroepschrift voor het overige heeft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 24] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

30. In hetgeen [appellante sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de bouwvlakken ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" voor het perceel [appellante sub 24], voor zover daaraan niet 15% uitbreidingsruimte is geboden, wat betreft het plandeel in de vorm van een omgekeerde Z met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" voor het perceel [appellante sub 24], wat betreft het meest oostelijk gelegen bouwvlak ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" voor het perceel [appellante sub 24], voor zover ter plaatse geen helikopterstalling mogelijk is, en wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel van [appellante sub 24], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 24] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 2]

31. Het beroep van [appellante sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1", voor zover het betreft de gronden waarop de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3] ligt. [appellante sub 2] betoogt dat de toegangsweg ten onrechte niet als zodanig is bestemd, nu aan de toegangsweg geen aanduiding "bouwvlak" is toegekend. De verbeelding stemt in zoverre volgens [appellante sub 2] niet overeen met het vaststellingsbesluit, omdat de raad in de Nota van zienswijzen heeft erkend dat aan de toegangsweg ten onrechte geen aanduiding "bouwvlak" is toegekend.

31.1. Aan de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend zonder de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder ad, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden bestemd voor parkeervoorzieningen, toegangswegen, inritten en overige terreinverhardingen binnen het bouwvlak.

31.2. De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat het gedeelte van de toegangsweg op het kadastrale perceel gemeente Heythuysen, sectie K, nr. 327, dat overwegend ten zuiden van de bedrijfslocatie ligt, ten onrechte niet in het bouwvlak met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" is opgenomen. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 2] slaagt.

Conclusie

31.3. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I, is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 5]

Intensieve veehouderij

32. Ter zitting heeft [appellante sub 5] desgevraagd toegelicht dat haar beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" wat betreft de gronden ter plaatse van een stal op het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie 4], voor zover aan die stal niet tevens de functieaanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend. [appellante sub 5] stelt deze stal hierdoor niet te kunnen gebruiken als pluimveestal. Onder verwijzing naar onder meer een brief van 7 juli 2012 van haar aan het college van burgemeester en wethouders stelt [appellante sub 5] dat zij hierover reeds sinds 2012 overleg voert met het gemeentebestuur. Voorts stelt zij dat zij voor de vaststelling van het plan een principeverzoek heeft ingediend waarin zij haar wens omtrent het gebruik van de stal als pluimveestal formeel kenbaar heeft gemaakt bij het gemeentebestuur. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 30 april 2014 in zaak nr. 201304143/1/R1 en 10 juli 2013 in zaak nr. 201110578/1/R3 betoogt [appellante sub 5] dat de raad haar concrete plannen - die zij naar gesteld tijdig heeft aangeleverd en ten behoeve waarvan een milieueffectrapport is opgesteld - had moeten betrekken bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voorts stelt zij onder verwijzing naar het principeverzoek dat de ingebruikname van de derde stal als pluimveestal zal leiden tot een reductie van emissies.

32.1. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het noordelijke deel van het perceel [locatie 4] een varkenshouderij met stalruimte voor ongeveer 1.000 fokzeugen wordt geëxploiteerd. Op het zuidelijke gedeelte van het perceel wordt een pluimveebedrijf geëxploiteerd met drie geschakelde stallen waarvan de twee meest zuidelijk gelegen stallen als pluimveestal in gebruik zijn. In de twee zuidelijke stallen worden ongeveer 330.000 legkippen gehouden. De derde stal is volgens het deskundigenbericht eveneens ingericht als pluimveestal, maar niet als zodanig in gebruik.

32.2. Aan het perceel [locatie 4] is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend met gedeeltelijk de functieaanduiding "intensieve veehouderij". De functieaanduiding "intensieve veehouderij" is aan de varkensstallen en de twee meest zuidelijk gelegen pluimveestallen toegekend. De derde nog niet als zodanig in gebruik zijnde pluimveestal is buiten het functieaanduidingsvlak "intensieve veehouderij" gelaten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering;

b. agrarisch grondgebruik;

c. de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten met uitzondering van stalruimte;

[…]

j. ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij;

[…]

32.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat voor de verschillende stallen bouwvergunningen zijn verleend. Voor twee van de drie zuidelijke (pluimvee)stallen zijn tevens de benodigde milieuvergunningen verleend.

32.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend.

32.5. Vaststaat dat [appellante sub 5] haar wens om de betreffende stal in gebruik te nemen als pluimveestal onder meer in een brief van 7 juli 2012 kenbaar heeft gemaakt bij het gemeentebestuur. De raad erkent bovendien dat in het verleden verschillende gesprekken zijn gevoerd met [appellante sub 5] omtrent de gebruiksmogelijkheden van haar perceel [locatie 4]. Gelet op het voorgaande was het initiatief van [appellante sub 5] naar het oordeel van de Afdeling voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt bij het gemeentebestuur. De raad heeft evenwel aangevoerd dat hij ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet over voldoende gegevens beschikte om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen. De verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens lag volgens de raad bij [appellante sub 5], aangezien dit initiatief louter op haar verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen en de raad het niet toekennen van de functieaanduiding "intensieve veehouderij" aan de betreffende stal in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening.

32.6. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 april 2014, zaak nr. 201303772/1/R2 is het standpunt van de raad omtrent de verantwoordelijkheid van de vergaring van de vereiste gegevens in het onderhavige geval op zich zelf juist, zij het dat de raad in een dergelijke situatie tijdig dient aan te geven welke gegevens nog nodig zijn voor de beoordeling van het initiatief waarover het gemeentebestuur zelf niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit in de gespreken met [appellante sub 5] is aangegeven, hetgeen [appellante sub 5] ter zitting heeft betwist. Uit de stukken is verder niet gebleken dat het gemeentebestuur na het vernemen van het initiatief aan [appellante sub 5] heeft meegedeeld dat de overgelegde stukken incompleet of onduidelijk zijn, dat nog aanvullende stukken nodig zijn of dat op bepaalde aspecten nog nader onderzoek is vereist en wanneer die stukken moesten zijn aangeleverd. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 5] slaagt.

Luchtbakken

33. [appellante sub 5] betoogt dat het plan, voor zover dat ziet op de bouwhoogte van luchtbakken, niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit. Hiertoe voert zij aan dat niet is voorzien in een bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken aanvaardbaar te vinden. Indien de raad de maximale bouwhoogte van 6 m, die volgens [appellante sub 5] ingevolge artikel 4.2.4, aanhef en onder k, sub 10, van de planregels thans geldt voor luchtbakken, toch wenst te handhaven, dan betoogt [appellante sub 5] dat geen ruimtelijke motivering bestaat voor het door de raad gemaakte onderscheid tussen luchtbakken en luchtwassers waarvoor ingevolge artikel 4.2.4, aanhef en onder 7, van de planregels een bouwhoogte geldt van maximaal 7,2 m. [appellante sub 5] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat deze beroepsgrond alleen ziet op haar eigen gronden.

33.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.35, van de planregels wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, met uitzondering van overkappingen.

Ingevolge lid 1.44 wordt onder bouwwerk verstaan: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

Ingevolge lid 1.60 wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder g en h, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer dan 12 m.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.4, aanhef en onder k, geldt voor het bouwen van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, dat overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte mogen hebben van:

1. […]

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

[…]

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

33.2. In het deskundigenbericht staat dat luchtbakken voorzieningen betreffen die bij de uitmonding van de stalventilatie tegen een wand van een stal liggen om de uitkomende luchtstroom naar boven te leiden. Deze luchtbakken bestaan blijkens het deskundigenbericht uit drie dichte wanden en beschikken niet over een (afgesloten) dak of kapconstructie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een luchtbak ook in een stalgebouw kan zijn gesitueerd. Luchtbakken die in een stal zijn gesitueerd zijn volgens de raad onderdeel van het (hoofd)stalgebouw, zodat daarvoor ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder g en h, van de planregels een maximale goothoogte geldt van 7,2 m. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onjuist voor.

De Afdeling acht echter niet op voorhand uitgesloten dat zich een situatie kan voordoen waarbij een luchtbak weliswaar tegen een buitenwand van een stalgebouw is aangebouwd, maar in bouwkundig opzicht niet kan worden aangemerkt als onderdeel van het (hoofd)stalgebouw. Nu luchtbakken niet beschikken over een (afgesloten) dak of kapconstructie, kunnen luchtbakken niet worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, lid 1.35 van de planregels. Gelet op het voorgaande is niet op voorhand uitgesloten dat een luchtbak in sommige gevallen zal moeten worden aangemerkt als een overige bouwwerk als bedoeld in artikel 4, lid 4.2.4, van de planregels waarvoor ingevolge lid 4.2.4, onder k, onder 10, van de planregels een maximale bouwhoogte van 6 m geldt. De raad heeft echter in de Nota van zienswijzen te kennen gegeven dat hij een bouwhoogte voor luchtbakken van 7,2 m aanvaardbaar acht.

33.3. De raad erkent dat hij bij de beantwoording van de zienswijzen van [appellante sub 5] heeft miskend dat de bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken die niet als onderdeel van een stalgebouw kunnen worden aangemerkt, niet juist in de planregels is vastgelegd en dat hij in zoverre niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 5] slaagt in zoverre. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellante sub 5] ten aanzien van het in de planregels gemaakte onderscheid tussen luchtbakken en luchtwassers geen bespreking meer.

33.4. Het betoog van [appellante sub 5] dat ten onrechte niet is voorzien in een grotere maximale bouwhoogte voor luchtbakken dan 7,2 m, volgt de Afdeling niet. De Afdeling acht een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken die niet in een bedrijfsgebouw zijn gesitueerd, gelet op de ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder e, van de planregels maximaal toegestane goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet onredelijk. Daarnaast heeft [appellante sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat zij met een maximale bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken onevenredig wordt belemmerd in haar bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het betoog van [appellante sub 5] faalt in zoverre.

Overig

34. [appellante sub 5] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 5] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

35. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel [locatie 4], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover aan de derde niet als zodanig in gebruik zijnde pluimveestal op het perceel [locatie 4] niet de functieaanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend en voor zover binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 4] niet is voorzien in luchtbakken met een bouwhoogte van maximaal 7,2 m. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellante sub 5] geen bespreking meer.

Het beroep van [appellante sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 27]

36. [appellante sub 27] betoogt dat in de planregels behorende bij de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ten onrechte geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de realisatie van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, zoals regenkappen en afdekfolie. Zij voert hierbij allereerst aan dat ten zuiden van de Loorderstraat geen sprake meer is van een feitelijk aanwezig beekdal en dat ook in het POL 2006 haar gronden tussen de Loorderstraat en de Napoleonsweg niet als beekdal zijn aangeduid, zodat voor deze gronden geen beperking had moeten worden opgenomen. Verder voert zij aan dat voor hagelnetten wel een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, terwijl geen relevant verschil in uitstraling bestaat tussen deze voorziening en andere teeltondersteunende voorzieningen zoals regenkappen. Ten slotte voert [appellante sub 27 aan dat het kunnen afdekken van fruit noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering.

36.1. Blijkens de verbeelding is aan een groot deel van de gronden tussen de Loorderstraat en de Napoleonsweg ter hoogte van het perceel [locatie 5] de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, onder q, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" bestemd voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge lid 7.2.4, onder a, mogen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" buiten het bouwvlak uitsluitend erf- en terreinafscheidingen, uitsluitend in de vorm van transparante (draad)omheiningen en/of (draad)erfafscheidingen, met een maximale bouwhoogte van 2 m worden gebouwd.

Ingevolge lid 7.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: het bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.4, onder a en c, voor het realiseren van hagelnetten en containervelden buiten het bouwvlak, onder de voorwaarden dat [..].

36.2. In paragraaf 5.3.2.1 van de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ter plaatse van de beekdalen is opgenomen. Ter bescherming van de beekdalen geldt hier een meer beperkende regeling dan in de bestemming "Agrarisch". Teeltondersteunende voorzieningen zijn bijvoorbeeld niet toegestaan. Daarnaast dient de natuurlijke waterhuishouding en de landschappelijke structuur te worden behouden en waar mogelijk te worden versterkt.

36.3. In het deskundigenbericht staat dat de Haelensche Beek nabij het bedrijf van [appellante sub 27] een natuurlijk karakter heeft. De beek ligt lager en de gronden lopen vanaf de Loorderstraat in noordelijke richting af naar de beek. Slechts een klein deel van de gronden van [appellante sub 27] ligt in dit overgangsgebied en zou tot het beekdal kunnen worden gerekend. Het merendeel van de gronden van [appellante sub 27] ligt volgens het deskundigenbericht in het gebied tussen de Loorderstraat en de Napoleonsweg. Deze gronden kunnen niet beschouwd worden als deel uitmakend van het beekdal.

Verder staat in het deskundigenbericht dat het standpunt van [appellante sub 27] dat geen relevant verschil bestaat tussen hagelnetten en regenkappen kan worden onderschreven als het gaat om transparante regenkappen. In de bestaande situatie is reeds sprake van een dichte aanplant met constructies van palen en draden om de bomen bij harde wind overeind te houden. De toevoeging van regenkappen zal volgens het deskundigenbericht het beeld in beperkte mate veranderen. Daarbij is voorts van belang dat de regenkappen slechts in de periode mei-augustus zullen worden uitgerold. Verder is er vanwege van de aanwezigheid van de fruitbomen ter plaatse geen sprake van openheid van het gebied.

36.4. De raad heeft toegelicht dat het niet is toegestaan om in de beekdalen in het plangebied, met name in verband met de beoogde openheid, door middel van een afwijkingsbevoegdheid tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. Uit de plantoelichting en de Nota van zienswijzen volgt dat de raad er bij de vaststelling van het plan van uit is gegaan dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" uitsluitend ter plaatse van de aanwezige beekdalen is toegekend. Vast staat dat voor gronden met deze bestemming in artikel 7 van de planregels geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren.

Ter zitting heeft de raad erkend dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" echter meer gronden omvat dan alleen beekdalen. Zo zijn volgens de raad onder meer de gronden van [appellante sub 27] tussen de Loorderstraat en de Napoleonsweg niet in een beekdal gelegen. De raad heeft erkend dat ook voor deze gronden voorzien had moeten worden in de mogelijkheid om door middel van een afwijkingsbevoegdheid tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Voorts heeft de raad zijn stelling dat er verschil in ruimtelijke uitstraling bestaat tussen hagelnetten en regenkappen ter zitting niet nader onderbouwd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor het realiseren van hagelnetten op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" in artikel 7, lid 7.4.8, van de planregels wel een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen en voor het realiseren van regenkappen niet.

Het betoog van [appellante sub 27] slaagt.

Conclusie

36.5. In hetgeen [appellante sub 27] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor de gronden van [appellante sub 27] gelegen tussen de Loorderstraat en de Napoleonsweg, is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 27] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 6]

Intrekking

37. Ter zitting heeft [appellant sub 6] de beroepsgrond met betrekking tot de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" aan het perceel [locatie 6] ingetrokken.

Bouwvlak

38. Het beroep van [appellant sub 6] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 6].

[appellant sub 6] betoogt onder meer dat het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel [locatie 6] op de verbeelding niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit. Hiertoe voert zij aan dat de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven dat het bouwvlak op het perceel [locatie 6] in overeenstemming zou worden gebracht met het bouwvlak uit het wijzigingsplan "[locatie 6], gemeente Leudal" en dat het verdedigbaar was dat het bouwvlak tot aan de straat zou worden doorgetrokken. Dit is volgens [appellant sub 6] echter niet goed verwerkt op de verbeelding.

38.1. Aan het perceel Stappersstraat 4 is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Aan het bouwvlak zijn tevens de aanduidingen "karakteristiek" en "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering;

b. agrarisch grondgebruik;

c. de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten met uitzondering van stalruimte;

[…]

h. ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij;

[…]

38.2. De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak alsnog overeenkomstig het wijzigingsplan wordt aangepast en dat het verdedigbaar is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 6] tot aan de straat wordt doorgetrokken. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit, hetgeen de raad ook heeft erkend. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellant sub 6] slaagt.

Karakteristiek

39. [appellant sub 6] betoogt voorts dat bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte de aanduiding "karakteristiek" is toegekend aan zijn perceel [locatie 6].

39.1. De raad erkent dat bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan abusievelijk de aanduiding "karakteristiek" is toegekend aan het perceel [locatie 6]. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 6] slaagt.

Luchtbakken

40. [appellant sub 6] betoogt dat het plan, voor zover dat ziet op de bouwhoogte van luchtbakken, niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit. Hiertoe voert zij aan dat niet is voorzien in een bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken aanvaardbaar te vinden. [appellant sub 6] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat deze beroepsgrond alleen ziet op haar eigen gronden.

40.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g en h, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer dan 12 m.

Ingevolge lid 3.2.4, aanhef en onder i, geldt voor het bouwen van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, dat overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte mogen hebben van:

1. […]

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

[…]

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

40.2. In het deskundigenbericht staat dat luchtbakken voorzieningen betreffen die bij de uitmonding van de stalventilatie tegen een wand van een stal liggen om de uitkomende luchtstroom naar boven te leiden. Deze luchtbakken bestaan blijkens het deskundigenbericht uit drie dichte wanden en beschikken niet over een (afgesloten) dak of kapconstructie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een luchtbak ook in een stalgebouw kan zijn gesitueerd. Luchtbakken die in een stal zijn gesitueerd zijn volgens de raad onderdeel van het (hoofd)stalgebouw, zodat daarvoor ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g en h, van de planregels een maximale goothoogte geldt van 7,2 m. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onjuist voor.

De Afdeling acht echter niet op voorhand uitgesloten dat zich een situatie kan voordoen waarbij een luchtbak weliswaar tegen een buitenwand van een stalgebouw is aangebouwd, maar in bouwkundig opzicht niet kan worden aangemerkt als onderdeel van het (hoofd)stalgebouw. Nu luchtbakken niet beschikken over een (afgesloten) dak of kapconstructie, kunnen luchtbakken niet kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, lid 1.35 van de planregels. Gelet op het voorgaande is niet op voorhand uitgesloten dat een luchtbak in sommige gevallen zal moeten worden aangemerkt als een overige bouwwerk als bedoeld in artikel 3, lid 3.2.4, van de planregels waarvoor ingevolge lid 3.2.4, onder i, onder 10, van de planregels een maximale bouwhoogte van 6 m geldt. De raad heeft echter in de Nota van zienswijzen te kennen gegeven dat hij een bouwhoogte voor luchtbakken van 7,2 m aanvaardbaar acht.

40.3. De raad erkent dat hij bij de beantwoording van de zienswijzen van [appellant sub 6] heeft miskend dat de bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken die niet als onderdeel van een stalgebouw kunnen worden aangemerkt, niet juist in de planregels is vastgelegd en dat hij in zoverre niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 6] slaagt in zoverre.

40.4. Het betoog van [appellant sub 6] dat ten onrechte niet is voorzien in een grotere maximale bouwhoogte voor luchtbakken dan 7,2 m, volgt de Afdeling niet. De Afdeling acht een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken die niet in een bedrijfsgebouw zijn gesitueerd, gelet op de ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g, van de planregels maximaal toegestane goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet onredelijk. Daarnaast heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat hij met een maximale bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken onevenredig wordt belemmerd in zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het betoog van [appellant sub 6] faalt in zoverre.

Bestaande veestapel

41. [appellant sub 6] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

41.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellant sub 6] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overig

42. [appellant sub 6] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 6] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

43. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 6] en de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

43.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 44]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 7]

44. [appellante sub 44] betoogt dat het bouwvlak op haar perceel [locatie 7] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Roggel en Neer", terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast.

44.1. [appellante sub 44] exploiteert op het perceel [locatie 7] een gemengd agrarisch bedrijf. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 7] niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 44] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 44] slaagt.

De gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied"

45. [appellante sub 44] betoogt verder dat ten onrechte de gebiedsaanduiding "reconstructiezone - extensiveringsgebied" is toegekend aan een klein deel van de westzijde van het bouwvlak op het perceel [locatie 7]. Hierbij voert zij aan dat in het reconstructieplan "Noord- en Midden-Limburg" per abuis zowel de zonering "verwevingsgebied" als de zonering "extensiveringsgebied" tezamen op (onder meer) haar bouwvlak is gelegd. [appellante sub 44] wijst erop dat andere betrokken eigenaren van bouwvlakken hiertegen beroep hebben ingesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2005 met zaak nr. 200405077/1 onder andere geoordeeld dat de zonering niet kan worden doorgeschoven naar een uitwerkingsplan, maar volledig moet worden afgewogen in het reconstructieplan zelf. Dit hield in dat er een nieuwe afweging gemaakt moest voor wat betreft een aantal bouwvlakken die deels als onderdeel van het "extensiveringsgebied" waren aangewezen. Deze afweging heeft vervolgens plaatsgevonden in het door provinciale staten op 17 februari 2006 vastgestelde "Wijziging Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg". [appellante sub 44] constateert dat haar doorsneden bouwvlak destijds niet bij deze (her)afweging is betrokken, terwijl de situatie identiek is aan de doorsneden bouwvlakken die wel zijn meegenomen. Thans is het volgens [appellante sub 44] het eerste moment dat deze zonering wordt vastgelegd in het bestemmingsplan. Volgens haar heeft de raad daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de voorgeschiedenis rondom de doorsneden bouwvlakken bij het opnemen van de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" in het plan. Naar haar mening dient haar volledige bouwvlak uit de zonering als extensiveringsgebied te worden gehaald.

45.1. Blijkens de verbeelding is aan het westelijke deel van het bouwvlak op het perceel [locatie 7] de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" met onder meer de functieaanduiding "intensieve veehouderij" en gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.59, van de planregels moet onder het begrip extensiveringsgebied worden verstaan een gebied waarbinnen het primaat ligt bij verbetering van groene en blauwe waarden en van de milieukwaliteit en waarbinnen op grond van de regels beperkingen gelden ten aanzien van de ontwikkeling van intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, onder c en j, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" bestemd voor de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten met uitzondering van stalruimte en ter plaatse van de functieaanduiding "intensieve veehouderij" tevens voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 50, lid 50.16, geldt ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" dat die gronden zijn aangewezen als extensiveringsgebieden zoals bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rcw), waarbinnen uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderij niet mogelijk is dan wel onmogelijk wordt gemaakt, met uitzondering van vormverandering om te voldoen aan eisen van dierwelzijn en gezondheid, mits voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden.

45.2. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rcw, zoals dit luidde ten tijde van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, of artikel 19, derde lid, aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro. Artikel 3.7, vijfde tot en met zevende lid, van die wet is niet van toepassing. Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

45.3. Bij uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, zaak nr. 200405077/1, is het reconstructieplan "Noord- en Midden-Limburg" grotendeels onherroepelijk geworden, in ieder geval wat betreft het perceel [locatie 7]. Het reconstructieplan voorziet in een zonering intensieve veehouderij. De zonering intensieve veehouderij bestaat uit extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. De gedetailleerde begrenzing van de zonering op perceelsniveau is op de themakaart "Zonering Intensieve Veehouderij" weergegeven. De zonering van het extensiveringsgebied in het plan komt overeen met de zonering van het extensiveringsgebied in het reconstructieplan, zoals deze is weergegeven op de kaart 1.6 "Zonering Intensieve Veehouderij".

45.4. In het reconstructieplan is vermeld dat artikel 27, eerste lid, van de Rcw van toepassing is op de in het reconstructieplan opgenomen zonering. Hieruit volgt dat de zonering bindend doorwerkt naar het bestemmingsplan. In tegenstelling tot hetgeen [appellante sub 44] stelt, is omtrent de zonering van de intensieve veehouderij derhalve geen nadere afweging van de raad vereist. Derhalve heeft de raad door het toekennen van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" terecht niet binnen het extensiveringsgebied, zoals bedoeld in het reconstructieplan, voorzien in de uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderijen.

Het betoog van [appellante sub 44] faalt.

Het begrip "bestaande veestapel"

46. [appellante sub 44] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

46.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellante sub 44] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

De bestemming "Natuur"

47. [appellante sub 44] voert verder aan dat aan een deel van haar gronden ten westen van de Roggelse beek de bestemming "Natuur" is toegekend, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast en de gronden als agrarisch zouden worden bestemd.

47.1. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden van [appellante sub 44] ten westen van de Roggelse beek de bestemming "Natuur" toegekend. In het deskundigenbericht staat dat deze gronden in gebruik zijn voor de teelt van blauwe bessen. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat de desbetreffende gronden ten onrechte niet voor agrarische doeleinden zijn bestemd, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 44] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 44] slaagt.

De bestemming "Agrarisch met waarden - 4"

48. Ten slotte voert [appellante sub 44] aan dat zij door het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" aan haar gronden in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, nu in de planregels voor gronden met deze bestemming geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de realisatie van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Zij voert hierbij aan dat op het merendeel van haar gronden feitelijk geen beekdal aanwezig is en dat ook in het POL 2006 het merendeel van haar gronden niet als beekdal is aangeduid, zodat voor deze gronden geen beperking had moeten worden opgenomen.

48.1. Blijkens de verbeelding is aan het merendeel van de gronden van [appellante sub 44] ten oosten en westen van de Roggelse beek de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend.

48.2. In de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ter plaatse van de beekdalen is opgenomen. Ter bescherming van de beekdalen geldt hier een meer beperkende regeling dan in de bestemming "Agrarisch". Teeltondersteunende voorzieningen zijn bijvoorbeeld niet toegestaan. Daarnaast dient de natuurlijke waterhuishouding en de landschappelijke structuur te worden behouden en waar mogelijk te worden versterkt.

48.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat de agrarische gronden van [appellante sub 44] ten oosten en ten westen van de Roggelse beek zijn gelegen. Op de gronden ten westen van de beek worden blauwe bessen geteeld en de gronden ten oosten van de beek zijn voornamelijk in gebruik voor bomenteelt. [appellante sub 44] is voornemens om ook op een deel van deze gronden bessen te telen. Ten behoeve van de teelt van blauwe bessen maakt [appellante sub 44] volgens het deskundigenbericht gebruik van teeltondersteunende voorzieningen, zoals regenkappen met plastic folie.

48.4. De raad heeft toegelicht dat het niet is toegestaan om in de beekdalen in het plangebied, met name in verband met de beoogde openheid, door middel van een afwijkingsbevoegdheid tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. Uit de plantoelichting en de Nota van zienswijzen volgt dat de raad er bij de vaststelling van het plan van uit is gegaan dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" uitsluitend ter plaatse van de aanwezige beekdalen is toegekend. Vast staat dat voor gronden met deze bestemming in artikel 7 van de planregels geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren.

Ter zitting heeft de raad erkend dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" echter meer gronden omvat dan alleen beekdalen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ter zitting niet kunnen aangeven of de desbetreffende gronden van [appellante sub 44] ten oosten en ten westen van de Roggelse beek in een beekdal zijn gelegen. Daarbij is van belang dat in het POL 2006 ter plaatse van de desbetreffende gronden van [appellante sub 44] een kleiner gebied is aangemerkt als "beekdalen en laagtes buiten het Maasdal" dan het gebied dat in het onderhavige plan de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" heeft gekregen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" aan de desbetreffende gronden onvoldoende gemotiveerd is.

Het betoog van [appellante sub 44] slaagt.

Overige

49. [appellante sub 44] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 44] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

50. In hetgeen [appellante sub 44] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 7], de artikelen 1, lid 1.32, en 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels en het plandeel met de bestemming "Natuur" voor haar gronden ten westen van de Roggelse beek, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor haar gronden ten westen en oosten van de Roggelse beek, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 44] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

50.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 7, lid 7.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 50]

Bouwvlak

51. [appellante sub 50] betoogt dat ten onrechte aan haar perceel [locatie 8] te Haler een bouwvlak is toegekend dat niet overeenstemt met het bouwvlak in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel".

51.1. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel".

De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht is vastgesteld dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 8] in het plan overeenkomstig de wens van [appellante sub 50] dezelfde maatvoering heeft als het bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" ter plaatse van het perceel in het voorheen geldende plan. [appellante sub 50] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is.

Het betoog faalt.

Het begrip "bestaande veestapel"

52. [appellante sub 50] betoogt voorts dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Als gevolg van deze onduidelijke omschrijving is niet duidelijk welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. [appellante sub 50] voert aan dat, indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, deze data bezwaarlijk zijn omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van zijn bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord. [appellante sub 50] betoogt dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan de bestaande, legale situatie tot uitgangspunt genomen moet worden.

52.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellante sub 50] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Conclusie

53. In hetgeen [appellante sub 50] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellante sub 50] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

53.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 46]

54. [appellante sub 46] betoogt dat de noordwestelijke grens van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 9] te Kelpen-Oler niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het wijzigingsplan "Vestiging agrarische bouwkavel aan de Grathemerweg" dat op 3 januari 2001 is vastgesteld, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast.

54.1. Niet in geschil is dat het bouwvlak, zoals opgenomen in het op 3 januari 2001 vastgestelde wijzigingsplan "Vestiging agrarische bouwkavel aan de Grathemerweg", niet gelijk is aan het bouwvlak zoals dat in het nu voorliggende plan is toegekend. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op de verbeelding opgenomen zal worden overeenkomstig het wijzigingsplan en dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Het betoog van de raad ter zitting dat het bouwvlak meer naar het zuiden is gelegd dan in het wijzigingsplan om zo de woning en de paardenbak als zodanig te bestemmen, maakt dit niet anders. De raad erkent dat het bouwvlak niet overeenkomstig het wijzigingsplan op de verbeelding is opgenomen. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 46] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 46] slaagt.

55. [appellante sub 46] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 46] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

56. In hetgeen [appellante sub 46] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 9], is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 46] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 48]

Bouwvlak

57. Het beroep van [appellante sub 48] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 10]. [appellante sub 48] betoogt dat ten onrechte geen groter bouwvlak is toegekend aan haar perceel. Hiertoe voert zij aan dat op

3 september 2013 een omgevingsvergunning is verleend door het college van burgemeester en wethouders voor de realisatie van twee sleufsilo's, maar dat deze sleufsilo's thans niet binnen het bouwvlak liggen. Voorts voert [appellante sub 48] aan dat tuinen en erfverhardingen, gelet op de gekozen plansystematiek, binnen het bouwvlak moeten zijn gesitueerd, maar dat een bestaande in- en uitrit aan de noordzijde van het perceel thans eveneens buiten het bouwvlak is gelaten. Gezien het voorgaande zou het bouwvlak volgens [appellante sub 48] moeten worden doorgetrokken tot aan de Kuiperweg.

57.1. Aan het perceel [locatie 10] is de bestemming "Agrarisch" met gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de als "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering;

b. agrarisch grondgebruik;

[…]

met daarbij behorende:

[…]

an. parkeervoorzieningen, toegangswegen, inritten en overige terreinverhardingen binnen het bouwvlak;

[…]

57.2. De raad erkent dat de omgevingsvergunning, die ten behoeve van het perceel [locatie 10] op 3 september 2013 door het college van burgemeester en wethouders is verleend, ten onrechte niet is verwerkt in het plan. Voorts heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat aan de bestaande in- en uitrit aan de noordzijde van het perceel ten onrechte geen bouwvlak is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 10] reeds daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 48] slaagt in zoverre.

Intensieve veehouderij

58. [appellante sub 48] betoogt voorts dat de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven dat de functieaanduiding "intensieve veehouderij" zou worden toegekend aan het perceel. De raad heeft dit echter ten onrechte niet verwerkt op de verbeelding, aldus [appellante sub 46].

58.1. De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat de functieaanduiding "intensieve veehouderij" ten onrechte niet is toegekend aan het perceel [locatie 10]. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit, hetgeen de raad ook erkent. In hetgeen [appellante sub 48] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 48] slaagt.

Bestaande veestapel

59. [appellante sub 48] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

59.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van maatschap [appellante sub 46] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overig

60. [appellante sub 48] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 48] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

61. In hetgeen [appellante sub 48] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 10] en de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 48] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

62. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellant sub 12]

Formele aspecten

63. Voor zover [appellant sub 12] betoogt dat de beantwoording van zijn zienswijze in de Nota van zienswijzen onduidelijk is, overweegt de Afdeling het volgende. De beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 12] omtrent het bouwvlak op het perceel [locatie 11] door de raad in de Nota van zienswijzen luidt als volgt: "Aan de hand van de boordeling van de individuele procedure, kan het bouwvlak conform het bedrijfsontwikkelingsplan worden aangepast. De wijziging wordt derhalve niet meer meegenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. De gemeente is voornemens om dergelijke wijzigingen te regelen in een nog op te stellen "veeg" bestemmingsplan. Om de ontwikkeling hierin mee te nemen, dient reclamant voor 1 april 2014 de gevraagde stukken aan te leveren." Naar het oordeel van de Afdeling bevat de eerste zin een kennelijke verschrijving, met dien verstande dat in de eerste zin van het voorgaande citaat het woord "niet" na het woord "bouwvlak" is weggevallen. Hierin ziet de Afdeling geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen, omdat uitgaande van een redelijke lezing van het citaat duidelijk is dat de raad niet voornemens was om het verzoek van [appellant sub 12] mee te nemen in deze bestemmingsplanprocedure.

Het betoog van [appellant sub 12] faalt.

Bouwvlak

64. [appellant sub 12] betoogt verder dat het bouwvlak op het perceel [locatie 11] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. Daarnaast heeft de raad ten onrechte niet voorzien in de uitbreiding van het bouwvlak overeenkomstig zijn verzoek daartoe. Hiertoe voert hij aan dat hij reeds in 2013 een bedrijfsontwikkelingsplan en een ruimtelijke onderbouwing heeft aangeleverd bij het gemeentebestuur op grond waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van zijn concrete verzoek volgens hem kon worden beoordeeld. Verder voert hij aan dat hij reeds beschikt over een milieuvergunning voor de realisatie van een stalgebouw op het gedeelte van het bouwvlak dat thans is verkleind.

64.1. De raad erkent dat een milieuvergunning is verleend ten behoeve van het perceel [locatie 11], maar stelt dat deze pas in werking treedt nadat ook de (daarvoor vereiste) bouwvergunning(en) is (zijn) verleend. De raad stelt dat vooralsnog geen ontvankelijke aanvraag is ingediend voor een bouwvergunning (thans omgevingsvergunning voor bouwen) voor de stal. Inmiddels is er een verzoek ingediend voor het handhaven van het oude bouwvlak en aanvullend daarop een kleine vormverandering, hetgeen volgens de raad zal worden verwerkt in het reparatie- en veegplan.

64.2. Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch" toegekend en gedeeltelijk een bouwvlak met de functieaanduiding "intensieve veehouderij". Het bouwvlak op het perceel [locatie 11] is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering;

b. agrarisch grondgebruik;

c. de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten met uitzondering van stalruimte;

[…]

f. ter plaatse van de functieaanduiding "intensieve veehouderij" tevens voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij;

[…]

Ingevolge lid 3.2.1 gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

[…]

64.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend.

64.4. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 12] op het perceel [locatie 11] een varkensfokkerij/mesterij exploiteert met 250 zeugen en ongeveer 1.700 vleesvarkens en dat hij zijn veestapel wenst uit te breiden naar een omvang van ongeveer 500 zeugen en ongeveer 3.500 vleesvarkens. Voor deze uitbreiding is blijkens het deskundigenbericht reeds op 19 januari 2009 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Uit het deskundigenbericht volgt voorts dat [appellant sub 12] in 2013 een conceptwijzigingsplan heeft ingediend bij het gemeentebestuur waarin hij zijn initiatief uitgebreid uiteen heeft gezet. Daaruit volgt dat hij twee nieuwe stallen wenst op te richten, waarvan één stal in het destijds bestaande bouwvlak. Ten behoeve van de tweede stal was echter een uitbreiding van het bouwvlak aan de westkant nodig. Uit het deskundigenbericht volgt dat bij dit initiatief de resultaten van onderzoeken naar de gevolgen van de uitbreiding voor de landschappelijke inpassing, de archeologische waarden, de bodemkwaliteit, deposities, geur en water waren gevoegd.

64.5. Gelet op het voorgaande was het initiatief van [appellant sub 12] naar het oordeel van de Afdeling voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt bij het gemeentebestuur. De raad heeft evenwel aangevoerd dat hij ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet over voldoende gegevens beschikte om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen. De verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens lag volgens de raad bij [appellant sub 12] aangezien dit initiatief louter op zijn verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen en de raad een verkleining van het bouwvlak op het perceel [locatie 11] in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening.

64.6. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 april 2014, zaak nr. 201303772/1/R2 is het standpunt van de raad omtrent de verantwoordelijkheid van de vergaring van de vereiste gegevens in het onderhavige geval op zich zelf juist, zij het dat de raad in een dergelijke situatie tijdig dient aan te geven welke gegevens nog nodig zijn voor de beoordeling van het initiatief waarover het gemeentebestuur zelf niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken. Niet gebleken is dat het gemeentebestuur na het vernemen van het initiatief aan [appellant sub 12] heeft meegedeeld dat de overgelegde stukken incompleet of onduidelijk waren, dat nog aanvullende stukken nodig waren of dat voor bepaalde aspecten nog nader onderzoek was vereist en wanneer die stukken moesten zijn aangeleverd. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 12] slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 12] ten aanzien van het bouwvlak geen bespreking meer.

Plattelandswoning

65. [appellant sub 12] betoogt dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" ten onrechte niet is toegekend aan het perceel [locatie 11], hetgeen de raad erkent. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft naar het oordeel van de Afdeling niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 12] slaagt.

Bestaande veestapel

66. [appellant sub 12] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Hij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

66.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellant sub 12] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overig

67. [appellant sub 12] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 12] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

68. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 11] en de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 11], in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

Het beroep van [appellant sub 12] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

68.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellant sub 8]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 12]

69. [appellant sub 8] betoogt dat de oostelijke grens van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 12] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel", de verleende bouwvergunningen en het door hem ingediende bedrijfsontwikkelingsplan, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast. Hierdoor zijn een klein deel van de bestaande stal en een deel van de onlangs vergunde stal buiten het bouwvlak komen te liggen.

69.1. [appellant sub 8] exploiteert op het perceel [locatie 12] een melkveehouderij. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 12] niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellant sub 8] slaagt.

Het bouwvlak ten noorden van het perceel [locatie 12]

70. Verder voert [appellant sub 8] aan dat het bouwvlak ten noorden van de Venderstraat, welk bouwvlak door middel van de aanduiding "relatie" is gekoppeld aan het bouwvlak op het perceel [locatie 12], niet correct is opgenomen op de verbeelding. Volgens hem dient het gehele bouwvlak een breedte te hebben van 28 m.

70.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat de begrenzing van de oostzijde van het bouwvlak ten noorden van de Venderstraat, welk bouwvlak door middel van de aanduiding "relatie" is gekoppeld aan het bouwvlak op het perceel [locatie 12], per abuis niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 8] slaagt.

Het begrip "bestaande veestapel"

71. [appellant sub 8] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Hij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van

10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens hem vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

71.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellant sub 8] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overige

72. [appellant sub 8] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 8] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

73. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, 3, lid 3.5.6, onder j, en 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels en het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 12], is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" voor de gronden ten noorden van de Venderstraat, welk bouwvlak door middel van de aanduiding "relatie" is gekoppeld aan het bouwvlak op het perceel [locatie 12], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

73.1. Nu de bovengenoemde gebruiksverboden niet in stand kunnen blijven geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in de artikelen 3, lid 3.6.7, en 7, lid 7.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 9]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 13]

74. [appellante sub 9] betoogt dat de zuidelijke begrenzing van het bouwvlak op haar perceel [locatie 13] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende wijzigingsplan "[locatie 13] te Ell" uit 2010, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat het bouwvlak zoals opgenomen in het wijzigingsplan zou worden overgenomen. Ook voert zij aan dat de oostelijke begrenzing van het bouwvlak in overeenstemming had moeten worden gebracht met de begrenzing zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel.

74.1. [appellante sub 9] exploiteert op het perceel [locatie 13] een pluimveebedrijf. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 13] de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" en functieaanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Uit het deskundigenbericht volgt dat het bouwvlak een oppervlakte heeft van ongeveer 1,95 ha.

Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voor een deel van het perceel voorheen het wijzigingsplan "[locatie 13] te Ell" en voor een ander deel het bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel". Uit het deskundigenbericht volgt dat in het voorheen geldende wijzigingsplan "[locatie 13] te Ell" het bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" en de aanduiding "bouwvlak" in zuidelijke richting zijn verruimd waardoor het woonperceel Brandvenstraat 5 deel is gaan uitmaken van dit bestemmings- en bouwvlak. Een strook grond aan de noordzijde van het oorspronkelijke bouwvlak van 100 m bij 20 m heeft in het wijzigingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden" gekregen en maakte daardoor geen deel meer uit van het bouwvlak. De oppervlakte van het bouwvlak zoals opgenomen in het wijzigingsplan bedroeg ongeveer 1,8 hectare. De strook grond van ongeveer 115 m bij 15 m ten oosten van voornoemd bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" had in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" eveneens de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel". Aangezien die strook buiten het plangebied van het wijzigingsplan lag, is voor die gronden het bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" blijven gelden. Met inachtneming van die strook had het bouwvlak voor het pluimveebedrijf van [appellante sub 9] volgens het deskundigenbericht een oppervlakte van bijna 2 ha.

74.2. De raad heeft in de Nota van zienswijzen gesteld dat het bouwvlak op het perceel [locatie 13] één op één zal worden overgenomen uit het wijzigingsplan "[locatie 13] te Ell". De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 9] slaagt.

74.3. Vast staat verder dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" op het perceel [locatie 13] aan een strook grond van 115 m bij 15 m ten oosten van het plangebied van het wijzigingsplan "[locatie 13] te Ell" de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel" was toegekend. Niet in geschil is dat in het onderhavige plan voor deze strook grond geen aanduiding "bouwvlak" is opgenomen, terwijl op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan in deze strook bebouwing was toegestaan. De Afdeling ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de raad in redelijkheid de oostelijke begrenzing van het bouwvlak, zoals in dit plan is opgenomen, heeft kunnen vaststellen. Daartoe overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Niet in geschil is dat de desbetreffende strook grond op het perceel [locatie 13] thans onbebouwd is. [appellante sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de vaststelling van het plan bij het gemeentebestuur een concreet plan had ingediend met betrekking tot het realiseren van bebouwing op voornoemde strook. Ter zitting heeft de raad verder toegelicht dat met het wijzigingsplan "[locatie 13] te Ell" was beoogd een vormwijziging van het bouwvlak door te voeren en dat destijds per abuis de bestemming van de desbetreffende strook grond ten oosten van het opgenomen bouwvlak niet is aangepast. In het onderhavige plan is dat gebrek volgens de raad hersteld. Gelet op het voorgaande en nu in het deskundigenbericht staat dat binnen het bouwvlak voldoende ruimte aanwezig is om bijvoorbeeld een gebouw met een oppervlakte van ruim 4.000 m² te realiseren, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de desbetreffende strook grond ten het oosten van het bouwvlak op het perceel [locatie 13] niet in het bouwvlak hoefde te worden opgenomen.

Het betoog van [appellante sub 9] faalt.

Luchtbakken

75. [appellante sub 9] betoogt verder dat het plan, voor zover dat ziet op de bouwhoogte van luchtbakken, niet in overeenstemming is met het vaststellingsbesluit. Hiertoe voert zij aan dat niet is voorzien in een bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken aanvaardbaar te vinden.

75.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g en h, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer dan 12 m.

Ingevolge lid 3.2.4, aanhef en onder i, geldt voor het bouwen van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, dat overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte mogen hebben van:

[…]

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

[…]

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

75.2. In het deskundigenbericht staat dat luchtbakken voorzieningen betreffen die bij de uitmonding van de stalventilatie tegen een wand van een stal liggen om de uitkomende luchtstroom naar boven te leiden. Deze luchtbakken bestaan blijkens het deskundigenbericht uit drie dichte wanden en beschikken niet over een (afgesloten) dak of kapconstructie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een luchtbak ook in een stalgebouw kan zijn gesitueerd. Luchtbakken die in een stal zijn gesitueerd zijn volgens de raad onderdeel van het (hoofd)stalgebouw, zodat daarvoor ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g en h, van de planregels een maximale goothoogte geldt van 7,2 m. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onjuist voor.

De Afdeling acht echter niet op voorhand uitgesloten dat zich een situatie kan voordoen waarbij een luchtbak weliswaar tegen een buitenwand van een stalgebouw is aangebouwd, maar in bouwkundig opzicht niet kan worden aangemerkt als onderdeel van het (hoofd)stalgebouw. Nu luchtbakken niet beschikken over een (afgesloten) dak of kapconstructie, kunnen luchtbakken niet kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, lid 1.35 van de planregels. Gelet op het voorgaande is niet op voorhand uitgesloten dat een luchtbak in sommige gevallen zal moeten worden aangemerkt als een overige bouwwerk als bedoeld in artikel 3, lid 3.2.4, van de planregels waarvoor ingevolge lid 3.2.4, onder i, sub 10, van de planregels een maximale bouwhoogte van 6 m geldt. De raad heeft echter in de Nota van zienswijzen te kennen gegeven dat hij een bouwhoogte voor luchtbakken van 7,2 m aanvaardbaar acht.

75.3. De raad erkent dat hij bij de beantwoording van de zienswijze van [appellante sub 9] heeft miskend dat de bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken die niet als onderdeel van een stalgebouw kunnen worden aangemerkt, niet juist in de planregels is vastgelegd en dat hij in zoverre niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 9] slaagt in zoverre.

75.4. Het betoog van [appellante sub 9] dat ten onrechte niet is voorzien in een grotere maximale bouwhoogte voor luchtbakken dan 7,2 m volgt de Afdeling niet. De Afdeling acht een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken die niet zijn gesitueerd in een bedrijfsgebouw, gelet op de ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g, van de planregels maximaal toegestane goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet onredelijk. Daarnaast heeft [appellante sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat zij met een maximale bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken onevenredig wordt belemmerd in zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het betoog van [appellante sub 9] faalt in zoverre.

Het begrip "bestaande veestapel"

76. [appellante sub 9] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

76.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellante sub 9] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overige

77. [appellante sub 9] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 9] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

78. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 13], is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb en, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 9] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

78.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellant sub 13]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 14]

79. [appellant sub 13] betoogt dat de zuidelijke grens van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 14] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999" en met het door hem ingediende bedrijfsontwikkelingsplan, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast. Hierdoor is er onvoldoende ruimte voor het realiseren van agrarische bebouwing.

79.1. [appellant sub 13] exploiteert op het perceel [locatie 14] een agrarisch bedrijf met vleesvarkens. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 14] niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellant sub 13] slaagt.

Het begrip "bestaande veestapel"

80. [appellant sub 13] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Hij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens hem vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

80.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellant sub 13] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overige

81. [appellant sub 13] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 13] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

82. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 14] en de artikelen 1, lid 1.32, en 5, lid 5.5.4, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 13] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

82.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kunnen blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 5, lid 5.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 15]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 15]

83. [appellante sub 15] betoogt dat het bouwvlak op haar perceel [locatie 15] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999" en met het door haar ingediende bedrijfsontwikkelingsplan, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast. Zij wenst dat de noordelijke begrenzing van het bouwvlak het tracé van de Zandstraat gaat volgen en dat de westelijke grens van het bouwvlak samenvalt met de berm van het naastgelegen wandelpad. Verder voert zij aan dat een deel van het bouwvlak aan de zuidzijde nog iets dient te worden vergroot, zodat de aanwezige en voor haar bedrijf noodzakelijke verharding binnen het bouwvlak komt te liggen. Volgens haar zijn het feitelijk gebruik van de gronden en de aanwezige verhardingen en tuin op dit moment niet als zodanig bestemd.

83.1. [appellante sub 15] exploiteert op het perceel [locatie 15] een pluimveebedrijf. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 15] niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat bouwvlak alsnog overeenkomstig het bedrijfsontwikkelingsplan en het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999" zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar voor zowel de westelijke als de noordelijke begrenzing van het bouwvlak niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 15] slaagt.

83.2. Wat betreft de door [appellante sub 15] in afwijking van het bedrijfsplan en het voorheen geldend bestemmingsplan gewenste uitbreiding van het bouwvlak aan de zuidzijde van het perceel [locatie 15], overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat de desbetreffende strook grond in het voorheen geldende bestemmingsplan als natuur was bestemd. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat ter plaatse houtopstanden aanwezig waren, maar dat deze zonder vergunning door [appellante sub 15] zijn gekapt en dat in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan erfverharding is aangebracht.

De raad heeft bij de vaststelling van het plan het beleid gevoerd alleen uitbreiding van het bouwvlak mogelijk te maken als daarvoor concrete plannen waren ingediend. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Niet in geschil is dat de plannen van [appellante sub 15] voor de desbetreffende strook grond concreet zijn. [appellante sub 15] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij, hoewel dat door de raad gevraagd is, voor de vaststelling van het plan bij het gemeentebestuur een ruimtelijke onderbouwing heeft aangeleverd met betrekking tot de erfverharding ten zuiden van het opgenomen bouwvlak. Derhalve beschikte de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet over voldoende gegevens om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het concrete initiatief te kunnen beoordelen. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid niet hoeven voorzien in de door [appellante sub 15] gewenste vergroting van het bouwvlak aan de zuidzijde van het perceel [locatie 15].

Het betoog van [appellante sub 15] faalt.

De gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied"

84. [appellante sub 15] betoogt verder dat aan het oostelijk deel van haar perceel [locatie 15] ten onrechte de gebiedsaanduiding "reconstructiezone - extensiveringsgebied" is toegekend. Hierbij voert zij aan dat in het reconstructieplan "Noord- en Midden-Limburg" per abuis zowel de zonering "verwevingsgebied" als de zonering "extensiveringsgebied" tezamen op (onder meer) haar bouwvlak is gelegd. [appellante sub 15] wijst erop dat andere betrokken eigenaren van bouwvlakken hiertegen beroep hebben ingesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2005 met zaak nr. 200405077/1 onder andere geoordeeld dat de zonering niet kan worden doorgeschoven naar een uitwerkingsplan, maar volledig moet worden afgewogen in het reconstructieplan zelf. Dit hield in dat er een nieuwe afweging gemaakt moest wat betreft een aantal bouwvlakken die deels als onderdeel van het "extensiveringsgebied" waren aangewezen. Deze afweging heeft vervolgens plaatsgevonden in het door provinciale staten op 17 februari 2006 vastgestelde "Wijziging Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg". [appellante sub 15] constateert dat haar doorsneden bouwvlak destijds niet bij deze (her)afweging is betrokken, terwijl de situatie identiek is aan de doorsneden bouwvlakken die wel zijn meegenomen. Thans is het volgens [appellante sub 15] het eerste moment dat deze zonering wordt vastgelegd in het bestemmingsplan. Volgens haar heeft de raad daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de voorgeschiedenis rondom de doorsneden bouwvlakken bij het opnemen van de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" in het plan. Naar haar mening dient haar volledige bouwvlak uit de zonering als extensiveringsgebied te worden gehaald.

84.1. Blijkens de verbeelding is aan het oostelijke deel van het bouwvlak op het perceel [locatie 15] de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" met onder meer de functieaanduiding "intensieve veehouderij" en gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend.

84.2. Bij uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, zaak nr. 200405077/1, is het reconstructieplan "Noord- en Midden-Limburg" grotendeels onherroepelijk geworden, in ieder geval wat betreft het perceel [locatie 15]. Het reconstructieplan voorziet in een zonering intensieve veehouderij. De zonering intensieve veehouderij bestaat uit extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. De gedetailleerde begrenzing van de zonering op perceelsniveau is op de themakaart "Zonering Intensieve Veehouderij" weergegeven. De zonering van het extensiveringsgebied in het plan komt overeen met de zonering van het extensiveringsgebied in het reconstructieplan, zoals deze is weergegeven op de kaart 1.5 "Zonering Intensieve Veehouderij".

84.3. In het reconstructieplan is vermeld dat artikel 27, eerste lid, van de Rcw van toepassing is op de in het reconstructieplan opgenomen zonering. Hieruit volgt dat de zonering bindend doorwerkt naar het bestemmingsplan. In tegenstelling tot hetgeen [appellante sub 15] stelt, is omtrent de zonering van de intensieve veehouderij derhalve geen nadere afweging van de raad vereist. Derhalve heeft de raad door het toekennen van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" terecht niet binnen het extensiveringsgebied, zoals bedoeld in het reconstructieplan, voorzien in de uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderijen.

Het betoog van [appellante sub 15] faalt.

Luchtbakken

85. [appellante sub 15] betoogt verder dat het plan, voor zover dat ziet op de bouwhoogte van luchtbakken, niet in overeenstemming is met het vaststellingsbesluit. Hiertoe voert zij aan dat niet is voorzien in een bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken aanvaardbaar te vinden.

85.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, onder h en i, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak niet meer dan 12 m.

Ingevolge lid 7.2.4, aanhef en onder h, geldt voor het bouwen van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, dat overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte mogen hebben van:

[…]

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

[…]

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

85.2. In het

deskundigenbericht staat dat luchtbakken voorzieningen betreffen die bij de uitmonding van de stalventilatie tegen een wand van een stal liggen om de uitkomende luchtstroom naar boven te leiden. Deze luchtbakken bestaan blijkens het deskundigenbericht uit drie dichte wanden en beschikken niet over een (afgesloten) dak of kapconstructie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een luchtbak ook in een stalgebouw kan zijn gesitueerd. Luchtbakken die in een stal zijn gesitueerd zijn volgens de raad onderdeel van het (hoofd)stalgebouw, zodat daarvoor ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, onder h en i, van de planregels een maximale goothoogte geldt van 7,2 m. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onjuist voor.

De Afdeling acht echter niet op voorhand uitgesloten dat zich een situatie kan voordoen waarbij een luchtbak weliswaar tegen een buitenwand van een stalgebouw is aangebouwd, maar in bouwkundig opzicht niet kan worden aangemerkt als onderdeel van het (hoofd)stalgebouw. Nu luchtbakken niet beschikken over een (afgesloten) dak of kapconstructie, kunnen luchtbakken niet kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, lid 1.35 van de planregels. Gelet op het voorgaande is niet op voorhand uitgesloten dat een luchtbak in sommige gevallen zal moeten worden aangemerkt als een overige bouwwerk als bedoeld in artikel 7, lid 7.2.4, van de planregels waarvoor ingevolge lid 7.2.4, onder h, onder 10, van de planregels een maximale bouwhoogte van 6 m geldt. De raad heeft echter in de Nota van zienswijzen te kennen gegeven dat hij een bouwhoogte voor luchtbakken van 7,2 m aanvaardbaar acht.

85.3. De raad erkent dat hij bij de beantwoording van de zienswijze van [appellante sub 15] heeft miskend dat de bouwhoogte van maximaal 7,2 m voor luchtbakken die niet als onderdeel van een stalgebouw kunnen worden aangemerkt, niet juist in de planregels is vastgelegd en dat hij in zoverre niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 15] slaagt in zoverre.

85.4. Het betoog van [appellante sub 15] dat ten onrechte niet is voorzien in een grotere maximale bouwhoogte voor luchtbakken dan 7,2 m volgt de Afdeling niet. De Afdeling acht een bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken die niet zijn gesitueerd in een bedrijfsgebouw, gelet op de ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, onder h, van de planregels maximaal toegestane goothoogte van bedrijfsgebouwen, niet onredelijk. Daarnaast heeft [appellante sub 15] niet aannemelijk gemaakt dat zij met een maximale bouwhoogte van 7,2 m voor luchtbakken onevenredig wordt belemmerd in zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het betoog van [appellante sub 15] faalt in zoverre.

Het begrip "bestaande veestapel"

86. [appellante sub 15] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

86.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellante sub 15] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Conclusie

87. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 15], is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb en, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, en 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 15] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

87.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 7, lid 7.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 25]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 16]

88. [appellante sub 25] betoogt dat ten onrechte slechts een klein gedeelte van het bouwvlak op het perceel [locatie 16] is voorzien van de functieaanduiding "intensieve veehouderij". Daardoor kan niet het volledige bouwvlak voor intensieve veehouderij worden benut. Volgens haar is er geen reden om het gebruik van de gronden van haar perceel voor intensieve veehouderij te beperken, nu het perceel niet in een kernrandzone ligt en de omliggende woningen geen beperking voor de bedrijfsvoering van de intensieve veehouderij vormen.

88.1. [appellante sub 25] exploiteert op het perceel [locatie 16] een varkenshouderij. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat de functieaanduiding "intensieve veehouderij" ten onrechte niet aan het gehele bouwvlak op het perceel [locatie 16] is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 25] slaagt.

Het begrip "bestaande veestapel"

89. [appellante sub 25] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

89.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellante sub 25] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overige

90. [appellante sub 25] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 25] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

91. In hetgeen [appellante sub 25] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 16], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid en, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 25] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

91.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellant sub 40]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 17]

92. [appellant sub 40] betoogt allereerst dat, nu ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, onder aa, van de planregels is bepaald dat tuinen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak, het bouwvlak aan de oostzijde van zijn perceel [locatie 17] vergroot dient te worden, zodat de tuin bij de bedrijfswoning in het bouwvlak komt te liggen. Ook merkt hij op dat de grens van het bouwvlak zodanig dicht bij de bedrijfswoning ligt dat een uitbreiding met bijvoorbeeld een erker niet meer mogelijk is.

92.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 17] de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend. Aan een deel van het perceel is tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, onder aa, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" bestemd voor tuinen en erven, uitsluitend binnen het bouwvlak.

92.2. Ter zitting is vast komen te staan dat de tuin aan de oostzijde van het perceel [locatie 17] niet binnen het bouwvlak is gelegen, zodat deze tuin ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, onder aa, van de planregels niet als zodanig is bestemd. De raad heeft ter zitting erkend dat de begrenzing van de oostzijde van het bouwvlak niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 40] slaagt.

Het begrip "bestaande veestapel"

93. [appellant sub 40] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Hij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens hem vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

93.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellant sub 40] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overige

94. [appellant sub 40] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 40] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

95. In hetgeen [appellant sub 40] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, en 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor perceel [locatie 17], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 40] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

95.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven, geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 7, lid 7.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellant sub 47]

96. [appellant sub 47] heeft zijn beroepsgrond met betrekking tot het bouwvlak op het perceel Kempisweg 3 ingetrokken.

97. [appellant sub 47] betoogt dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Hij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens hem vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

97.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellant sub 47] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

98. [appellant sub 47] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant sub 47] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

99. In hetgeen [appellant sub 47] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 47] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

99.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 51]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 18]

100. [appellante sub 51] betoogt dat de oostelijke grens van het bouwvlak op haar perceel [locatie 18] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" en het door haar ingediende bedrijfsontwikkelingsplan, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit zou worden aangepast.

100.1. [appellante sub 51] exploiteert op het perceel [locatie 18] een melkveehouderij. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 18] niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 51] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 51] slaagt.

De bestemming "Agrarisch met waarden - 4"

101. Voorts voert [appellante sub 51] aan dat ten onrechte aan een deel van haar gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend, omdat in het POL 2006 het merendeel van haar gronden niet als beekdal is aangeduid.

101.1. Blijkens de verbeelding is aan een klein deel van de gronden van [appellante sub 51] nabij de beek Langven de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" met de gebiedsaanduiding "overige zone - bufferzone 2" toegekend.

101.2. In de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ter plaatse van de beekdalen is opgenomen. Ter bescherming van de beekdalen geldt hier een meer beperkende regeling dan in de bestemming "Agrarisch". Teeltondersteunende voorzieningen zijn bijvoorbeeld niet toegestaan. Daarnaast dient de natuurlijke waterhuishouding en de landschappelijke structuur te worden behouden en waar mogelijk te worden versterkt.

101.3. De raad heeft toegelicht dat het niet is toegestaan om in de beekdalen in het plangebied, met name in verband met de beoogde openheid, door middel van een afwijkingsbevoegdheid tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren. Uit de plantoelichting en de Nota van zienswijzen volgt dat de raad er bij de vaststelling van het plan van uit is gegaan dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" uitsluitend ter plaatse van de aanwezige beekdalen is toegekend. Vast staat dat voor gronden met deze bestemming in artikel 7 van de planregels geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren.

Ter zitting heeft de raad erkend dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" echter meer gronden omvat dan alleen beekdalen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ter zitting niet kunnen aangeven of de desbetreffende gronden van [appellante sub 51] nabij de beek Langven in een beekdal zijn gelegen. Daarbij is van belang dat in het POL 2006 ter plaatse van de desbetreffende gronden van [appellante sub 51] een kleiner gebied is aangemerkt als "beekdalen en laagtes buiten het Maasdal" dan het gebied dat in het onderhavige plan de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" heeft gekregen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" aan de desbetreffende gronden onvoldoende gemotiveerd is.

Het betoog van [appellante sub 51] slaagt.

Het begrip "bestaande veestapel"

102. [appellante sub 51] betoogt verder dat het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk is omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient worden als de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Zij voert hierbij aan dat als gevolg van deze onduidelijke omschrijving niet duidelijk is welk gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel in het plan als strijdig gebruik aangemerkt wordt. Indien de raad heeft bedoeld de peildatum van 7 december 2004 aan te houden in geval er sprake is van Habitatrichtlijngebieden en de datum van 10 juni 1994 in geval van Vogelrichtlijngebieden, dan zijn deze data bezwaarlijk omdat alle (vergunde) uitbreidingen of veranderingen van de veestapel die sinds die peildata hebben plaatsgevonden derhalve in strijd zijn met het plan en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Volgens haar vindt deze ontoelaatbare inperking van bestaande rechten geen steun in het gemeentelijk beleid, zoals dat onder meer in de plantoelichting is verwoord.

102.1. Zoals hiervoor in overweging 20.9 naar aanleiding van het betoog van de Stichting Milieufederatie is overwogen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in artikel 1, lid 1.32, van de planregels opgenomen definitie "bestaande veestapel" in hoge mate rechtsonzeker is en dat hetzelfde geldt voor de specifieke gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, hetgeen leidt tot vernietiging van deze en daarbij betrokken onderdelen van het bestreden besluit. Nu het betoog van [appellante sub 51] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.

Overige

103. [appellante sub 51] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 51] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

104. In hetgeen [appellante sub 51] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 18] en de artikelen 1, lid 1.32, en 3, lid 3.5.6, onder j, van de planregels, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor de gronden van [appellante sub 51] nabij de beek Langven, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 51] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

104.1. Nu het bovengenoemde gebruiksverbod niet in stand kan blijven geldt datzelfde voor de mogelijkheden die het plan biedt om daarvan af te wijken bij omgevingsvergunning, zoals voorzien in artikel 3, lid 3.6.7. van de planregels.

Het beroep van [appellante sub 17]

105. [appellante sub 17] betoogt dat aan de percelen [locatie 19] en [locatie 20] ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend, terwijl de agrarische activiteiten ter plaatse in 2005 zijn beëindigd. Volgens haar is in 2012 van de zijde van de gemeente ingestemd met het voeren van een handelsonderneming op de gronden en zijn de activiteiten van de handelsonderneming reeds in 2003 aangevangen op het perceel, welke activiteiten tot op heden zijn gedoogd. [appellante sub 17] voert aan dat in strijd is gehandeld met het vertrouwensbeginsel, omdat in het verleden gedane toezeggingen niet zijn nagekomen. Zij heeft door onder meer het laten opstellen van een ruimtelijke onderbouwing aan alle door de gemeente gestelde eisen voldaan. Tevens wijst zij erop dat in het voorontwerp en het ontwerp van het plan een bedrijfsbestemming aan de gronden was toegekend. Ten slotte betoogt [appellante sub 17] dat aan het toegekende agrarische bouwvlak tevens de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 2" had moeten worden toegekend, omdat binnen dit bouwvlak twee woningen zijn gelegen.

105.1. Blijkens de verbeelding is aan de percelen [locatie 19] en [locatie 20] de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

105.2. In de Nota van zienswijzen staat dat vanwege de ingekomen zienswijze van [appellant sub 18] en de aangeleverde ruimtelijke onderbouwing van [appellante sub 17] tot nader overleg dient te worden overgegaan en dat de raad de beoordeling van het verzoek van [appellante sub 17] om die reden doorschuift naar de toekomst. De in het ontwerpplan toegekende bedrijfsbestemming aan de percelen van [appellante sub 17] zal derhalve niet worden opgenomen en er wordt teruggevallen op de agrarische bestemming uit het voorheen geldende bestemmingsplan.

105.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad in het kader van dit plan een ruimtelijke afweging had behoren te maken wat betreft het mogelijk maken van de door [appellante sub 17] gewenste bedrijfsactiviteiten op de percelen [locatie 19] en [locatie 20]. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan immers bij uitstek het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke, toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Niet in geschil is dat [appellante sub 17] reeds in 2012 een principeverzoek heeft gedaan en een ruimtelijke onderbouwing met onderliggende onderzoeken heeft ingediend en het gemeentebestuur hier derhalve al enige tijd van op de hoogte was. Zo heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief van 20 maart 2012 besloten om in principe mee te werken aan haar verzoek voor regulering van de handelsonderneming. Indien het voor de raad niet mogelijk was om op basis van de ingediende stukken de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste ontwikkeling op de gronden van [appellante sub 17] te beoordelen, daargelaten de vraag of dat inderdaad het geval is, had het op de weg van de raad gelegen om aan [appellante sub 17] te kennen te geven ten aanzien van welke aspecten nog onderzoek diende te worden verricht. Niet is gebleken dat de raad dit heeft gedaan. Gelet hierop heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.

Het betoog van [appellante sub 17] slaagt.

Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond van [appellante sub 17] met betrekking tot het niet opnemen van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 2" in het agrarisch bouwvlak geen bespreking meer.

106. [appellante sub 17] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 17] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

107. In hetgeen [appellante sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de percelen [locatie 19] en [locatie 20], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 17] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 18]

108. [appellant sub 18] betoogt dat aan zijn perceel [locatie 21] ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend, terwijl zijn woning al jaren als burgerwoning in gebruik is.

108.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 21] de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

108.2. In de Nota van zienswijzen staat dat vanwege de ingekomen zienswijze van [appellant sub 18] en de aangeleverde ruimtelijke onderbouwing van [appellante sub 17] tot nader overleg dient te worden overgegaan en dat de raad de beoordeling van het verzoek van [appellante sub 17] om die reden doorschuift naar de toekomst. De in het ontwerpplan toegekende bedrijfsbestemming aan de percelen van [appellante sub 17] zal derhalve niet worden opgenomen en er wordt teruggevallen op de agrarische bestemming uit het voorheen geldende bestemmingsplan.

Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt echter niet waarom de raad de agrarische bestemming aan het perceel van [appellant sub 18] aan de [locatie 21] heeft toegekend. Evenmin blijkt van een belangenafweging op dit punt. Weliswaar was in het voorheen geldende bestemmingsplan aan dit perceel een agrarische bestemming toegekend, maar het ontwerpplan bevatte een woonbestemming. Een motivering van deze wijziging ten opzichte van het ontwerp had derhalve naar het oordeel van de Afdeling in het besluit moeten worden opgenomen.

Het betoog van [appellant sub 18] slaagt.

Conclusie

108.3. In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 21], is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 18] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Holmel B.V.

Intrekking beroepsgronden

109. Ter zitting heeft Holmel B.V. haar beroepsgronden ten aanzien van het reconstructieplan en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen" ingetrokken.

Co-vergistingsinstallatie

110. Holmel B.V. betoogt dat ten onrechte in de planregels niet is omschreven wat onder een co-vergistingsinstallatie moet worden verstaan.

110.1. In de planregels ontbreekt een omschrijving van wat onder een co-vergistingsinstallatie moet worden verstaan. Het begrip co-vergistingsinstallatie is in het normaal spraakgebruik niet gangbaar. Gelet hierop had de raad dit begrip uit een oogpunt van rechtszekerheid moeten omschrijven in de planregels. Het plan is op dit punt vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van Holmel B.V. slaagt.

Aanduiding "overige zone - bufferzone 2"

111. Holmel B.V. betoogt dat ten onrechte aan een deel van haar perceel Aan de Heibloem 21 te Heythuysen (hierna: het perceel) de aanduiding "overige zone - bufferzone 2" is toegekend, waardoor op dit deel van het perceel (hierna: het desbetreffende gedeelte van het perceel) geen gebouwen mogen worden opgericht. Volgens Holmel B.V. wordt zij daardoor ernstig in haar belangen aangetast, omdat zij het voornemen heeft haar co-vergistingsinstallatie op het perceel uit te breiden. Ook is er volgens Holmel B.V. geen rechtvaardiging voor deze aanduiding. Zij stelt dat het desbetreffende gedeelte van het perceel maar aan één strook grond met de bestemming "Natuur" grenst en dat deze strook grond niet hydrologisch gevoelig is. Voorts is volgens haar ter plaatse geen beekdal aanwezig en zijn er ook geen plannen om een beekdal te realiseren.

111.1. Volgens de raad is ter plaatse wel een beekdal aanwezig.

111.2. Holmel B.V. exploiteert een co-vergistingsinstallatie op het perceel. Aan het desbetreffende gedeelte van het perceel is bestemming "Agrarisch met waarden - 1" met de aanduiding "overige zone - bufferzone 2" toegekend. Er staat geen bebouwing op het desbetreffende gedeelte van het perceel. Ten zuiden grenst het desbetreffende gedeelte van het perceel aan de beek de Visschensteert. Ten westen grenst het desbetreffende perceel aan een bosschage waaraan de bestemming "Natuur" is toegekend.

111.3. Ingevolge artikel 50, lid 50.9.2, van de planregels mag op de gronden met de aanduiding "overige zone - bufferzone 2" niet worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van 2 m.

111.4. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999". Onder dit voorheen geldende bestemmingsplan was aan het desbetreffende gedeelte van het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Binnen deze bestemming waren geen gebouwen toegestaan.

111.5. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de aanduiding "overige zone - bufferzone 2" zijn gemoeid dan aan het belang van Holmel B.V. bij uitbreiding van haar co-vergistingsinstallatie. Daargelaten het antwoord op de vraag of ter plaatse sprake is van een beekdal en of de strook grond met de bestemming "Natuur" hydrologisch gevoelig is, neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat het desbetreffende gedeelte van het perceel ten zuiden aan de beek de Visschensteert grenst en dat niet in geschil is dat dit een beek met natuurwaarden betreft. In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: het POL 2014) zijn deze beek en de omringende gronden aangewezen als "zone natuurbeek". In het POL 2014 staat dat inrichting en beheer van de natuurbeken zijn gericht op de natuurfunctie. Het gaat dan volgens het POL 2014 om het bereiken van ecologische doelen en de bijbehorende waterkwaliteit in de beek en de aangrenzende meanderzone, mogelijkheden voor vismigratie en natuurlijke systeemeigen processen, zoals het laten meanderen, het toestaan en soms reactiveren van natuurlijke inundaties en natuurlijk oever- en waterbeheer dat mede bijdraagt aan het herstel van de sponswerking. Voorts is van belang dat onder het voorheen geldende plan geen gebouwen waren toegestaan op het desbetreffende gedeelte van het perceel. Verder heeft Holmel B.V. niet aannemelijk gemaakt dat uitbreiding van co-vergistingsinstallatie noodzakelijk is om de continuering van haar bedrijf te verzekeren.

Het betoog van Holmel B.V. faalt.

Geurgevoelige functies

112. Holmel B.V. betoogt dat binnen de agrarische bestemmingen ten onrechte rechtstreeks nevenactiviteiten zijn toegestaan, waaronder een zorgboerderij. Volgens haar betreffen dit geurgevoelige functies die de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van haar co-vergistingsinstallatie zullen belemmeren. Zij wijst er daarbij op dat zorglandbouw ook buiten het hoofdgebouw mag worden uitgeoefend en dat de inhoud van een bedrijfswoning op grond van de planregels mag worden uitgebreid, zodat geurgevoelige functies dichter bij haar bedrijf kunnen komen te liggen. Ook is het volgens haar mogelijk dat een hoofdgebouw in gebruik kan worden genomen voor geurgevoelige functies, nu het hoofdgebouw niet de bedrijfswoning behoeft te zijn.

Holmel B.V. betoogt voorts dat binnen de bestemming "Wonen" ten onrechte rechtstreeks nevenactiviteiten mogelijk zijn en woningen kunnen worden uitgebreid waardoor geurgevoelige functies dichter bij haar bedrijf kunnen komen te liggen.

112.1. Volgens de raad ligt het dichtstbijzijnde bouwvlak met de bestemming "Wonen" op een afstand van ongeveer 30 m van het bedrijf van Holmel B.V., zodat het bedrijf van Holmel B.V. reeds wordt beperkt. De bouwmogelijkheden zijn volgens de raad ten opzichte van het voorheen geldende plan ongewijzigd gebleven en wordt gemeten tussen bouwvlakken, zodat het plan niet leidt tot extra beperkingen voor Holmel B.V. Ook is zorglandbouw volgens de raad geen geurgevoelig object, omdat de meeste activiteiten daarbij buiten worden uitgeoefend.

112.2. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak ligt op een afstand van ten minste ongeveer 10 m van het bouwvlak op het perceel [locatie 22] dat in eigendom is van [appellante sub 39]. Aan dit perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend.

Voorts is aan het perceel Aan de Heibloem 17 op een afstand van ten minste ongeveer 35 m van het bouwvlak op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" met een bouwvlak toegekend.

Aan het perceel Aan de Heibloem 19 is op een afstand van ten minste ongeveer 30 m van het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. De woning op dat perceel staat op een afstand van ten minste ongeveer 65 m van het bouwvlak op het perceel.

112.3. Ingevolge artikel 1, lid 1.68, van de planregels wordt onder hoofdgebouw verstaan een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Ingevolge lid 1.154 wordt onder zorgboerderij verstaan een agrarisch bedrijf dat zorgvragers (verstandelijk of lichamelijk gehandicapten, (ex)psychiatrische cliënten, cliënten uit de verslavingszorg of zorgbehoevende ouderen) dagbesteding biedt, waarbij nachtverblijf, feesten en partijen zijn uitgesloten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2 zijn binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" binnen het bouwvlak de volgende ondergeschikte nevenactiviteiten toegestaan:

a. een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

b. bed & breakfast in de (bedrijfs)woning ten behoeve van maximaal twee slaapplaatsen;

c. kleinschalige kampeeractiviteiten met maximaal 15 seizoenstandplaatsen op het erf;

d. detailhandel hoofdzakelijk in zelfgemaakte, - bewerkte, - gekweekte, - geteelde agrarische producten van het eigen bedrijf, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

e. zorglandbouw, uitsluitend in de vorm van dagbesteding, met dien verstande dat:

1. de gezamenlijke grondoppervlakte van de ondergeschikte nevenactiviteiten genoemd onder a t/m e niet meer mag bedragen dan

500 m²;

2. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden.

[…]

Voor de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" gelden gelijke planregels als de hiervoor geciteerde planregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - 1". Voorts is binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, aanhef en onder x, ter plaatse van de aanduiding "zorgboerderij" een zorgboerderij met bijbehorende voorzieningen toegestaan.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. uitoefening van bedrijf aan huis, zoals vermeld in categorie 1 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten bij de regels), of beroep aan huis, overeenkomstig het bepaalde in lid 29.5.1;

c. bijzondere woonvormen voor onder andere verstandelijk en lichamelijk gehandicapten

d. een bed & breakfast in het hoofdgebouw voor maximaal twee slaapplaatsen

[..]

u. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" tevens voor wonen uitsluitend ter plaatse van de toegestane bedrijfswoning al dan niet in combinatie met een niet volwaardig agrarisch bedrijf waarbij de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:

1. een kleinschalige horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

2. bed & breakfast in het hoofdgebouw ten behoeve van maximaal twee slaapplaatsen;

3. detailhandel in zelfgemaakte, - bewerkte, - gekweekte, - geteelde agrarische producten, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

4. zorglandbouw, uitsluitend in de vorm van dagbesteding; met dien verstande dat:

I. de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte nevenactiviteiten niet meer mag bedragen dan 500 m² per bouwvlak; waarbij de oppervlakte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' niet meetelt;

II. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden.

v. ter plaatse van de aanduiding "zorgboerderij" tevens voor een zorgboerderij met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 29.2.1, onder b en h, mag de inhoud van een woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, ten hoogste 900 m³ bedragen en mag herbouw van een bestaande woning uitsluitend plaatsvinden op de bestaande locatie.

112.4. Wat betreft de mogelijkheden voor nevenactiviteiten binnen de agrarische bestemmingen stelt de Afdeling vast dat het plan het mogelijk maakt op de agrarische percelen Aan de Heibloem 17 en [locatie 22] op kortere afstand tot haar perceel dan de bestaande bedrijfswoning op de genoemde agrarische percelen bedrijfsbebouwing op te richten en te gebruiken voor geurgevoelige functies. Het plan maakt op deze percelen een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid en detailhandel mogelijk binnen het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw behoeft thans niet een geurgevoelig object te zijn. Gelet op de definitie van hoofdgebouw in artikel 1, lid 1.68, van de planregels is een bedrijfswoning immers niet het hoofdgebouw binnen een agrarische bestemming, nu een bedrijfswoning binnen een agrarische bestemming niet het belangrijkste gebouw is. Ook maakt het plan op deze percelen zorglandbouw mogelijk. Daarbij staan de planregels er niet aan in de weg dat zorglandbouw voor langere tijd binnen bedrijfsbebouwing wordt uitgeoefend. Het is derhalve niet uitgesloten dat de mogelijkheden voor nevenactiviteiten op de agrarische percelen Aan de Heibloem 17 en [locatie 22] tot beperkingen voor Holmel B.V. zullen leiden. Anders dan bij bestemmingsplannen wordt in het kader van de milieuregelgeving niet gemeten tussen bouwvlakken, maar tussen een emissiepunt en een bestaand milieugevoelige object. Voorts neemt de omstandigheid dat de bouwmogelijkheden niet zijn gewijzigd ten opzichte van het voorheen geldende plan niet weg dat in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan telkens weer alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen. Daarbij dient te worden bezien in hoeverre onbenutte mogelijkheden uit het voorheen geldende plan nog aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft evenwel niet onderzocht en afgewogen of een afname van de afstand van geurgevoelige objecten op de percelen Aan de Heibloem 17 en [locatie 22] tot het perceel zal leiden tot beperkingen voor Holmel B.V. en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Niet duidelijk is geworden of en zo ja, in hoeverre het bedrijf van Holmel B.V. onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt dan wel dat daarvoor alleen een omgevingsvergunning voor een inrichting geldt.

Het betoog van Holmel B.V. slaagt.

112.5. Wat betreft de voorziene zorgboerderij op het perceel Karreveld 8 stelt de Afdeling vast dat de afstand van het perceel tot de voorziene zorgboerderij ongeveer 170 m bedraagt. Gelet op deze afstand heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat de voorziene zorgboerderij niet zal leiden tot beperkingen in de bedrijfsvoering van Holmel B.V.

Het betoog van Holmel B.V. faalt.

112.6. Wat betreft de bestemming "Wonen" stelt de Afdeling vast dat de meeste nevenactiviteiten binnen die bestemming alleen in het hoofdgebouw zijn toegestaan. Het hoofdgebouw binnen de bestemming "Wonen" is de woning die al een geurgevoelig object is. De enige nevenactiviteit die buiten het hoofdgebouw mag worden uitgeoefend is zorglandbouw ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf". Het meest nabijgelegen perceel waaraan deze aanduiding is toegekend betreft het perceel Aan de Heibloem 15. De mogelijkheden tot zorglandbouw op dit perceel zal niet leiden tot extra beperkingen ten opzichte van de bestaande legale situatie. De afstand van dit perceel tot het bouwvlak op het perceel bedraagt ongeveer 65 m en deze afstand is gelijk aan de afstand van de woning op het perceel Aan de Heibloem 19 tot het bouwvlak op het perceel.

De Afdeling stelt evenwel vast dat de afstand van de woning op het perceel Aan de Heibloem 19 tot het perceel kan afnemen als gevolg van het plan. Het plan maakt een rechtstreekse uitbreiding van deze woning tot een inhoud van 900 m3 mogelijk. Het is niet uitgesloten dat dit tot beperkingen voor Holmel B.V. zal leiden. De raad heeft evenwel niet onderzocht en afgewogen of een afname van de afstand van de woning op het perceel Aan de Heibloem 19 tot het perceel zal leiden tot beperkingen in de bedrijfsvoering van Holmel B.V. en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog van Holmel B.V. slaagt.

113. Holmel B.V. betoogt voorts dat ten onrechte in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden binnen de agrarische bestemmingen en "Wonen" niet de voorwaarde is opgenomen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en gebouwen niet mogen worden belemmerd.

113.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de toepassing van verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden altijd wordt beoordeeld of een ontwikkeling tot belemmeringen leidt en dat geen medewerking wordt verleend indien beperkingen ontstaan voor omliggende bedrijven. Volgens de raad kan geen rekening worden gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.

113.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.8.7, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" te wijzigen in de bestemming 'Wonen', onder de voorwaarden dat:

[…]

c. de belangen waaronder uitbreidingsmogelijkheden van de in de direct omgeving gelegen agrarische bedrijven niet worden geschaad.

113.3. De Afdeling overweegt dat niet is uitgesloten dat ontwikkelingen op de percelen Aan de Heibloem 17 en [locatie 22] met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" en op het perceel Aan de Heibloem 19 met de bestemming "Wonen" kunnen leiden tot beperkingen in de uitbreidingsmogelijkheden van Holmel B.V. In de wijzigingsbevoegdheden in artikel 4, lid 4.8.7, van de planregels voor het wijzigen van de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 1" in de bestemming "Wonen" is de voorwaarde opgenomen dat belangen waaronder uitbreidingsmogelijkheden van de in de direct omgeving gelegen agrarische bedrijven niet worden geschaad. In de andere wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden binnen de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 1" en "Wonen" is deze voorwaarde niet opgenomen. De raad heeft niet gemotiveerd waarom deze voorwaarde in die wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden niet is opgenomen. Het plan is op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog van Holmel B.V. slaagt.

Conclusie

114. In hetgeen Holmel B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid, voor zover daarin niet is omschreven wat onder het begrip

co-vergistingsinstallatie moet worden verstaan. In hetgeen Holmel B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor de percelen Aan de Heibloem 17 en [locatie 22] en de bestemming "Wonen" voor het perceel Aan de Heibloem 19, is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het beroep van Holmel B.V. is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Vokar B.V.

Intrekking beroepsgronden

115. Ter zitting heeft Vokar B.V. haar beroepsgronden ten aanzien van het reconstructieplan, de mogelijkheden voor vormvlakverandering en vergroting van het bouwvlak van een intensieve veehouderij en de maximale grootte van het bouwvlak ingetrokken.

Intensieve veehouderij

116. Vokar B.V. betoogt dat ten onrechte de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" niet zijn toegekend aan het perceel Karreveld 4 te Heibloem. Volgens haar heeft zij rechten om op dit perceel mestvee te houden en om meer dan 200 melkkoeien te houden. Voorts wil zij de mogelijkheid behouden om op haar perceel mestvee te houden.

116.1. Aan het perceel Karreveld 4 is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.76, van de planregels wordt onder intensieve graasdierveehouderij verstaan het bedrijfsmatig houden van meer dan 200 melkkoeien waarvan een deel of alle melkkoeien permanent worden opgestald.

Ingevolge lid 1.77 wordt onder intensieve veehouderij verstaan het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensieve veehouderij wordt onder andere gedoeld op varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, vleesstieren, (vlees)geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders of een combinatie daarvan.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder j en n, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden onder meer bestemd voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" tevens voor een graasdierveehouderij.

116.2. Voor zover Vokar B.V. aanvoert dat ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel Karreveld 4 is toegekend, overweegt de Afdeling dat aan Vokar B.V. bij besluit van 25 augustus alleen een milieuvergunning is verleend voor het houden van melkkoeien en niet voor het houden van vleeskalveren dan wel vleesstieren. Het bedrijf van Vokar B.V. is derhalve geen intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 1, lid 1.77, van de planregels. Gelet hierop behoefde de raad in redelijkheid niet de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel Karreveld 4 toe te kennen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat Vokar B.V. niet te kennen heeft gegeven het voornemen te hebben om op dit perceel mestvee te houden.

De raad stelt zich evenwel op het standpunt dat ten onrechte aan het perceel Karreveld 4 niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van Vokar B.V. slaagt.

Maximale bouwhoogte sleufsilo’s

117. Vokar B.V. betoogt dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat sleufsilo's een maximale bouwhoogte van 2 m mogen hebben. Volgens haar bieden sleufsilo’s met een bouwhoogte van 2 m onvoldoende opslagcapaciteit voor haar bedrijf, terwijl zij op dit moment al kampt met een tekort aan voeropslag en het aantal koeien en de voederbehoefte alleen maar zal toenemen. Een maximale hoogtemaat van 4 m zou wel voldoen. Zij voert verder aan dat geen ruimtelijke belemmeringen aanwezig zijn, omdat de sleufsilo's binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en binnen een bouwvlak voor gebouwen en andere bouwwerken veel hogere maximale bouwhoogtes zijn toegestaan.

118. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder g en h, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 7,2 m en dat de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 12 .

Ingevolge lid 4.2.2, onder e en f, geldt voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) dat de goothoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 6 m en dat de bouwhoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 9 m

Ingevolge lid 4.2.4, onder k, mogen overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte hebben van

1. 1 m voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn;

2. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn;

3. 2 m voor sleufsilo's;

4. 5 m voor teeltondersteunende voorzieningen

5. 6 m voor lichtmasten;

6. 6 m voor mestsilo's, niet zijnde kunstmestsilo's;

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

8. 6 m voor waterbassins;

9. 12 m voor voedersilo's, kunstmestsilo's en spuiwateropslag;

10. 6 m voor andere overige bouwwerken

Ingevolge lid 4.3 kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de landschappelijke inpassing (bebouwde en onbebouwde beeldkwaliteit) van het bouwvlak of de kavel [..].

119. Uit het deskundigenbericht volgt dat de maximale bouwhoogte voor sleufsilo's met het onderhavige plan is verlaagd van 8 m tot 2 m. De beperking van de hoogte van sleufsilowanden tot maximaal 2 m heeft tot gevolg dat in veel gevallen de hoogte van het opgeslagen veevoer de hoogte van de wanden ruimschoots zal overschrijden. Deze "kop" wordt dan vervolgens veelal afgedekt met plastic en autobanden. De ruimtelijke uitstraling van de sleufsilo's wordt dan ook niet zozeer gekenmerkt door de hoogte van de keermuren, maar meer door de "kop" van de kuil die boven de silowanden uitsteekt. Dit levert een weinig fraai gezicht op, aldus het deskundigenbericht. Verder wordt opgemerkt dat andere agrarische bebouwing op bouwvlakken (aanzienlijk) hoger mag zijn dan de 2 m die voor sleufsilo's is toegestaan. Ook al zijn de wanden van sleufsilo's langgerekt, in combinatie met andere agrarische bedrijfsbebouwing zullen de ruimtelijke implicaties van hogere silowanden relatief gering zijn. Bovendien kan worden opgemerkt dat deze sleufsilo's doorgaans worden geplaatst direct bij of te midden van de overige bedrijfsbebouwing. Ten slotte wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat het college van burgemeester en wethouders op grond van de planregels nadere eisen kan stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing op een bouwvlak en aan de landschappelijke inpassing van een bouwvlak ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en de beeldkwaliteit van de naaste omgeving, ter waarborging van een compacte situatie (vanuit ruimtelijk oogpunt) en ter waarborging van de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied.

119.1. De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te kiezen voor algemeen geldende hoogtebeperkingen van bepaalde voorzieningen in agrarisch gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s zodanig verschilt van de ruimtelijke uitstraling van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, mestsilo’s en voedersilo’s waarvoor een hogere maximale bouwhoogte is toegestaan, te meer nu uit het deskundigenbericht volgt dat sleufsilo's doorgaans worden geplaatst direct bij of te midden van de overige bedrijfsbebouwing, zoals op het perceel van Vokar B.V. het geval is, zodat de silo’s niet of nauwelijks zichtbaar zijn in het open agrarisch gebied. Verder heeft de raad niet gemotiveerd waarom sleufsilo’s hoger dan 2 m door het stellen van nadere eisen niet landschappelijk zouden kunnen worden ingepast. Voorts is van belang dat Vokar B.V. ter zitting erop heeft gewezen dat vanwege de groei van haar bedrijf behoefte bestaat aan meer opslagcapaciteit van veevoer. Bij een hoogte van 2 m van de sleufsilowanden kan het voer minder goed uitgespreid en aangestampt worden dan bij een hoogte van 4 m, terwijl een luchtarme en compacte opslag van belang is voor een betere kwaliteit van het veevoer. Uit het bestreden besluit volgt niet op welke wijze de raad rekening heeft gehouden met het belang van Vokar B.V. bij extra opslagcapaciteit. De raad heeft ter zitting ten slotte toegelicht dat de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s met name wordt gekenmerkt door de met plastic en autobanden bedekte "kop" van de kuil die boven de silowanden uitsteekt. Voor de opslag van veevoer in de sleufsilo’s is echter geen maximale hoogte opgenomen, zodat met het opnemen van een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s de hoogte van deze "kop" niet wordt beperkt.

Het betoog van Vokar B.V. slaagt.

Aanduiding "overige zone - bufferzone 1"

120. Vokar B.V. betoogt dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel Karreveld 4 de aanduiding "overige zone - bufferzone 1" is toegekend.

120.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel Karreveld 4 de aanduiding "overige zone - bufferzone 1" is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van Vokar B.V. slaagt.

Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen"

121. Vokar B.V. betoogt voorts dat binnen de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen" ten onrechte alleen bebouwing ten behoeve van de primaire bestemming door middel van een afwijkingsbevoegdheid is toegestaan. Volgens Vokar B.V. is deze planregeling onnodig beperkend, omdat de waterlopen reeds beschermd worden door de keur van het waterschap.

121.1. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht staat dat de bestemming "Waterstaat - Waterlopen" niet aan gronden van Vokar B.V. is toegekend. Vokar B.V. heeft dit niet betwist. Gelet hierop is de bestemming "Waterstaat - Waterlopen" niet beperkend voor Vokar B.V..

Het betoog van Vokar B.V. faalt.

Geurgevoelige functies

122. Vokar B.V. betoogt dat er binnen de agrarische bestemmingen en de bestemming "Wonen" zoals toegekend aan omliggende percelen ten onrechte te ruime bouwmogelijkheden en mogelijkheden voor nevenactiviteiten zijn. Volgens haar kunnen geurgevoelige functies daardoor dichter bij haar bedrijf komen te liggen waardoor haar bedrijf en haar uitbreidingsmogelijkheden zullen worden beperkt. Zij wijst er daarbij op dat de inhoud van een bedrijfswoning dan wel een burgerwoning op grond van de planregels mag worden uitgebreid en dat nieuwe bijgebouwen mogen worden opgericht. Ook wijst zij erop dat zorglandbouw ook buiten het hoofdgebouw mag worden uitgeoefend.

122.1. Volgens de raad ligt het dichtstbijzijnde bouwvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel Karreveld 3 een afstand van ongeveer 25 m van het bedrijf van Vokar B.V., maar betreft dit een bestaande situatie. Het bedrijf van Vokar B.V. wordt volgens de raad dus reeds beperkt. Verder zijn de bouwmogelijkheden volgens de raad ten opzichte van het voorheen geldende plan ongewijzigd gebleven en wordt gemeten tussen bouwvlakken, zodat het plan niet leidt tot extra beperkingen voor Vokar B.V.

122.2. De melkveehouderij van Vokar B.V. valt onder de werking van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) en ligt buiten de bebouwde kom.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor melkvee is geen geuremissiefactor vastgesteld.

122.3. De afstand van het bouwvlak op het perceel tot het meest nabijgelegen agrarische bouwvlak bedraagt ongeveer 80 m. De afstand van het bouwvlak op perceel tot de meest nabijgelegen gronden met de bestemming "Wonen" bedraagt ten minste ongeveer 27 m. Dit betreft het perceel Karreveld 3. De afstand van de woning op dit perceel tot het bouwvlak op het perceel bedraagt ten minste ongeveer 37 m. De afstand van deze woning tot de bestaande bedrijfsbebouwing van Vokar B.V. bedraagt ongeveer 100 m.

122.4. De Afdeling stelt vast dat het bedrijf van Vokar B.V. niet zal worden beperkt door de bestreden mogelijkheden binnen de agrarische bouwvlakken. Voor de melkveehouderij van Vokar B.V. geldt op grond van artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wgv een afstand van 50 m tot geurgevoelige objecten, terwijl het meest nabijgelegen agrarische bouwvlak op een afstand van ongeveer 80 m van het perceel ligt.

Het plan maakt het binnen de bestemming "Wonen" mogelijk de woning uit te breiden. Als gevolg daarvan kan de afstand van meest nabijgelegen woning op het perceel Karreveld 3 tot het bouwvlak op het perceel kleiner worden. De uitbreidingsmogelijkheden van Vokar B.V. zullen daardoor, anders dan de raad meent, worden beperkt. Anders dan bij bestemmingsplannen wordt in het kader van de milieuregelgeving niet gemeten tussen bouwvlakken, maar tussen een emissiepunt en een bestaand milieugevoelige object. Voorts neemt de omstandigheid dat de bouwmogelijkheden niet zijn gewijzigd ten opzichte van het voorheen geldende plan niet weg dat in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan telkens weer alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen. Daarbij dient te worden bezien in hoeverre onbenutte mogelijkheden uit het voorheen geldende plan nog aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft evenwel niet afgewogen of beperkingen in de uitbreidingsmogelijkheden van Vokar B.V. aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog van Vokar B.V. slaagt.

123. Vokar B.V. betoogt voorts dat ten onrechte in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden binnen de agrarische bestemmingen en "Wonen" niet de voorwaarde is opgenomen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en gebouwen niet mogen worden belemmerd.

123.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de toepassing van verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden altijd wordt beoordeeld of een ontwikkeling tot belemmeringen leidt en dat geen medewerking wordt verleend indien beperkingen ontstaan voor omliggende bedrijven. Volgens de raad kan geen rekening worden gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.

123.2. De Afdeling overweegt dat ontwikkelingen binnen de bestemming "Wonen" tot beperkingen in de uitbreidingsmogelijkheden van Vokar B.V. kunnen leiden. In de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.8.7 voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" in de bestemming "Wonen" is de voorwaarde opgenomen dat belangen waaronder uitbreidingsmogelijkheden van de in de direct omgeving gelegen agrarische bedrijven niet worden geschaad. In de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden binnen de bestemming "Wonen" is deze voorwaarde niet opgenomen. De raad heeft niet gemotiveerd waarom deze voorwaarde in die wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden niet is opgenomen. Het plan is op dit punt dus vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog van Vokar B.V. slaagt.

Conclusie

124. In hetgeen Vokar B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel Karreveld 4, voor zover daaraan niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" is toegekend, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen Vokar B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft artikel 4, lid 4.2.4, onder k, sub 3, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb en, wat betreft de aanduiding "overige zone - bufferzone 1" voor het perceel Karreveld 4, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen Vokar B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling ten slotte aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Karreveld 3, is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het beroep van Vokar B.V. is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 39]

Bouwvlak

125. [appellante sub 39] betoogt dat ten onrechte aan het onbebouwde zuidwestelijke gedeelte van haar perceel [locatie 22] te Heibloem geen bouwvlak is toegekend, terwijl daaraan onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Roggel en Neer" wel een bouwvlak was toegekend.

125.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om geen bouwvlak aan het zuidwestelijke gedeelte van het perceel [locatie 22] toe te kennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 27 november 2007 op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling heeft verleend aan [appellante sub 39] voor bebouwing in extensiveringsgebied aan de oostelijke zijde van het perceel [locatie 22]. Daarbij is toen besloten dat ter compensatie daarvan het zuidwestelijke gedeelte van dit perceel zou worden onttrokken aan het bouwvlak. Voorts is van belang dat [appellante sub 39] geen concrete plannen heeft voor bebouwing op het zuidwestelijke gedeelte van het perceel [locatie 22].

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5"

126. [appellante sub 39] betoogt voorts dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel [locatie 22] de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend.

126.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel [locatie 22] de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

Aanduiding "overige zone - bufferzone 1"

127. [appellante sub 39] betoogt dat ten onrechte aan het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie 22] de aanduiding "overige zone - bufferzone 1" is toegekend.

127.1. De Afdeling overweegt dat het standpunt van de raad onduidelijk is. Enerzijds heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de aanduiding "overige zone - bufferzone 1" terecht aan het zuidelijke gedeelte van het perceel is toegekend. Anderzijds heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij gaat controleren en heroverwegen of deze aanduiding terecht is toegekend aan het zuidelijke gedeelte van het perceel. Gelet op dit onduidelijke standpunt van de raad is het plan op dit punt niet zorgvuldig voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

Plantoelichting

128. [appellante sub 39] betoogt voorts dat de omschrijving in de plantoelichting van de mogelijkheden voor intensieve veehouderijen niet in overeenstemming is met het reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg.

128.1. De Afdeling overweegt dat de plantoelichting geen deel uitmaakt van het plan. Dit betekent dat geen bindende betekenis toekomt aan de plantoelichting en de daarin opgenomen omschrijving van de mogelijkheden voor intensieve veehouderijen. Dit betoog kan derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

Omschrijving extensiveringsgebied

129. [appellante sub 39] betoogt dat de omschrijving van het begrip extensiveringsgebied in artikel 1, lid 1.59, van de planregels ten onrechte niet overeenkomt met de omschrijving van het begrip extensiveringsgebied in het reconstructieplan.

129.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omschrijving van het begrip extensiveringsgebied in de planregels onjuist is. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

Zonering intensieve veehouderij

130. [appellante sub 39] betoogt dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel [locatie 22] de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" is toegekend. Zij wijst er daarbij op dat in het POL 2014 dit perceel niet meer in het extensiveringsgebied is opgenomen. Ook worden volgens haar in het extensiveringsgebied in strijd met het reconstructieplan te veel beperkingen gesteld aan intensieve veehouderijen. Verder zijn volgens [appellante sub 39] ten onrechte de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden niet aangeduid op de verbeelding. [appellante sub 39] wijst er daarbij op dat het perceel [locatie 22] in het reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg deels in extensiveringsgebied, deels in landbouwontwikkelingsgebied en deels in het verwevingsgebied is gelegen.

130.1. [appellante sub 39] exploiteert een intensieve varkenshouderij op het perceel [locatie 22]. Aan dit perceel zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 4" en "Agrarisch met waarden - 1" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1 is een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voorts is aan een gedeelte van het perceel [locatie 22] de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens bestemd voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 50, lid 50.16, geldt ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" dat die gronden zijn aangewezen als extensiveringsgebieden zoals bedoeld in de Rcw, waarbinnen uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderij niet mogelijk is dan wel onmogelijk wordt gemaakt, met uitzondering van vormverandering om te voldoen aan eisen van dierwelzijn en gezondheid, mits voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden.

130.2. Voor zover [appellante sub 39] aanvoert dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel [locatie 22] de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" is toegekend, overweegt de Afdeling dat in het reconstructieplan is vermeld dat artikel 27, eerste lid, van de Rcw van toepassing is op de in het reconstructieplan opgenomen zonering. Hieruit volgt dat de zonering bindend doorwerkt naar het bestemmingsplan. Omtrent de zonering van de intensieve veehouderij is derhalve geen nadere afweging van de raad vereist. Derhalve heeft de raad door het toekennen van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" terecht niet binnen het extensiveringsgebied, zoals bedoeld in het reconstructieplan, voorzien in de uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderijen. De omstandigheid dat het perceel [locatie 22] in het POL 2014 niet meer in het extensiveringsgebied is opgenomen doet daaraan niet af, nu het POL 2014 ten tijde van de vaststelling van het plan geen geldend beleid was.

De Afdeling overweegt evenwel dat in artikel 50, lid 50.16, van de planregels is bepaald dat vormverandering alleen is toegestaan om te voldoen aan eisen van dierwelzijn en gezondheid. In haar uitspraak over het reconstructieplan van 6 juli 2005 in zaak nr.200405077/1 heeft de Afdeling overwogen dat zich situaties voordoen waarbij de bestaande bouwmogelijkheden binnen een bouwkavel van een intensieve veehouderij uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn en de door de ondernemer gewenste vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging op grond van artikel 4 van de Rcw moeten worden betrokken. De Afdeling was van oordeel dat in dergelijke gevallen het reconstructieplan ruimte diende te laten voor een uitzondering op het uitgangspunt dat vormverandering in extensiveringsgebieden niet is toegestaan. Naar aanleiding van de voormelde uitspraak hebben provinciale staten het reconstructieplan gewijzigd vastgesteld door in dergelijke situaties vormverandering toe te staan.

Artikel 50, lid 50.16, van de planregels maakt vormverandering in dergelijke situaties evenwel niet mogelijk. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met het reconstructieplan.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

130.3. Voor zover [appellante sub 39] aanvoert dat ten onrechte in het plan niet de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden zijn aangeduid, overweegt de Afdeling dat in het reconstructieplan staat dat gemeenten een bestaande bestemming niet behoeven te wijzigen in de bestemming "landbouwontwikkelingsgebied, "verwevingsgebied" of extensiveringsgebied", maar er alleen zorg voor moeten dragen dat in deze zones geen bestemmingen of planregels blijven gelden die in strijd zijn met de zonering zoals opgenomen in het reconstructieplan. [appellante sub 39] heeft niet te kennen gegeven dat de planregels en bestemmingen binnen de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden niet in overeenstemming zijn met het reconstructieplan.

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

Mogelijkheden uitbreiding of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij

131. [appellante sub 39] betoogt dat ten onrechte in artikel 4, lid 4.8.1 en artikel 7, lid 7.8.1, van de planregels is bepaald dat de wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding of vormverandering van het bouwvlak niet mogen worden toegepast ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - extensiveringsgebied". Dit is volgens haar niet in overeenstemming met het reconstructieplan.

131.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.8.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarden dat:

a. de uitbreiding of vormverandering niet ligt ter plaatse van de aanduiding "overige zone - kernrandzone";

b. de uitbreiding of vormverandering niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - extensiveringsgebied" (lees: reconstructiewetzone - extensiveringsgebied) ;

c. de uitbreiding of vormverandering er niet toe mag leiden dat het bouwvlak groter wordt dan 2,5 ha;

d. de uitbreiding of vormverandering noodzakelijk is in verband met bedrijfseconomische dan wel andere zwaarwegende bedrijfsomstandigheden en dit wordt aangetoond aan de hand van een actueel en onderbouwd bedrijfsontwikkelingsplan;

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden en functies;

f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden, (agrarische) bedrijven en andere omgevingswaarden;

g. er voldaan is aan de eisen die gesteld zijn in de Nota Kwaliteit zoals opgenomen in 'Bijlage 5 Nota Kwaliteit' bij de regels;

h. landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden;

i. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;

j. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht;

k. er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

In artikel 7, lid 7.8.1, van de planregels zijn voor de wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" dezelfde voorwaarden opgenomen.

131.2. Zoals de Afdeling onder 130.2 heeft overwogen, hebben provinciale staten het reconstructieplan gewijzigd vastgesteld door vormverandering van het bouwvlak van intensieve veehouderijen in situaties waarbij de bestaande bouwmogelijkheden binnen een bouwkavel van een intensieve veehouderij uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn en de door de ondernemer gewenste vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging op grond van artikel 4 van de Rcw moeten worden betrokken toe te staan. Het plan maakt evenwel vormveranderingen in dergelijke situaties niet mogelijk door de voorwaarde in de planregels dat de uitbreiding of vormverandering niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied". Het plan is zoverre vastgesteld in strijd met het reconstructieplan.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

132. [appellante sub 39] betoogt voorts dat in artikel 4, lid 4.6.4 en 4.8.1 en artikel 7, lid 7.8.1 van de planregels ten onrechte is bepaald dat geen sprake mag zijn van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Volgens haar is deze voorwaarde niet nodig, omdat de Nbw 1998 reeds in deze toetsing voorziet.

132.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1, onder j voor het gebruik van de gronden buiten de aanduiding "intensieve veehouderij" voor intensieve veehouderij, onder de voorwaarden dat:

a. de vergroting is gelegen binnen het bestaande bouwvlak;

b. er geen sprake is van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone";

c. de vergroting niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - extensiveringsgebied" (lees: reconstructiewetzone - extensiveringsgebied);

d. het bouwvlak kleiner is dan 2,5 ha;

e. de vergroting niet meer bedraagt dan 15% van het bestaande bouwvlak;

f. het aantal dieren niet toeneemt ten opzichte van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

g. de wijziging noodzakelijk zijn in het kader van dierenwelzijn;

h. de wijziging niet gerealiseerd kan worden door middel van vormverandering van de aanduiding 'intensieve veehouderij' zoals bedoeld in lid 4.6.3;

i. er voldaan is aan de eisen die gesteld zijn in de Nota Kwaliteit zoals opgenomen in 'Bijlage 5 Nota Kwaliteit' bij de regels;

j. de bedrijfsperceel landschappelijk wordt ingepast, waarbij de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden;

k. er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

132.2. Zoals de Afdeling onder 20.11 heeft overwogen is met de door [appellante sub 39] bestreden voorwaarde kennelijk bedoeld aan te sluiten bij artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998. Het gevolg van de door de raad gekozen regeling is dat de beoordeling of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden, verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan optreden of zich een significant verstorend effect kan voordoen op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, plaatsvindt bij de vaststelling van een wijzigingsplan dan wel de verlening van een omgevingsvergunning. Uit de bewoordingen van artikel19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw 1998 volgt echter dat de daar bedoelde beoordelingen moeten worden verricht voordat het desbetreffende plan wordt vastgesteld, en dat ze moet worden verricht door het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit tot vaststelling te nemen; in het geval van een bestemmingsplan dus door de raad. De beoordeling of het plan enig verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, de beoordeling of het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben, en de beoordeling of de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, kunnen derhalve niet pas plaatsvinden bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dan wel de verlening van de omgevingsvergunning.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

133. [appellante sub 39] voert verder aan dat de voorwaarden voor vormverandering van de aanduiding "intensieve veehouderij" in artikel 4, lid 4.6.3, onder d en e, van de planregels onevenredig bezwarend zijn. Volgens haar is het niet nodig deze voorwaarden te stellen bij een vormverandering van de aanduiding "intensieve veehouderij", omdat mag worden aangenomen dat in zo’n geval de effecten niet ingrijpend zijn.

133.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders (lees: het bevoegd gezag) binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1 onder j voor het wijzigen van de ligging van de aanduiding 'intensieve veehouderij', onder de voorwaarden dat:

a. de oppervlakte van de aanduiding niet wordt vergroot;

b. het aantal dieren niet toeneemt;

c. de wijziging noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn;

d. ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" aangetoond is dat:

1. de bestaande vorm van de aanduiding 'intensieve veehouderij' vanuit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig is;

2. per saldo geen negatieve invloed ontstaat op de ruimtelijke structuur van het gebied, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur en het woon- en leefklimaat;

e. er voldaan is aan de eisen die gesteld zijn in de Nota Kwaliteit zoals opgenomen in Bijlage 5 Nota Kwaliteit bij de regels;

f. het bedrijfsperceel landschappelijk wordt ingepast, waarbij de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden.

133.2. Wat betreft de voorwaarde in artikel 4, lid 4.6.3, onder d, van de planregels, overweegt de Afdeling dat deze voorwaarde overeenkomt met de voorwaarde voor vormverandering binnen een extensiveringsgebied in het gewijzigd vastgestelde reconstructieplan. Gelet hierop heeft de raad deze voorwaarde terecht gesteld. Wat betreft de voorwaarde in lid 4.6.3, onder e, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid deze voorwaarde heeft kunnen stellen met het oog op de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De omstandigheid dat lid 4.6.3 een bevoegdheid betreft om de ligging van de aanduiding van de "intensieve veehouderij" te wijzigen doet daaraan niet af, nu de toepassing van deze bevoegdheid met zich brengt dat de bebouwing bij een intensieve veehouderij kan worden uitgebreid.

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

134. [appellante sub 39] betoogt voorts dat in de planregels ten onrechte is bepaald het bouwvlak voor een intensieve veehouderij en de aanduiding "intensieve veehouderij" binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" tot slechts 2,5 ha mag worden uitgebreid, terwijl onder het voorheen geldende plan het bouwvlak tot 4 ha mocht worden uitgebreid. Zij wijst er daarbij op dat de raad op 26 juni 2012 heeft besloten medewerking te verlenen aan een plan van [appellante sub 39] om het bouwvlak op het perceel [locatie 22] tot 3,26 ha uit te breiden.

134.1. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hij geen ruimtelijke bezwaren heeft tegen een bouwvlak op het perceel dat groter is dan 2,5 ha. Nu de raad zich in zoverre op

een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

135. [appellante sub 39] betoogt verder dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat de landschappelijke inpassing bij intensieve veehouderijen binnen het bouwvlak dient plaats te vinden. Volgens haar worden de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen ernstig beperkt. Zij wijst er ook op dat bij andere bestemmingen niet de eis wordt gesteld dat de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden.

135.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid de voorwaarde heeft kunnen stellen dat bij vormvlakverandering of vergroting van het bouwvlak voor een intensieve veehouderij de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden. Daarmee is verzekerd dat landschappelijke inpassing plaatsvindt nabij de nieuwe bebouwing om de nadelige landschappelijke effecten daarvan zoveel mogelijk weg te nemen. [appellante sub 39] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar uitbreidingsmogelijkheden door deze voorwaarde ernstig worden beperkt. Voor zover zij erop wijst dat in het ontwerpplan "Vergroting bouwvlak [locatie 22]" de landschappelijke inpassing buiten het bouwvlak is voorzien, overweegt de Afdeling dat een ontwerpplan wordt voorbereid door het college van burgemeester en wethouders. De raad is niet gebonden aan het standpunt van het college. Voor zover [appellante sub 39] aanvoert dat bij andere bestemmingen niet de eis wordt gesteld dat landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden, overweegt de Afdeling dat alleen binnen de agrarische bestemmingen de mogelijkheid is opgenomen om de vorm van het bouwvlak te veranderen of te vergroten.

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen"

136. [appellante sub 39] betoogt voorts dat binnen de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen" ten onrechte alleen bebouwing ten behoeve van de primaire bestemming door middel van een afwijkingsbevoegdheid is toegestaan. Volgens haar is deze planregeling onnodig beperkend, omdat de waterlopen reeds beschermd worden door de keur van het waterschap.

136.1. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht staat dat de bestemming "Waterstaat - Waterlopen" niet aan gronden van [appellante sub 39] is toegekend. [appellante sub 39] heeft dit niet betwist. Gelet hierop is de bestemming "Waterstaat - Waterlopen" niet beperkend voor [appellante sub 39].

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

Geurgevoelige functies

137. [appellante sub 39] betoogt dat er binnen de agrarische bestemmingen en de bestemming "Wonen" van omliggende percelen ten onrechte te ruime bouwmogelijkheden en mogelijkheden voor nevenactiviteiten zijn. Volgens haar kunnen geurgevoelige functies daardoor dichter bij haar bedrijf komen te liggen waardoor haar bedrijf en haar uitbreidingsmogelijkheden zullen worden beperkt. Zij wijst er daarbij op dat de inhoud van een bedrijfswoning dan wel een burgerwoning op grond van de planregels mag worden uitgebreid en dat nieuwe bijgebouwen mogen worden opgericht. Ook wijst zij erop dat zorglandbouw ook buiten het hoofdgebouw mag worden uitgeoefend. [appellante sub 39] vreest in het bijzonder de gevolgen van de voorziene zorgboerderij op het perceel Karreveld 8. Volgens haar heeft de raad onvoldoende onderbouwd dat de voorziene zorgboerderij niet tot beperkingen in haar bedrijfsvoering en haar uitbreidingsmogelijkheden zal leiden en dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat is verzekerd.

137.1. Volgens de raad zijn de bouwmogelijkheden binnen de agrarische bestemming en de bestemming "Wonen" ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999" en wordt gemeten tussen bouwvlakken zodat het plan niet leidt tot extra beperkingen voor [appellante sub 39]. Ook de voorziene zorgboerderij zal volgens de raad niet tot beperkingen voor [appellante sub 39] leiden.

137.2. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak ligt op een afstand van ten minste ongeveer 10 m van het bouwvlak op perceel Aan de Heibloem 21 dat in eigendom is van Holmel B.V. Aan dit perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend. De dichtstbijzijnde bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" liggen op een afstand van ongeveer 100 tot 140 m van het bouwvlak op het perceel. Deze bestemmingsvlakken liggen buiten de bebouwde kom. De afstand van het bouwvlak tot de gronden op het perceel met de aanduiding "zorgboerderij" bedraagt ongeveer 130 m.

137.3. De intensieve varkenshouderij van [appellante sub 39] valt onder de werking van de Wgv.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv, wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

137.4. Op 24 augustus 2012 heeft het bureau Aelmans Ruimtelijke Ontwikkeling het rapport "Ruimtelijke onderbouwing, Karreveld 8 te Heibloem" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de ontwikkeling van een zorgboerderij zal plaatsvinden in de bestaande boerderij en in een te realiseren bijgebouw. Het doel is om in de nabije toekomst het bijgebouw te realiseren als atelier, houtbewerkingsruimte en boerderijwinkel. Om te beoordelen of het planvoornemen van de initiatiefnemer een beperking oplevert voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van dit bedrijf is een geurberekening door de gemeente Leudal uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat onderhavig planvoornemen er niet toe leidt dat er een extra beperking ontstaat ten opzichte van de bestaande vigerende situatie. In de bestaande situatie is reeds een bijgebouw aanwezig in de achtertuin van Karreveld 8. Volgens nieuwe milieutechnische jurisprudentie zijn bijgebouwen bij een woning geurgevoelig. Dit betekent dat bij een uitbreiding van het bedrijf van de familie Vossen dit bijgebouw als toetspunt dient te worden gehanteerd. Bij de laatste uitbreiding van het bedrijf is getoetst op de achtergevel van de boerderij. Dit leidt ertoe dat het bedrijf geurtechnisch op slot zit, aangezien in de toekomst op kortere afstand getoetst moet worden. De bouwvergunning voor het nog te bouwen nieuwe bijgebouw kent als voorwaarde dat indien het nieuwe bijgebouw wordt gebouwd, het bestaande bijgebouw moet worden gesloopt. Uit de berekening volgt dat het nieuwe bijgebouw wordt gesitueerd op de grens van de bestaande 14 OU-contour. Het planvoornemen van initiatiefnemer is om het vergunde bijgebouw een kwartslag te draaien. Daarmee komt het bijgebouw buiten de 14 OU-contour te liggen en zal het niet het eerste toetspunt vormen voor het bedrijf van Vossen en daarmee niet leiden tot een extra belemmering ten opzichte van de bestaande situatie.

137.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e en f, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, de volgende regels:

[..]

e. De bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend achter de achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd;

f. In afwijking van het bepaalde onder e dient, indien geen bedrijfswoning binnen het bouwvlak aanwezig is, de afstand van bedrijfsgebouwen tot de openbare weg minimaal 20 meter te bedragen;

[..]

Ingevolge lid 4.2.2, aanhef en onder b, c en g, gelden voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" de volgende regels:

[..]

b. De afstand van een bestaande bedrijfswoning tot de naar de openbare weg gekeerde grens van het bouwvlak dient minimaal de bestaande afstand te bedragen.

c. Herbouw van een bestaande bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden op de bestaande locatie.

[..]

137.6. Wat betreft de bestemming "Wonen" overweegt de Afdeling dat binnen die bestemming woningen kunnen worden uitgebreid tot een inhoud van 900 m3. Daardoor kan de afstand van woningen op nabijgelegen percelen tot het bedrijf van [appellante sub 39] kleiner worden. De raad heeft een geurberekening van 10 februari 2011 overgelegd waarin de geurbelasting ter plaatse van nabijgelegen woonpercelen als gevolg van het bedrijf van [appellante sub 39] is berekend. Uit deze geurberekening volgt dat op de percelen Asbroek 13, Karreveld 5, Karreveld 8, Karreveld 9 en Aan de Heibloem 19 de geurbelasting twaalf of meer odour units bedraagt. Daarbij is uitgegaan van de vergunde situatie van [appellante sub 39] in 2009, terwijl nadien een nieuwe omgevingsvergunning voor een inrichting aan [appellante sub 39] is verleend. In de geurberekening is dus niet uitgegaan van de actuele vergunde situatie. Gelet hierop kan een kleinere afstand van de woningen op deze percelen tot het bedrijf van Vossen Leudal Onroerend tot beperkingen voor haar bedrijf leiden. In het kader van de milieuregelgeving wordt niet gemeten tussen bouwvlakken, maar tussen een emissiepunt en een bestaand milieugevoelige object. Voorts neemt de omstandigheid dat de bouwmogelijkheden niet zijn gewijzigd ten opzichte van het voorheen geldende plan niet weg dat in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan telkens weer alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen. Daarbij dient te worden bezien in hoeverre onbenutte mogelijkheden uit het voorheen geldende plan nog aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft evenwel niet afgewogen of beperkingen voor het bedrijf van [appellante sub 39] aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

137.7. Wat betreft de voorziene zorgboerderij op het perceel Karreveld 8 overweegt de Afdeling dat uit de geurberekening van 10 februari 2011 volgt dat het aantal odour units ter plaatse van het bestaande bijgebouw 14,2 bedraagt. Ter plaatse van het bestaande bijgebouw is dus reeds sprake is van een overbelaste situatie. Daarbij is uitgegaan van de vergunde situatie van [appellante sub 39] in 2009, terwijl nadien een nieuwe omgevingsvergunning voor een inrichting aan [appellante sub 39] is verleend. Het plan maakt het mogelijk een bijgebouw te realiseren op kortere afstand van het bedrijf van [appellante sub 39] dan het bestaande bijgebouw. De voorziene zorgboerderij kan derhalve tot beperkingen voor [appellante sub 39] leiden. De raad heeft evenwel niet afgewogen of beperkingen voor [appellante sub 39] als gevolg van de voorziene zorgboerderij aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Voorts heeft de raad niet beoordeeld of ter plaatse van de voorziene zorgboerderij en de buitenruimten daarbij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd. Deze beoordeling is voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals in dit geval, een andere beoordeling dan de beoordeling of een nieuw geurgevoelig object tot beperkingen zal leiden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200807852/1/R2 kan in het geval de voor veehouderijen toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, niet zonder meer ervan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld of ter plaatse van buitenruimten, zoals tuinen, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd, ook al zijn dit geen geurgevoelige objecten.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

137.8. Wat betreft de mogelijkheden tot nevenactiviteiten binnen de agrarische bestemmingen overweegt de Afdeling dat deze niet zullen leiden tot extra beperkingen voor [appellante sub 39] ten opzichte van de bestaande legale situatie. Het meest nabijgelegen agrarische perceel betreft het perceel Aan de Heibloem 21 op een afstand van ongeveer 10 m van het perceel. Op dit perceel worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt dichterbij het bedrijf van [appellante sub 39] dan de reeds bestaande bedrijfswoning. De bestaande bedrijfswoning op het perceel Aan de Heibloem 21 staat op een afstand van ten minste ongeveer 30 m van het perceel. Op grond van artikel 4, lid 4.2.2, onder b, van de planregels dient de afstand van deze bedrijfswoning tot de naar de openbare weg gekeerde grens van het bouwvlak minimaal de bestaande afstand te bedragen. Voorts dient bedrijfsbebouwing op het perceel Aan de Heibloem 21 op grond van lid 4.21, onder e, van de planregels achter de achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd. Indien de bedrijfswoning wordt gesloopt, dient de afstand van de bedrijfsbebouwing op grond van artikel 4, lid 4.2.1, onder f, van de planregels tot de openbare weg ten minste 20 m te bedragen, terwijl de afstand van de bestaande bedrijfswoning tot de openbare weg reeds 8 m bedraagt. Verder is van belang dat de afstand van het perceel tot de andere agrarische bouwvlakken ten minste ongeveer 200 m bedraagt.

Het betoog van [appellante sub 39] faalt.

138. [appellante sub 39] betoogt voorts dat ten onrechte in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden binnen de agrarische bestemmingen en de bestemming "Wonen" niet de voorwaarde is opgenomen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en gebouwen niet mogen worden belemmerd.

138.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de toepassing van verscheidene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden altijd wordt beoordeeld of een ontwikkeling tot belemmeringen leidt en dat geen medewerking wordt verleend indien beperkingen ontstaan voor omliggende bedrijven. Volgens de raad kan geen rekening worden gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.

138.2. De Afdeling overweegt dat ontwikkelingen binnen de bestemming "Wonen tot beperkingen voor Vossen Leudal Onroerend kunnen leiden. In de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.8.7 voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" in de bestemming "Wonen" is de voorwaarde opgenomen dat belangen waaronder uitbreidingsmogelijkheden van de in de direct omgeving gelegen agrarische bedrijven niet worden geschaad. In de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden binnen de bestemming "Wonen is deze voorwaarde niet opgenomen. De raad heeft niet gemotiveerd waarom deze voorwaarde in die wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden niet is opgenomen. Het plan is op dit punt dus vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog van [appellante sub 39] slaagt.

Conclusie

139. In hetgeen [appellante sub 39] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 4" en "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel [locatie 22], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het reconstructieplan en, wat betreft artikel 4, lid 4.6.4 en 4.8.1 en artikel 7, lid 7.8.1 van de planregels, is vastgesteld in strijd met met artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw 1998 en het rechtszekerheidsbeginsel.

In hetgeen [appellante sub 39] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen Asbroek 13, Karreveld 5, Karreveld 8, Karreveld 9 en Aan de Heibloem 19, is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en, wat betreft de aanduiding "zorgboerderij" voor het perceel Karreveld 8, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 39] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 1]

140. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het planologische regime voor het perceel [locatie 23], voor zover daarbij alleen is voorzien in ondergeschikte horeca. [appellant sub 1] stelt dat in strijd met gedane toezeggingen op het perceel [locatie 23] slechts is voorzien in ondergeschikte horeca. Daarnaast zijn ten behoeve van het perceel verschillende drank- en horecavergunningen verleend waarbij geen beperkingen zijn gesteld aan het gebruik voor horecadoeleinden, aldus [appellant sub 1].

140.1. De raad erkent dat het gemeentebestuur bij brief van 13 februari 2006 heeft aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan de legalisatie van de horeca-activiteiten op het perceel [locatie 23] onder de voorwaarde dat [appellant sub 1] daartoe binnen zes weken een verzoek zou doen. De raad stelt dat [appellant sub 1] daartoe pas in 2008 een principeaanvraag heeft ingediend en dat het beleid omtrent volwaardige horeca bij een recreatief bedrijf tussentijds is gewijzigd.

In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is [appellant sub 1] medegedeeld dat hij zijn verzoek moest aanpassen in die zin dat hij niet langer verzocht om volwaardige horeca, maar ondergeschikte horeca. In ondergeschikte horeca is op het perceel [locatie 23] voorzien, aldus de raad.

140.2. Aan het voorste gedeelte van het perceel [locatie 23] is de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikte horeca" toegekend. Aan het achterste gedeelte van het perceel [locatie 23] is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "kampeerterrein" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.50, van de planregels wordt onder dagrecreatie verstaan: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.

Ingevolge lid 1.100 wordt onder ondergeschikte horeca verstaan: het qua aard en omvang beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte activiteit in direct verband met andere ter plaatse toegestane hoofdactiviteiten (niet zijnde horeca). Feesten en partijen worden niet toegestaan.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie;

[…]

f. ter plaatse van de aanduiding "horeca" tevens voor een horecabedrijf uit categorie 1a;

g. ter plaatse van de aanduiding "horeca tot en met categorie 2" tevens voor een horecabedrijf tot en met categorie 2;

[…]

i. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikte horeca" tevens voor een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid;

[…]

140.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat op delen van het perceel [locatie 23] met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikte horeca" horeca-activiteiten plaatsvinden maar niet tevens op het achterste gedeelte van het perceel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie". Gelet hierop begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant sub 1] aldus dat dit alleen is gericht tegen het plandeel voor het gedeelte van het perceel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikte horeca".

De bestaande horeca-activiteiten op het perceel bestaan volgens het deskundigenbericht voornamelijk uit gebruik dat is gerelateerd aan de dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen op het perceel. [appellant sub 1] heeft blijkens het deskundigenbericht aangegeven dat hij ter plaatse feesten en partijen wenst te geven die gekoppeld zijn aan dagrecreatieve activiteiten. Op het perceel is tevens een toeristisch informatiepunt aanwezig en op het terras aan de voorzijde worden dranken geschonken aan passerende recreanten, zo volgt uit het deskundigenbericht.

140.4. Ten aanzien van de verkoop van eten en drinken aan passerende dagrecreanten op het perceel [locatie 23] heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit op de gronden met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van horeca -ondergeschikte horeca" is toegestaan, omdat dit gebruik volgens de raad kan worden aangemerkt als horeca die ondergeschikt is aan de ter plaatse toegestane dagrecreatie. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onjuist voor.

140.5. Wat betreft de wens van [appellant sub 1] om op het perceel feesten en partijen te organiseren die gekoppeld zijn aan het dagrecreatieve gebruik ter plaatse, overweegt de Afdeling dat dit, gelet op artikel 1, lid 1.100, van de planregels, niet is toegestaan op het perceel [locatie 23]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om op het perceel [locatie 23] geen feesten en partijen toe te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad te kennen heeft gegeven dat hij dergelijke activiteiten niet wenselijk acht in het buitengebied maar alleen in de kern. De omstandigheid dat voor het perceel [locatie 23] een drank- en horecavergunning op grond van de Drank- en Horecawet alsmede een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening zijn verleend leidt niet tot het oordeel dat de raad een uitzondering had moeten maken voor deze concrete situatie.

140.6. Over het betoog van [appellant sub 1] dat in strijd met gedane toezeggingen op het perceel [locatie 23] slechts is voorzien in ondergeschikte horeca, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant sub 1] wijst in dit verband naar een brief van het college van burgemeester en wethouders van 13 februari 2006. In deze brief geeft het college kort gezegd aan bereid te zijn mee te werken aan de legalisering van bepaalde illegale horeca-activiteiten op het perceel [locatie 23] mits [appellant sub 1] daartoe binnen zes weken na verzending van de brief van 13 februari 2006 een verzoek tot herziening van een vrijstelling van 28 september 1998 indient. Daargelaten of [appellant sub 1] binnen deze termijn van zes weken heeft gereageerd op het aanbod van het college, en of de brief van het college al dan niet als een toezegging van het college van burgemeester en wethouders kan worden beschouwd, kunnen in het algemeen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust namelijk niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. Reeds daarom heeft de raad het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

140.7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikte horeca" aan het voorste gedeelte van het perceel [locatie 23] heeft kunnen toekennen.

Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

Conclusie

141. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

142. Het beroep van [appellante sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat betreft het perceel [locatie 24]. [appellante sub 3] betoogt dat het bouwvlak op het perceel [locatie 24] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. Hiertoe voert zij aan dat de raad in de inspraaknotitie nadrukkelijk heeft aangegeven niet voornemens te zijn om het bouwvlak voor haar perceel te verkleinen.

142.1. Aan het perceel [locatie 24] is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf tbv veehandel" en gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

ae. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf tbv veehandel" tevens voor een transportbedrijf ten behoeve van veehandel;

[…]

Ingevolge lid 8.2.1 gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

[…]

142.2. Voor zover [appellante sub 3] betoogt dat het standpunt van de raad omtrent de omvang van het bouwvlak op het perceel [locatie 24] afwijkt van het standpunt dat de raad in de inspreekfase had ingenomen, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, het bieden van inspraak geen deel uitmaakt van de in de Wro en Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Reeds daarom kan dit betoog van [appellante sub 3] niet tot een vernietiging van het bestreden plandeel leiden.

142.3. Voor zover het betoog van [appellante sub 3] aldus moet worden begrepen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van Awb, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog van [appellante sub 3] faalt.

142.4. Vaststaat dat het bouwvlak op het perceel [locatie 24] is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft toegelicht dat bij de vaststelling van het thans voorliggende bestemmingsplan een uitgangspunt is gehanteerd waarbij in beginsel alleen een bouwvlak is toegekend aan bestaande bebouwing. [appellante sub 3] betoogt terecht dat tevens aan onbebouwde gedeelten van het perceel een bouwvlak is toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij het buitengebied niet geheel op slot heeft willen zetten en dus nog wel heeft willen voorzien in enige uitbreiding van de bouwmogelijkheden. Gelet hierop heeft de raad voorts een uitgangspunt gehanteerd waarbij vooralsnog onbenutte delen van bestaande bouwvlakken zijn verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in paragraaf 2.4.4 van de plantoelichting. Overeenkomstig de hiervoor beschreven uitgangspunten heeft de raad het bouwvlak op het perceel [locatie 24] verkleind. [appellante sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt geraakt. Hierbij betrekt de Afdeling dat niet gebleken is van concrete bouwplannen van [appellante sub 3] waar de raad ten tijde van de vaststelling redelijkerwijs rekening mee kon houden en dat de raad onweersproken heeft gesteld dat het bouwvlak thans nog voor ongeveer 1.300 m² onbebouwd is.

Het betoog van [appellante sub 3] faalt.

143. In de niet gemotiveerde stelling van [appellante sub 3] dat ten onrechte geen definitiebepaling in de planregels is opgenomen voor "transportbedrijf ten behoeve van veehandel", ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar niet in redelijkheid van af heeft kunnen zien.

Het betoog van [appellante sub 3] faalt.

Conclusie

144. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20A]

145. [appellant sub 20A] betoogt dat ten onrechte aan de bermen aan weerszijden van de Mezenstraat de aanduiding "overige zone - landschappelijke elementen" is toegekend, terwijl ter plekke geen sprake is van waardevolle bermvegetatie. [appellant sub 20A] wijst daarbij op een rapport van het bureau Staro Natuur en Buitengebied van september 2014 waarin tot de conclusie wordt gekomen dat ter plaatse geen waardevolle bermvegetatie aanwezig is. [appellant sub 20A] vreest dat door deze aanduiding het aanzicht van zijn melkveehouderij op het perceel [locatie 25] zal worden aangetast. Volgens [appellant sub 20A] zullen de eigenaren van de bermen, de gemeente en het waterschap, deze dan niet meer maaien, zodat hoogopgaande beplanting zal ontstaan.

145.1. Het perceel [locatie 25] ligt langs de noordzijde van de Mezenstraat. Aan deze zijde van de Mezenstraat staat een bomenrij.

Ingevolge artikel 50, lid 50.12.1, van de planregels dienen ter plaatse van de aanduiding "overige zone - landschappelijke elementen" de landschappelijke elementen, zoals nader aangegeven op de kaarten met Landschappelijke elementen die als 'Bijlage 3 Kaarten met landschappelijke elementen' bij de regels zijn gevoegd, zoveel mogelijk te worden behouden.

Ingevolge lid 50.12.2 is het verboden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - landschappelijke elementen" voor zover gelegen buiten het bouwvlak, op danwel in de landschappelijke elementen, zoals nader aangegeven op de kaarten met Landschappelijke elementen, die als 'Bijlage 3 Kaarten met landschappelijke elementen' bij de regels zijn gevoegd, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) van het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 100 m²;

b. het dempen, graven en vergraven van watergangen, met uitzondering van het aanleggen van dammen en bruggen;

c. de aanleg van verharde wandel- en fietspaden;

d. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;

e. het ophogen van de gronden;

f. het vellen of rooien van houtopstanden;

g. het beplanten van gronden met bomen of andere houtopstanden;

In bijlage 3 "Kaarten met landschappelijke elementen" van de planregels is ter plaatse van de Mezenstraat het landschappelijke element "waardevolle berm - greppel/kavelgrensvegetatie" opgenomen. Ter plaatse van de bomenrij is voorts het element eenrijige boombeplanting opgenomen.

145.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het behoud en het versterken van landschappelijke elementen ter plaatse dan aan het belang van [appellant sub 20A] bij het aanzicht van zijn melkveehouderij. Voor zover [appellant sub 20A] op de conclusie in het rapport van Staro Natuur en Buitengebied wijst, overweegt de Afdeling dat deze conclusie niet betekent dat er ter plaatse geen potentie is voor waardevolle bermvegetatie. Het gemeentelijke beleid is niet alleen gericht op het behoud van landschappelijke elementen, maar ook op het versterken daarvan. Bovendien is ter plaatse reeds een landschappelijk element aanwezig, namelijk de bomenrij aan de noordzijde van de Mezenstraat. De Afdeling betrekt voorts bij haar oordeel dat de eigenaren van de bermen langs de Mezenstraat ook los van de aanduiding "overige zone - landschappelijke elementen" ervoor kunnen kiezen de bermen niet meer te maaien.

Het betoog van [appellant sub 20A] faalt.

Conclusie

145.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 20A] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 21]

146. [appellant sub 21] betoogt dat ten onrechte aan zijn perceel aan de [locatie 26] een te klein bouwvlak is toegekend.

146.1. In de Nota van zienswijzen staat dat het bouwvlak voor het perceel van [appellant sub 21] zal worden toegekend in overeenstemming met het bedrijfsontwikkelingsplan en het wijzigingsplan van 18 december 2006 voor dit perceel. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellant sub 21] slaagt.

Conclusie

146.2. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 21] gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel aan de [locatie 26] moet worden vernietigd.

Het beroep van RoyerGeit

147. RoyerGeit betoogt dat het bouwvlak voor haar perceel Sniekstraat 2 te Haler ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel". Dit is volgens haar in strijd met de rechtszekerheid. Volgens haar is een bedrijfsontwikkelingsplan ingediend bij de gemeente voor een grondgebonden geitenhouderij op het perceel. Het gemeentebestuur kwalificieert deze geitenhouderij volgens RoyerGeit ten onrechte als intensieve veehouderij.

147.1. Aan het perceel Sniekstraat 2 is de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak met een oppervlakte van ongeveer 1 ha toegekend. Onder het voorheen geldende plan was aan het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel (A)b" met een bouwvlak van ongeveer 1,6 ha toegekend.

147.2. De raad heeft bij de vaststelling van het plan het beleid gevoerd alleen uitbreidingen van agrarische bedrijven toe te staan als daarvoor concrete plannen waren ingediend. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. Met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen is het evenwel aanvaardbaar dat een raad het uitgangspunt hanteert slechts de bestaande legale situatie als zodanig te bestemmen en alleen voldoende concrete plannen voor uitbreiding in het bestemmingsplan te verwerken die tijdig kenbaar zijn gemaakt en waarvan ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld. Het plan voor een geitenhouderij is pas na de vaststelling van het plan ingediend, zodat de raad daar ten tijde van de vaststelling van het plan geen rekening mee kon houden, daargelaten het antwoord op de vraag of dit een grondgebonden geitenhouderij betreft.

Het betoog van RoyerGeit faalt.

Conclusie

147.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van RoyerGeit ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 31]

148. Het beroep van [appellant sub 31] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 27]. [appellant sub 31] exploiteert ter plaatse een melkrundveehouderij. [appellant sub 31] betoogt dat de raad ten onrechte niet het bouwvlak heeft gewijzigd overeenkomstig het bedrijfsontwikkelingsplan dat hij reeds in 2010 bij het gemeentebestuur heeft ingediend. Hiertoe voert [appellant sub 31] kort gezegd aan dat de verzochte vormwijziging van het bouwvlak noodzakelijk is voor zijn bedrijfsvoering en dat de vormwijziging niet leidt tot een uitbreiding van het bouwvlak. [appellant sub 31] geeft te kennen dat nog geen overeenstemming is bereikt met het provinciebestuur en de eigenaar van het perceel omtrent de landschappelijke inpassing en de natuurcompensatie van de Ecologisch Hoofdstructuur (hierna: EHS). De aanwijzing van het bouwvlak als EHS door provinciale staten van Limburg berust volgens [appellant sub 31] echter op een fout. [appellant sub 31] stelt dat het provinciebestuur heeft toegezegd dat dit in het definitieve POL 2014 zal worden aangepast. Voor zover de raad betoogt dat [appellant sub 31] overeenstemming moet hebben van de eigenaar van het perceel (Stichting Het Limburgs Landschap) omtrent de landschappelijke inpassing en de natuurcompensatie in verband met de ligging van het perceel in de EHS, betoogt [appellant sub 31] dat het verkrijgen van die toestemming een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft die niet ruimtelijk relevant is.

Indien de Afdeling oordeelt dat de raad in redelijkheid het bouwvlak niet in overeenstemming heeft hoeven brengen met zijn bedrijfsontwikkelingsplan, betoogt [appellant sub 31] dat een bestaande schuur ten noorden van het bouwvlak ten onrechte buiten het bouwvlak is gelaten. Hiertoe voert [appellant sub 31] aan dat voor de desbetreffende schuur reeds in 1980 met een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) is verleend. Daarnaast betoogt [appellant sub 31] dat het zuidelijke bouwvlak op het perceel [locatie 27] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime.

148.1. Nu ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen overeenstemming bestond tussen de eigenaar van het perceel en [appellant sub 31] omtrent de natuurcompensatie en landschappelijke inpassing, bestond volgens de raad ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen zicht op de uitvoerbaarheid van het initiatief van [appellant sub 31]. Derhalve stelt de raad voor het perceel [locatie 27] het bouwvlak uit het voorheen geldende planologische regime te hebben overgenomen. Ten aanzien van de schuur op het perceel [locatie 27] erkent de raad echter dat daaraan ten onrechte geen bouwvlak is toegekend.

148.2. Aan het perceel [locatie 27] is de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" met gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

148.3. De raad heeft toegelicht dat hij de uitvoerbaarheid van de door [appellant sub 31] gewenste vormwijziging van het bouwvlak niet op voorhand aangetoond acht, omdat [appellant sub 31] te kennen heeft gegeven dat omtrent de landschappelijke inpassing van de gewenste ontwikkeling en de natuurcompensatie van de EHS nog geen overeenstemming is bereikt met de eigenaar van het perceel en het provinciebestuur. De Afdeling begrijpt dit standpunt van de raad aldus dat hij niet wenst te voorzien in de door [appellant sub 31] verzochte vormwijziging van het bouwvlak zolang niet vaststaat dat de daarmee beoogde ontwikkeling ruimtelijk wordt ingepast en er natuurcompensatie plaatsvindt in verband met de ligging van het perceel in de EHS. In hetgeen [appellant sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Voor zover [appellant sub 31] stelt dat de aanwijzing van het perceel in de EHS op een fout berust en dat het provinciebestuur heeft toegezegd dat dit wordt aangepast, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, niet in geschil is dat het perceel [locatie 27] ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in de EHS lag. Verder staat vast dat het perceel in het POL 2014 nog steeds is aangewezen als EHS (goudgroene natuurzone). Verder stelt [appellant sub 31] terecht dat het bereiken van overeenstemming omtrent de ruimtelijke inpassing en de natuurcompensatie met de eigenaar een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft. Het bereiken van die overeenstemming is voor de raad echter een voorwaarde voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief van [appellant sub 31] en daarmee voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Het betoog van [appellant sub 31] faalt in zoverre.

148.4. De raad heeft verder erkend dat aan de bestaande schuur - die ten oosten van het meest noordelijke bouwvlak op het perceel ligt - ten onrechte geen bouwvlak is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 31] slaagt in zoverre.

148.5. Verder stelt [appellant sub 31] naar het oordeel van de Afdeling terecht dat het zuidelijke bouwvlak op het perceel [locatie 27] aan de westkant is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime, hetgeen de raad heeft miskend. Gelet hierop is het bestreden besluit ook in zoverre niet in overeenstemming met de vereiste zorgvuldigheid bereid.

Het betoog van [appellant sub 31] slaagt in zoverre.

Overig

149. [appellant sub 31] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 31] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

150. In hetgeen [appellant sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 27], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover aan de bestaande schuur op het perceel geen bouwvlak is toegekend en voor zover het zuidelijke bouwvlak op het perceel niet overeenstemt met het bouwvlak uit het voorheen geldende planologische regime.

Het beroep van [appellant sub 31] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 26]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 28]

151. [appellante sub 26] betoogt dat bij de vaststelling van het plan het bouwvlak op haar perceel [locatie 28] zonder enige motivering aanzienlijk is verkleind ten opzichte van het ontwerpplan en het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Haelen". Volgens haar is inmiddels van de zijde van de gemeente te kennen gegeven dat het bouwvlak te klein is ingetekend.

151.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat het bouwvlak op het perceel [locatie 28] ten onrechte niet op de juiste wijze is ingetekend op de verbeelding. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 26] slaagt.

152. Voorts voert [appellante sub 26] aan dat de parkeervoorzieningen aan de noordzijde van haar perceel volledig binnen het bouwvlak dienen te worden opgenomen.

152.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 28] de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" toegekend. Aan de noordzijde van het perceel [locatie 28] buiten het bouwvlak ter plaatse van het bestaande parkeerterrein is eveneens de functieaanduiding "parkeerterrein" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" bestemd voor:

[..]

h. ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" tevens voor parkeervoorzieningen;

[..]

met de daarbij behorende:

[..]

p. parkeervoorzieningen, toegangswegen, inritten en overige terreinverhardingen binnen het bouwvlak.

152.2. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels dat parkeervoorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" waaraan niet de functieaanduiding "parkeerterrein" is toegekend, uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Nu blijkens de verbeelding aan het bestaande parkeerterrein aan de noordzijde van het perceel [locatie 28] de functieaanduiding "parkeerterrein" is toegekend, is dit terrein, hoewel buiten het bouwvlak gelegen, als zodanig bestemd. In hetgeen [appellante sub 26] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellante sub 26] met deze planregeling onevenredig worden geschaad en dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog van [appellante sub 26] faalt.

Bedrijfsactiviteiten niet als zodanig bestemd

153. Verder betoogt [appellante sub 26] dat verschillende bedrijfsactiviteiten, waarvoor op 13 februari 2012 door het college van burgemeester omgevingsvergunning is verleend, niet als zodanig zijn bestemd. Zo had aan het perceel [locatie 28] de functieaanduiding "specifieke vorm van detailhandel - boerderijwinkel" toegekend dienen te worden. Zij wijst er hierbij op dat de planregels bij recht een boerderijwinkel met een vloeroppervlakte van maximaal 80 m² toestaan, terwijl vergunning is verleend voor een boerderijwinkel met een vloeroppervlakte van 90 m². Bovendien is eveneens vergunning verleend voor de huisverkoop van streekproducten, hetgeen impliceert dat ook niet- zelfgemaakte agrarische producten verkocht mogen worden, maar voorziet het plan alleen in de verkoop van zelfgemaakte agrarische producten. Zonder het toekennen van voornoemde aanduiding overschrijdt het vergunde vloeroppervlakte van de boerderijwinkel, de zorgboerderij en het boerderijterras ook het maximaal toegestane vloeroppervlakte van nevenactiviteiten. Ook voert [appellante sub 26] aan dat detailhandel als bedoeld in artikel 6, lid 6.1.1, onder j, dient te worden uitgezonderd van het strijdig gebruik.

[appellante sub 26] voert tevens aan dat het boerderijterras niet als zodanig is bestemd, omdat dit terras zich buiten het hoofdgebouw bevindt.

Ten slotte merkt [appellante sub 26] op dat het gebruik voor recreatieve doeleinden als bedoeld in lid 6.1.1, onder e, van de planregels dient te worden uitgezonderd van het strijdig gebruik als bedoeld in lid 6.5.3, onder d, omdat onder recreatieve doeleinden een recreatieve verblijfsaccommodatie met nachtverblijf valt.

153.1. [appellante sub 26] exploiteert op het perceel [locatie 28] een agrarisch bedrijf met ongeveer 150 melkkoeien en 100 stuks jongvee. Daarnaast voert zij ter plaatse een zorgboerderij zonder nachtverblijf met een oppervlakte van 22O m², een recreatieve verblijfsaccommodatie met 14 bedden in zeven ruimtes, een boerderijwinkel met een winkeloppervlakte van 90 m² en een boerderijterras van 16 m bij 16 m (oppervlakte 256 m²). De gronden aan de oostzijde van het perceel zijn in gebruik als moestuin. Voorheen stonden op dat perceelsgedeelte de sleufsilo’s van het bedrijf. Deze bevinden zich thans op het westelijk deel van het perceel.

153.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 28] de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" toegekend. Binnen het bouwvlak zijn de zorgboerderij, de recreatieve verblijfsaccommodatie, de boerderijwinkel en het boerderijterras gelegen. Aan de recreatieve verblijfsaccommodatie met nachtverblijf is tevens de functieaanduiding "recreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.68, van de planregels moet onder het begrip ‘hoofdgebouw’ worden verstaan een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" bestemd voor:

[..]

i. ter plaatse van de aanduiding "recreatie" tevens voor recreatieve doeleinden;

j. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - boerderijwinkel" tevens voor detailhandel in streekproducten in de vorm van een boerderijwinkel.

Ingevolge lid 6.1.2 zijn binnen het bouwvlak tevens de volgende ondergeschikte nevenactiviteiten toegestaan:

a. een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

b. bed & breakfast in de (bedrijfs)woning ten behoeve van maximaal twee slaapplaatsen;

c. kleinschalige kampeeractiviteiten met maximaal 15 seizoenstandplaatsen op het erf;

d. detailhandel hoofdzakelijk in zelfgemaakte, - bewerkte, - gekweekte, - geteelde agrarische producten van het eigen bedrijf, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

e. zorglandbouw, uitsluitend in de vorm van dagbesteding, met dien verstande dat:

1. de gezamenlijke grondoppervlakte van de ondergeschikte nevenactiviteiten genoemd onder a. tot en met e. niet meer mag bedragen dan 500 m²;

2. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden.

Ingevolge lid 6.5.3 wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken naast het bepaalde in artikel 49, lid 49.1, in elk geval gerekend:

a. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;

b. detailhandel, met uitzondering van het gebruik zoals bedoeld in lid 6.1.2 onder d;

c. kamperen, met uitzondering van het gebruik zoals bedoeld in lid 6.1.2 onder c;

d. permanente en tijdelijke bewoning en direct daarmee verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte, sanitair, kook- en wasgelegenheid, met uitzondering van:

1. de bedrijfswoning;

2. wonen door een niet functioneel met het bedrijf verbonden derde ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning";

3. het gebruik zoals genoemd in lid 6.1.2 onder b;

4. huisvesting van arbeidsmigranten ter plaatse van bestaande (vergunde) situaties.

153.3. De raad heeft ter zitting erkend dat aan de bestaande boerderijwinkel op het perceel [locatie 28] ten onrechte niet de functieaanduiding "specifieke vorm van detailhandel - boerderijwinkel" is toegekend, dat de bestaande horeca activiteiten op het perceel [locatie 28] niet als zodanig zijn bestemd, dat de bestaande verblijfsaccommodatie met nachtverblijf op voornoemd perceel ten onrechte niet in artikel 6, lid 6.5.3, onder d, van de planregels is uitgezonderd van strijdig gebruik en dat detailhandel als bedoeld in lid 6.1.1, onder j, ten onrechte niet in lid 6.5.3, onder b, is uitgezonderd van strijdig gebruik. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 26] slaagt.

Maximale bouwhoogte sleufsilo’s

154. [appellante sub 26] betoogt verder dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat sleufsilo's een maximale bouwhoogte van 2 m mogen hebben. Volgens haar bieden sleufsilo’s met een bouwhoogte van 2 m onvoldoende opslagcapaciteit voor haar bedrijf, terwijl zij op dit moment al kampt met een tekort aan voeropslag en het aantal koeien en de voederbehoefte alleen maar zal toenemen. Een maximale hoogtemaat van 4 m zou wel voldoen. Zij voert verder aan dat geen ruimtelijke belemmeringen aanwezig zijn, omdat de sleufsilo's binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en binnen een bouwvlak voor gebouwen en andere bouwwerken vele hogere maximale bouwhoogtes zijn toegestaan.

154.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, onder f en g, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 12 m.

Ingevolge lid 6.2.2, onder e en f, geldt voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) dat de goothoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 6 m en de bouwhoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 9 m.

Ingevolge lid 6.2.4, onder f, mogen overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte hebben van:

1. 1 m voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn;

2. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn;

3. 2 m voor sleufsilo's;

4. 5 m voor teeltondersteunende voorzieningen;

5. 6 m voor lichtmasten;

6. 6 m voor mestsilo's, niet zijnde kunstmestsilo's;

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

8. 6 m voor waterbassins;

9. 12 m voor voedersilo's, kunstmestsilo's en spuiwateropslag;

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

Ingevolge lid 6.3 kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de landschappelijke inpassing (bebouwde en onbebouwde beeldkwaliteit) van het bouwvlak of de kavel [..].

154.2. De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te kiezen voor algemeen geldende hoogtebeperkingen van bepaalde voorzieningen in agrarisch gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s zodanig verschilt van de ruimtelijke uitstraling van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, mestsilo’s en voedersilo’s waarvoor een hogere maximale bouwhoogte is toegestaan, te meer nu uit het deskundigenbericht volgt dat sleufsilo's doorgaans worden geplaatst direct bij of te midden van de overige bedrijfsbebouwing, zodat de silo’s niet of nauwelijks zichtbaar zijn in het open agrarisch gebied. Verder heeft de raad niet gemotiveerd waarom sleufsilo’s hoger dan 2 m door het stellen van nadere eisen niet landschappelijk zouden kunnen worden ingepast. Voorts is van belang dat [appellante sub 26] ter zitting erop heeft gewezen dat vanwege de groei van haar bedrijf behoefte bestaat aan meer opslagcapaciteit van veevoer. Bij een hoogte van 2 m van de sleufsilowanden kan het voer minder goed uitgespreid en aangestampt worden dan bij een hoogte van 4 m, terwijl een luchtarme en compacte opslag van belang is voor een betere kwaliteit van het veevoer. Uit het bestreden besluit volgt niet op welke wijze de raad rekening heeft gehouden met het belang van [appellante sub 26] bij extra opslagcapaciteit. De raad heeft ter zitting ten slotte toegelicht dat de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s met name wordt gekenmerkt door de met plastic en autobanden bedekte "kop" van de kuil die boven de silowanden uitsteekt. Voor de opslag van veevoer in de sleufsilo’s is echter geen maximale hoogte opgenomen, zodat met het opnemen van een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s de hoogte van deze "kop" niet wordt beperkt.

Het betoog van [appellante sub 26] slaagt.

Overige

155. [appellante sub 26] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 26] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

156. In hetgeen [appellante sub 26] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" voor het perceel [locatie 28], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid en, wat betreft artikel 6, lid 6.2.4, onder f, sub 3, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 26] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 37]

Intrekking

157. Ter zitting heeft [appellante sub 37] de beroepsgrond die betrekking heeft op de toegekende gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" ingetrokken.

Het bouwvlak op het perceel [locatie 29]

158. [appellante sub 37] betoogt allereerst dat de zuidoostelijke begrenzing van het bouwvlak op haar perceel [locatie 29] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel", terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan zou worden overgenomen.

158.1. [appellante sub 37] exploiteert op het perceel [locatie 29] een gemengd agrarisch bedrijf met vleesvarkens, vleesstieren, zoogkoeien en akker- en tuinbouw. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 29] de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend. Aan een deel van het perceel is tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

158.2. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel". In dit het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het perceel [locatie 29] de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel" toegekend. Binnen dit bestemmingsvlak was een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 2.02, eerste lid, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" waren gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel" bestemd voor onder meer de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het vierde lid, onder a, sub 1, gold voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen met de daarbij behorende bijgebouwen dat deze gebouwen uitsluitend gebouwd mochten worden achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, dan wel binnen een bouwvlak voor zover dit op de plankaart was aangegeven.

158.3. In het deskundigenbericht staat dat het bouwvlak in het onderhavige plan een diepte heeft van ongeveer 100 m gemeten vanaf de Beekstraat. Dit komt overeen met de diepte van het bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" uit het voorheen geldende bestemmingsplan. De breedte van het bouwvlak in het onderhavige plan bedraagt 155 m. De breedte van het bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" uit het voorheen geldende bestemmingsplan bedroeg eveneens ongeveer 155 m. Er kan volgens het deskundigenbericht dan ook worden geconstateerd dat de omvang en begrenzing van het voorgaande bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" en die van het huidige bouwvlak niet of nauwelijks verschillen. Daarbij kan worden vermeld dat bij de begrenzing van het onderhavige bouwvlak is uitgegaan van de buitenzijde van het voorgaande bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" en niet van het destijds daarbinnen nader aangegeven bouwvlak. Op de gronden die in het voorheen geldende bestemmingsplan binnen het bestemmingsvlak "Agrarische doeleinden, bouwperceel" maar buiten het nader aangegeven bouwvlak lagen, kunnen nu, anders dan in het voorheen geldende bestemmingsplan, ook gebouwen worden gerealiseerd, aldus het deskundigenbericht.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwvlak op het perceel [locatie 29] is verkleind ten opzichte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" was opgenomen.

Het betoog van [appellante sub 37] faalt.

158.4. Voor zover [appellante sub 37] ter zitting heeft betoogd dat ten onrechte niet is voorzien in een vergroting van het bouwvlak aan de oostzijde van het perceel ten behoeve van het realiseren van sleufsilo’s en een tweede ontsluitingsweg terwijl zij voor de vaststelling van het plan een bedrijfsontwikkelingsplan heeft ingediend, overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft bij de vaststelling van het plan het beleid gevoerd alleen uitbreiding van het bouwvlak mogelijk te maken als daarvoor concrete plannen waren ingediend. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

158.5. [appellante sub 37] heeft voor de vaststelling van het plan op 27 september 2013 een bedrijfsontwikkelingsplan ingediend. Niet in geschil is dat de plannen van [appellante sub 37] voldoende concreet zijn en dat zij deze tijdig kenbaar heeft gemaakt. De raad heeft evenwel aangevoerd dat hij ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet over voldoende gegevens beschikte om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen en dat hij dit aan [appellante sub 37] heeft medegedeeld. Voorts lag de verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens volgens de raad bij [appellante sub 37], aangezien dit initiatief louter op haar verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen.

Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 april 2014, zaak nr. 201303772/1/R2 is het standpunt van de raad omtrent de verantwoordelijkheid van de vergaring van de vereiste gegevens in het onderhavige geval op zich zelf juist, zij het dat de raad in een dergelijke situatie tijdig dient aan te geven welke gegevens nog nodig zijn voor de beoordeling van het initiatief waarover het gemeentebestuur zelf niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij naar aanleiding van het bedrijfsontwikkelingsplan aan [appellante sub 37] heeft gevraagd een ruimtelijke onderbouwing aan te leveren met betrekking tot het realiseren van sleufsilo’s en een tweede ontsluitingsweg. Ter zitting heeft [appellante sub 37] erkend dat zij deze ruimtelijke onderbouwing pas op 30 juli 2014 en derhalve ruim na de vaststelling van het plan heeft aangeleverd. Gelet hierop beschikte de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet over voldoende gegevens om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het concrete initiatief te kunnen beoordelen. Derhalve heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid niet hoeven voorzien in de door [appellante sub 37] gewenste vergroting van het bouwvlak aan de oostzijde van het perceel [locatie 29].

Het betoog van [appellante sub 37] faalt.

Maximale bouwhoogte sleufsilo’s

159. [appellante sub 37] betoogt dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat sleufsilo's een maximale bouwhoogte van 2 m mogen hebben. Volgens haar bieden sleufsilo’s met een bouwhoogte van 2 m onvoldoende opslagcapaciteit voor hun bedrijven, terwijl zij op dit moment al kampt met een tekort aan voeropslag en het aantal koeien en de voederbehoefte alleen maar zal toenemen. Een maximale hoogtemaat van 4 m zou wel voldoen. Zij voert verder aan dat geen ruimtelijke belemmeringen aanwezig zijn, omdat de sleufsilo's binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en binnen een bouwvlak voor gebouwen en andere bouwwerken vele hogere maximale bouwhoogtes zijn toegestaan. Ook wijst [appellante sub 37] op de door haar ingediende ruimtelijke onderbouwing waaruit volgt dat de sleufsilo’s aan de rand van het bouwvlak landschappelijk worden ingepast door een bladhoudende beukenhaag en bomenrij.

159.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, onder h en i, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 12 m.

Ingevolge lid 7.2.2, onder e en f, geldt voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) dat de goothoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 6 m en de bouwhoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 9 m.

Ingevolge lid 7.2.4, onder f, mogen overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte hebben van:

1. 1 m voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn;

2. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn;

3. 2 m voor sleufsilo's;

4. 5 m voor teeltondersteunende voorzieningen;

5. 6 m voor lichtmasten;

6. 6 m voor mestsilo's, niet zijnde kunstmestsilo's;

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

8. 6 m voor waterbassins;

9. 12 m voor voedersilo's, kunstmestsilo's en spuiwateropslag;

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

Ingevolge lid 7.3 kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de landschappelijke inpassing (bebouwde en onbebouwde beeldkwaliteit) van het bouwvlak of de kavel [..].

159.2. De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te kiezen voor algemeen geldende hoogtebeperkingen van bepaalde voorzieningen in agrarisch gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s zodanig verschilt van de ruimtelijke uitstraling van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, mestsilo’s en voedersilo’s waarvoor een hogere maximale bouwhoogte is toegestaan, te meer nu uit het deskundigenbericht volgt dat sleufsilo's doorgaans worden geplaatst direct bij of te midden van de overige bedrijfsbebouwing, zodat de silo’s niet of nauwelijks zichtbaar zijn in het open agrarisch gebied. Verder heeft de raad niet gemotiveerd waarom sleufsilo’s hoger dan 2 m door het stellen van nadere eisen niet landschappelijk zouden kunnen worden ingepast. Voorts is van belang dat [appellante sub 37] ter zitting erop heeft gewezen dat vanwege de groei van haar bedrijf behoefte bestaat aan meer opslagcapaciteit van veevoer. Bij een hoogte van 2 m van de sleufsilowanden kan het voer minder goed uitgespreid en aangestampt worden dan bij een hoogte van 4 m, terwijl een luchtarme en compacte opslag van belang is voor een betere kwaliteit van het veevoer. Uit het bestreden besluit volgt niet op welke wijze de raad rekening heeft gehouden met het belang van [appellante sub 37] bij extra opslagcapaciteit. De raad heeft ter zitting ten slotte toegelicht dat de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s met name wordt gekenmerkt door de met plastic en autobanden bedekte "kop" van de kuil die boven de silowanden uitsteekt. Voor de opslag van veevoer in de sleufsilo’s is echter geen maximale hoogte opgenomen, zodat met het opnemen van een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s de hoogte van deze "kop" niet wordt beperkt.

Het betoog van [appellante sub 37] slaagt.

Overige

160. [appellante sub 37] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 37] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

161. In hetgeen [appellante sub 37] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft artikel 7, lid 7.2.4, onder f, sub 3, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 37] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 28]

162. [appellant sub 28] betoogt dat haar galerie en beeldentuin op het perceel [locatie 30] te Heythuysen ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd, omdat aan het perceel alleen de aanduiding "atelier" is toegekend, terwijl zij op het perceel ook een galerie en een beeldentuin exploiteert. De beeldentuin kan volgens haar niet als een tuin als bedoeld in artikel 1, lid 1.129, van de planregels worden aangemerkt, nu de beeldentuin toegankelijk is voor het geïnteresseerde publiek.

162.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de galerij en beeldentuin op het perceel [locatie 30] als zodanig zijn bestemd. Volgens de raad is de beeldentuin toegestaan, omdat binnen de bestemming "Wonen" tuinen en erven zijn toegestaan.

162.2. Aan het perceel [locatie 30] is de bestemming "Wonen" met de aanduiding "atelier" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.54, van de planregels wordt onder erf verstaan al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en het bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt.

Ingevolge lid 1.129 wordt onder tuin verstaan omheind of afgeperkt stuk grond, behorende bij een hoofdgebouw en/of woning, dat is ingericht met (open) water en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, groen en/of groenvoorzieningen en/of verharding(en) ten behoeve van het gebruiksgenot en ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw en/of woning.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, aanhef en onder a, e, en w, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen, ter plaatse van de aanduiding "atelier" tevens voor een atelier en tuinen en erven.

162.3. Naar normaal spraakgebruik wordt onder atelier een werkplaats van onder meer een kunstenaar verstaan. De galerie van [appellant sub 28] kan niet als atelier worden aangemerkt, nu het hier niet gaat om een werkplaats maar om een expositieruimte. De galerie op het perceel [locatie 30] is derhalve, anders dan de raad heeft beoogd, niet als zodanig bestemd. Ook de beeldentuin op het perceel is niet als zodanig bestemd. Anders dan de raad heeft betoogd, kan deze niet als tuin of erf als bedoeld in artikel 1 van de planregels worden aangemerkt, nu deze niet ten dienste staat van de functies wonen en atelier. De beeldentuin functioneert eveneens als een voor het publiek opengestelde expositieruimte.

Het betoog van [appellant sub 28] slaagt.

Conclusie

162.4. In hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover de galerie en beeldentuin op het perceel [locatie 30] niet als zodanig zijn bestemd, niet is vastgesteld met de vereiste zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 28] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 29]

163. [appellante sub 29] betoogt dat de raad ten onrechte haar plannen voor uitbreiding van haar stekbedrijf en handelskwekerij op het perceel [locatie 31] te Heythuysen niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het plan. [appellante sub 29] is voornemens een bestaande kas uit te breiden, een nieuwe kas met een inpandige woonvoorziening voor buitenlandse werknemers en een waterbassin op te richten. Zij wijst er daarbij op dat zij reeds in januari 2011 een bedrijfsontwikkelingsplan bij de gemeente heeft ingediend. De eigenaar van de naastgelegen varkenshouderij [persoon] op het perceel [locatie 32] wil zijn bedrijf ook uitbreiden. Volgens [appellante sub 29] is de omstandigheid dat geen nadere informatie is geleverd over de gevolgen van de door [persoon] gewenste uitbreiding voor haar plannen geen reden om haar plannen niet mee te nemen, omdat niet zij maar [persoon] deze nadere informatie moest aanleveren. Bovendien zijn de plannen van [persoon] volgens [appellante sub 29] onvoldoende concreet.

163.1. Volgens de raad is afstemming tussen [appellante sub 29] en [persoon] van het begin af aan het uitgangspunt geweest. Volgens de raad heeft regelmatig overleg plaatsgevonden tussen [appellante sub 29] en [persoon] over hun uitbreidingsplannen en is te kennen gegeven dat, zodra nadere informatie was aangeleverd, deze plannen konden worden meegenomen in de besluitvorming. Die nadere informatie, voor de beoordeling essentiële, is niet tijdig aangeleverd.

163.2. Aan het perceel [locatie 31] is de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" toegekend. Aan een gedeelte van het perceel is een bouwvlak met de aanduiding "glastuinbouw" toegekend. [persoon] exploiteert op het perceel [locatie 32] een intensieve veehouderij.

163.3. De Afdeling overweegt dat in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De Afdeling is van oordeel dat de raad de plannen van [appellante sub 29] in redelijkheid niet mee behoefde te nemen bij de vaststelling van het plan. Weliswaar waren deze plannen voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt, maar de raad kon de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan ten tijde van de vaststelling van het plan niet beoordelen. De plannen van [appellante sub 29] conflicteerden mogelijk met de uitbreidingsplannen van [persoon] en er was niet tijdig nadere informatie geleverd over de gevolgen van de door [persoon] gewenste uitbreiding voor de plannen van [appellante sub 29]. Dat het aan [persoon] was om deze nadere informatie te leveren, zoals [appellante sub 29] stelt, doet daaraan niet af. Indien de raad zonder meer de plannen van [appellante sub 29] in het plan had opgenomen zou dat mogelijk ten koste zijn gegaan van de plannen van [persoon], terwijl de raad als ruimtelijke uitgangspunt hanteerde dat aan beide bedrijven gelijktijdig en naast elkaar uitbreidingsmogelijkheden moest worden geboden.

Het betoog van [appellante sub 29] faalt.

164. [appellante sub 29] betoogt voorts dat haar containerveld ten onrechte niet binnen het bouwvlak is opgenomen. Volgens haar was het containerveld in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999" wel in het bouwvlak opgenomen. De beantwoording in de Nota van zienswijzen is volgens haar tegenstrijdig, omdat daarin enerzijds staat dat een aparte aanduiding wordt toegekend aan het containerveld, maar anderzijds dat het geldende bouwvlak zal worden overgenomen.

164.1. Aan het containerveld op het perceel [locatie 31] is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - containerveld" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder m, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - containerveld" tevens bestemd voor een containerveld.

164.2. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999". Weliswaar was onder dit voorheen geldende plan aan het gehele perceel [locatie 31] de bestemming "Agrarisch bouwblok" toegekend, maar ter plaatse van het containerveld was de aanduiding "(c)" toegekend. Ter plaatse van deze aanduiding mocht niet worden gebouwd, met uitzondering van schaduwhallen tot 20% van de oppervlakte van de desbetreffende gronden. Gelet hierop behoefde de raad in redelijkheid niet het containerveld in het bouwvlak op te nemen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat [appellante sub 29] geen concrete plannen heeft om ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - containerveld" bebouwing op te richten. Voor zover [appellante sub 29] erop wijst dat in de Nota van zienswijzen staat dat het geldende bouwvlak zal worden overgenomen, wordt overwogen dat dit het antwoord is op het verzoek van [appellante sub 29] om het bouwvlak in noordelijke richting te verleggen ten behoeve van een vergunde kas. Gelet hierop moet dit antwoord redelijkerwijs zo worden begrepen dat met het geldende bouwvlak wordt gedoeld op het gedeelte van de bestemming "Agrarisch bouwblok" waar zonder maximale oppervlaktemaat kassen waren toegestaan. De beantwoording in de Nota van zienswijzen is derhalve niet tegenstrijdig.

Het betoog van [appellante sub 29] faalt.

Conclusie

165. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 29] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 30]

166. [appellante sub 30] betoogt dat ten onrechte aan een gedeelte van haar perceel [locatie 33] te Neer de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bronboringenbedrijf" is toegekend. Volgens haar is deze bestemming niet passend voor het perceel. [appellante sub 30] wenst een agrarische bestemming of een bedrijfsbestemming met een specifieke aanduiding voor het perceel [locatie 33]. Zij vreest dat zij anders in de toekomst haar bedrijf zal moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein.

Voorts betoogt zij dat ten onrechte aan een gedeelte van het perceel [locatie 33] de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" met de aanduiding "overige zone - openheid" is toegekend waardoor zij haar bedrijf niet kan uitbreiden. Zij wenst haar bedrijf uit te breiden met een nieuwe loods ten behoeve van de extra opslag en stalling van machines. Deze machines worden nu buiten gestald en dat is volgens haar slecht voor de levensduur van de machines. Ook stelt [appellante sub 30] dat zij haar bedrijf in 1999 naar het perceel [locatie 33] heeft verplaatst op verzoek van het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Roggel en Neer en in overleg met de toenmalige wethouder. Haar bedrijf was niet meer passend op de oude locatie en zij verkeerde in de veronderstelling dat haar bedrijf groeimogelijkheden had op het perceel.

166.1. Volgens de raad is het bedrijf van [appellante sub 30] als zodanig bestemd. Voorts is volgens de raad het gemeentelijk beleid erop gericht om niet-agrarische bedrijfsactiviteiten alleen op bedrijventerreinen toe te staan en is uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied daarom onwenselijk. Verder zijn er volgens de raad geen bestaande rechten, omdat onder het voorheen geldende plan een agrarisch bouwvlak was toegekend aan het perceel, terwijl het bronboringenbedrijf geen agrarisch bedrijf is.

166.2. [appellante sub 30] exploiteert sinds 1999 een bronboringenbedrijf op het perceel [locatie 33]. Op het perceel staat een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van ongeveer 450 m2. Aan dat gedeelte van het perceel is de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bronboringenbedrijf" toegekend. Aan het overige gedeelte van het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" met de aanduiding "overige zone - openheid" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.12, van de planregels wordt onder agrarisch hulp- en nevenbedrijf verstaan een niet-industrieel bedrijf voor productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven, respectievelijk voor ver- of bewerking, op- of overslag, vervoer of verhandeling van agrarische producten voor derden

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 4" aangewezen gronden onder meer aangewezen voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1.1, aanhef en onder a en l, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bronboringenbedrijf" tevens voor een bronboringenbedrijf.

Ingevolge lid 29.2.2, onder a, mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een woning niet meer bedragen dan 150 m².

Ingevolge artikel 50, lid 50.13.1 dient ter plaatse van de aanduiding "overige zone - openheid" de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk verstrekt te worden.

166.3. In paragraaf 4.6.2 van de plantoelichting staat dat alle niet-agrarische bedrijven en agrarisch aanverwante bedrijven - zoals een loonwerkersbedrijf - als "Bedrijf" zijn bestemd. Bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 zijn binnen deze bestemming overal toegestaan. Bestaande bedrijven met bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie zijn specifiek aangeduid. Ter plaatse is alleen de aangeduide bedrijfsactiviteit toegestaan. Een aantal bedrijven is ook een risicovolle inrichting, zoals een tankstation. Deze bedrijven zijn in paragraaf 4.4.2 van deze toelichting beschreven. Omdat deze bedrijven in principe niet thuishoren in het buitengebied, maar op een bedrijventerrein, is de uitbreidingsruimte van de bedrijven beperkt. Om niet minder toe te staan dan de huidige uitbreidingsmogelijkheden, zijn de mogelijkheden uit de voorgaande bestemmingsplannen overgenomen. Nieuwe zelfstandige niet-agrarische bedrijven zijn niet toegestaan, tenzij het een nevenfunctie bij of opvolgfunctie van een (voormalig) agrarisch bedrijf betreft.

166.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bronboringenbedrijf" aan het perceel [locatie 33] heeft toegekend. In paragraaf 4.6.2 van de plantoelichting staat dat aan alle niet-agrarische bedrijven en agrarisch aanverwante bedrijven de bestemming "Bedrijf" is toegekend. In het licht hiervan is niet duidelijk waarom de raad in dit geval voor de bestemming "Wonen" met een specifieke aanduiding heeft gekozen. Daarbij komt dat binnen de bestemming "Wonen" de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op grond van de planregels niet meer dan 150 m2 mag bedragen, terwijl de oppervlakte van de reeds bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel 450 m2 bedraagt.

Wat betreft de door [appellante sub 30] beoogde nieuwe loods, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 30] op de zitting onbetwist heeft toegelicht dat zij ongeveer 70% van haar werk ten behoeve van agrarische bedrijven verricht. Een dergelijk bedrijf kan naar het oordeel van de Afdeling als een agrarisch hulp- en nevenbedrijf en als een agrarisch aanverwant bedrijf worden aangemerkt. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting staat dat het logisch is dat deze bedrijven in het buitengebied gevestigd zijn, aangezien deze bedrijven hun bedrijfsactiviteiten voornamelijk ten behoeve van agrarische bedrijven en in het buitengebied uitvoeren. Voorts volgt uit paragraaf 4.6.2 van de plantoelichting dat het gemeentelijke beleid, anders dan de raad meent, zich niet verzet tegen beperkte uitbreidingsruimte voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Gelet hierop en mede gelet op de door [appellante sub 30] gestelde voorgeschiedenis van haar bedrijf, heeft de raad naar het oordeel van Afdeling onvoldoende onderzoek gedaan naar de aard en omvang van dit bedrijf en de uit een reële bedrijfsvoering voortvloeiende behoefte aan bedrijfsruimte.

Het betoog van [appellante sub 30] slaagt.

Conclusie

166.5. In hetgeen [appellante sub 30] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch met waarden - 4" met de aanduiding "overige zone - openheid" voor het perceel [locatie 33], is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 30] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 34]

167. [appellante sub 34] betoogt dat aan haar perceel [locatie 34] te Baexem ten onrechte de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. Zij wijst er daarbij op dat zij op 2 maart 2010 een bedrijfsontwikkelingsplan heeft ingediend voor een bedrijfswoning en dat inmiddels op 12 juni 2014 een projectomgevingsvergunning is verleend voor een bedrijfswoning op het perceel.

167.1. Aan het perceel [locatie 34] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a en 2, van de planregels mag binnen de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning worden gebouwd.

167.2. De Afdeling overweegt dat in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid het plan van [appellante sub 34] voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 34] niet hoefde mee te nemen bij de vaststelling van het plan. Weliswaar is het plan van [appellante sub 34] voor een bedrijfswoning voldoende concreet is en heeft zij dit plan tijdig kenbaar heeft gemaakt, maar de raad heeft toegelicht dat als voorwaarde voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 34] werd gesteld dat een bedrijfswoning op een ander perceel zou worden gesloopt. Ten tijde van de vaststelling van het plan was nog niet verzekerd dat aan deze voorwaarde zou worden voldaan. Pas na de vaststelling van het plan is volgens de raad tussen de gemeente en [appellante sub 34] een overeenkomst gesloten waarin is afgesproken dat de bedrijfswoning op het andere perceel zou worden verwijderd. [appellante sub 34] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog van [appellante sub 34] faalt.

Conclusie

167.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 34] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 32]

168. Het beroep van [appellante sub 32] richt zich tegen de planregeling voor haar perceel aan de [locatie 35] te Ell.

De aanduiding "overige zone - weidevogelgebied"

169. [appellante sub 32] betoogt dat de aanduiding "overige zone - weidevogelgebied" ten onrechte aan haar gronden is toegekend, omdat haar gronden in het provinciale beleid niet als weidevogelgebied zijn aangewezen. Ook ligt aan de aanwijzing volgens haar ten onrechte geen onderzoek ten grondslag, zodat niet duidelijk is of de aanduiding nodig is. [appellante sub 32] meent dat de planregeling rechtsonzeker is, omdat niet duidelijk is welke activiteiten op haar gronden niet zijn toegestaan. Zij vreest dat het scheuren van grasland niet meer is toegestaan, evenals het toepassen van vruchtwisseling en voederwinning. [appellante sub 32] vreest dat haar bedrijfsvoering daardoor onevenredig wordt beperkt.

169.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij een eigen bevoegdheid heeft om weidevogelgebieden aan te wijzen. Het weidevogelgebied dat op de gronden van [appellante sub 32] is aangewezen, was volgens de raad ook in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hulsel" aangewezen. Hij wijst erop dat bij de aanwijzing van het weidevogelgebied in het voorheen geldende bestemmingsplan onderzoek is verricht. Het streven naar een goed leefmilieu was volgens de raad ook in het voorheen geldende bestemmingsplan opgenomen, zodat de bedrijfsvoering niet meer wordt beperkt dan voorheen. Het betreft ook geen verbod of verplichting, slechts een streven. Het scheuren van grasland is volgens de raad uit het aanlegvergunningenstelsel geschrapt.

169.2. Aan de gronden van [appellante sub 32] met de bestemming "Agrarisch" en zonder bouwvlak is de aanduiding "overige zone - weidevogelgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 50, lid 50.15.1 van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "overige zone - weidevogelgebied" in beginsel geen activiteiten toegestaan die kunnen leiden tot een onevenredige aantasting van de broed- en fourageerfunctie voor weidevogels. Ter bescherming van de broed- en fourageerfunctie moet ter plaatse van de aanduiding het volgende in aanmerking worden genomen:

a. gestreefd wordt naar het behoud van de aanwezige graslanden en ontwikkeling van nieuwe graslanden;

b. gestreefd wordt naar handhaven en zo mogelijk verbeteren van het leefmilieu voor weidevogels;

c. nieuwvestiging van agrarische bedrijven is niet toegestaan.

Ingevolge lid 50.15.2, onder a, is het verboden op of in de voor "overige zone - weidevogelgebied" aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden buiten het bouwvlak uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 100 m²;

b. het dempen, graven en vergraven van watergangen, met uitzondering van het aanleggen van dammen en bruggen;

c. de aanleg van verharde wandel- en fietspaden;

d. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen.

e. het ophogen van de gronden;

f. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem.

Ingevolge dit lid, onder b, is het onder a bepaalde niet van toepassing voor:

a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;

b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;

c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;

d. werken of werkzaamheden in het kader van landschappelijke inpassing;

e. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.

Ingevolge dit lid, onder c, zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld onder a slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de aanwezige waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

169.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het behoud en het versterken van het weidevogelgebied ter plaatse dan aan het belang van [appellante sub 32] bij een bedrijfsuitoefening zonder uit planregels voortvloeiende beperkingen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het scheuren van grasland niet meer in artikel 50, lid 50.15.1, van de planregels is opgenomen en dat in lid 50.15.2, onder b, is opgenomen dat voor werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik geen aanlegvergunning is vereist. [appellante sub 32] \heeft met de enkele stelling dat volgens deskundigen weidevogels eerder op maispercelen voorkomen dan op grasland niet aannemelijk gemaakt dat de grondslag voor de aanduiding "overige zone - weidevogelgebied" ontbreekt.

Het betoog van [appellante sub 32] faalt.

Maximale bouwhoogte sleufsilo’s

170. [appellante sub 32] betoogt dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat sleufsilo's een maximale bouwhoogte van 2 m mogen hebben. Volgens haar bieden sleufsilo’s met een bouwhoogte van 2 m onvoldoende opslagcapaciteit voor haar bedrijf, terwijl zij op dit moment al kampt met een tekort aan voeropslag en het aantal koeien en de voederbehoefte alleen maar zal toenemen. Een maximale hoogtemaat van 4 m zou wel voldoen.

[appellante sub 32] wijst er hierbij op dat het plan voor haar perceel in uitbreidingsmogelijkheden voorziet voor een extra rundveestal en voeropslag. Zij voert verder aan dat geen ruimtelijke belemmeringen aanwezig zijn, omdat de sleufsilo's binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en binnen een bouwvlak voor gebouwen en andere bouwwerken vele hogere maximale bouwhoogtes zijn toegestaan.

170.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder g en h, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat de goothoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 7,2 m en de bouwhoogte van gebouwen, inclusief kassen, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 12 m.

Ingevolge lid 3.2.2, onder e en f, geldt voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) dat de goothoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 6 m en de bouwhoogte van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 9 m.

Ingevolge lid 3.2.4, onder i, mogen overige bouwwerken binnen het bouwvlak een maximale bouwhoogte hebben van:

1. 1 m voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn;

2. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn;

3. 2 m voor sleufsilo's;

4. 5 m voor teeltondersteunende voorzieningen;

5. 6 m voor lichtmasten;

6. 6 m voor mestsilo's, niet zijnde kunstmestsilo's;

7. 7,2 m voor luchtwassers en warmtewisselaars;

8. 6 m voor waterbassins;

9. 12 m voor voedersilo's, kunstmestsilo's en spuiwateropslag;

10. 6 m voor andere overige bouwwerken.

Ingevolge lid 3.3 kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de landschappelijke inpassing (bebouwde en onbebouwde beeldkwaliteit) van het bouwvlak of de kavel [..].

170.2. De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te kiezen voor algemeen geldende hoogtebeperkingen van bepaalde voorzieningen in agrarisch gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s zodanig verschilt van de ruimtelijke uitstraling van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, mestsilo’s en voedersilo’s waarvoor een hogere maximale bouwhoogte is toegestaan, te meer nu uit het deskundigenbericht volgt dat sleufsilo's doorgaans worden geplaatst direct bij of te midden van de overige bedrijfsbebouwing, zodat de silo’s niet of nauwelijks zichtbaar zijn in het open agrarisch gebied. Verder heeft de raad niet gemotiveerd waarom sleufsilo’s hoger dan 2 m door het stellen van nadere eisen niet landschappelijk zouden kunnen worden ingepast. Voorts is van belang dat [appellante sub 32] ter zitting erop heeft gewezen dat vanwege de groei van haar bedrijf behoefte bestaat aan meer opslagcapaciteit van veevoer. Bij een hoogte van 2 m van de sleufsilowanden kan het voer minder goed uitgespreid en aangestampt worden dan bij een hoogte van 4 m, terwijl een luchtarme en compacte opslag van belang is voor een betere kwaliteit van het veevoer. Uit het bestreden besluit volgt niet op welke wijze de raad rekening heeft gehouden met het belang van [appellante sub 32] bij extra opslagcapaciteit. De raad heeft ter zitting ten slotte toegelicht dat de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s met name wordt gekenmerkt door de met plastic en autobanden bedekte "kop" van de kuil die boven de silowanden uitsteekt. Voor de opslag van veevoer in de sleufsilo’s is echter geen maximale hoogte opgenomen, zodat met het opnemen van een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s de hoogte van deze "kop" niet wordt beperkt.

Het betoog van [appellante sub 32] slaagt.

Conclusie

171. In hetgeen [appellante sub 32] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft artikel 3, lid 3.2.4, onder i, sub 3, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 32] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 33]

Omvang bouwvlak op het perceel [locatie 36]

172. [appellante sub 33] betoogt dat het bouwvlak op haar perceel [locatie 36] te Neeritter ten onrechte niet overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan is toegekend, terwijl zij wel aan de door de raad gestelde voorwaarden daarvoor heeft voldaan. Zij heeft voor de realisering van een bedrijfsloods op het oostelijk deel van het bouwvlak een bedrijfsontwikkelingsplan en een aanvulling daarop ingediend. Omdat zij geen uitbreiding van haar bouwvlak ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan wenst, was volgens haar een ruimtelijke onderbouwing niet nodig.

172.1. Volgens de raad is het bedrijfsontwikkelingsplan, voor zover dit het oostelijke deel van het in het voorheen geldende bestemmingsplan toegekende bouwvlak betreft, onvoldoende onderbouwd en is hiervoor geen aanvullende onderbouwing ontvangen, zodat in het bestreden besluit het bouwvlak slechts overeenkomstig het feitelijke gebruik is toegekend. Omdat inmiddels een aanvullend bedrijfsontwikkelingsplan is ingediend, zal in een volgend bestemmingsplan het bouwvlak overeenkomstig het bedrijfsontwikkelingsplan worden toegekend.

172.2. In de plantoelichting staat dat de raad als uitgangspunt hanteert dat de bepaling van het bouwvlak plaatsvindt op basis van de bestaande bebouwing en het erf. Bij de concrete bepaling van het bouwvlak hanteert de raad het uitgangspunt dat flexibiliteit wordt ingebouwd door de gewenste omvang en vorm van het bouwvlak nader te bepalen aan de hand van actuele en onderbouwde toekomstplannen van het desbetreffende bedrijf. Daarbij wordt ook aangegeven hoe het plan landschappelijk wordt ingepast. Onder landschappelijke inpassing wordt verstaan de bouw van inpasbare kwalitatief hoogwaardige bebouwing en het aanbrengen van beplanting op een wijze die overeenstemt met de op de directe omgeving van toepassing zijnde landschapskarakteristiek conform het Landschapsontwikkelingsplan (LOP). In de landschappelijk hoogwaardige en gevoelige gebieden wordt een en ander extra zwaar gewogen.

172.3. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel". Vast staat dat in dit voorheen geldende bestemmingsplan op het perceel van [appellante sub 33] aan een strook grond ten oosten van het in het voorliggende bestemmingsplan toekende bouwvlak de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel" was toegekend. Niet in geschil dat in het onderhavige plan voor deze strook grond geen aanduiding "bouwvlak" is opgenomen, terwijl op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan in deze strook bebouwing was toegestaan. De Afdeling ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de raad in redelijkheid de oostelijke begrenzing van het bouwvlak, zoals in dit plan is opgenomen, heeft kunnen vaststellen. Daartoe overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Niet in geschil is dat de desbetreffende strook grond op het perceel van [appellante sub 33] thans onbebouwd is.

172.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend.

172.5. Vast staat dat [appellante sub 33]’ voornemen voor een bedrijfsloods op het oostelijk deel van het bouwvlak in ieder geval in april 2009 bij de gemeente bekend was. Gelet op het voorgaande was het initiatief van [appellante sub 33] naar het oordeel van de Afdeling voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt bij het gemeentebestuur. De raad heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet over voldoende gegevens beschikte om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen en dat hij dit aan [appellante sub 33] heeft medegedeeld. Bovendien lag de verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens volgens de raad bij [appellante sub 33], aangezien dit initiatief louter op haar verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen.

172.6. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 april 2014, zaak nr. 201303772/1/R2 is het standpunt van de raad omtrent de verantwoordelijkheid van de vergaring van de vereiste gegevens in het onderhavige geval op zich zelf juist, zij het dat de raad in een dergelijke situatie tijdig dient aan te geven welke gegevens nog nodig zijn voor de beoordeling van het initiatief waarover het gemeentebestuur zelf niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit in gesprekken met [appellante sub 33] in 2013 is aangegeven. [appellante sub 33] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door het niet opnemen van het initiatief van [appellante sub 33] het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld.

Het betoog van [appellante sub 33] faalt.

Het verbod op wijziging van het kavelpatroon

173. [appellante sub 33] betoogt dat ten onrechte de aanduiding "overige zone - oud bouwland" aan een deel van haar gronden is toegekend, voor zover ingevolge daarvan een vergunning benodigd is om het kavelpatroon te wijzigen. Zij wijst erop dat deze voorwaarde onredelijk bezwarend is vanwege haar wijze van bedrijfsvoering. Ook betwijfelt zij of het kavelpatroon van invloed is op het reliëf, de bodem en de aardkundige waarden. Voorts betoogt zij dat de planregeling onduidelijk is, omdat niet duidelijk is welk gebruik onder het normale bodemgebruik valt. Dat dit volgens de raad locatiespecifiek moet worden beoordeeld geeft dit volgens haar al aan. Vanwege de onduidelijkheid vreest zij opdrachten mis te lopen, omdat zij steeds voor de zekerheid een vergunning aan zal moeten vragen terwijl haar jaarlijkse bedrijfsvoering afhangt van een opdrachtperiode van enkele weken.

173.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de verkaveling de vormen van het oudbouwlandgebied en van het kampenlandschap is te herkennen, waardoor dit van cultuurhistorische waarde is. Het oudbouwlandgebied wordt gekenmerkt door een open karakter omringd met hagen of dichte houtwallen. Het kampenlandschap kent kleinschalige en besloten percelen omringd door houtwallen. Beide worden gekenmerkt door hun hoge ligging ten opzichte van de omgeving, de onregelmatige kavelvormen en een kronkelig wegenpatroon, aldus de raad.

173.2. Aan een aantal percelen van [appellante sub 33] is de aanduiding "overige zone - oud bouwland" toegekend.

Ingevolge artikel 50, lid 50.14.2, onder a, van de planregels is het verboden op of in de voor "overige zone - oud bouwland" aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 100 m²;

b. het dempen, graven en vergraven van watergangen, met uitzondering van het aanleggen van dammen en bruggen;

c. de aanleg van verharde wandel- en fietspaden;

d. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen.

e. het ophogen van de gronden;

f. het vellen of rooien van houtopstanden;

g. het wijzigen van het kavelpatroon.

Ingevolge dit lid, onder b, is het onder a bepaalde niet van toepassing voor:

a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;

b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;

c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;

d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.

173.3. In het deskundigenbericht staat dat niet is aangegeven wat onder het wijzigen van het kavelpatroon moet worden verstaan. Desgevraagd heeft de gemeente toegelicht dat het kavelpatroon herkenbaar is als bolle akkers en de aanwezigheid van steilranden, houtwallen, sloten, paden en dergelijk. Dit is een voortzetting van regime van het voorheen geldende bestemmingsplan, aldus het deskundigenbericht. Voorts staat in het deskundigenbericht dat behalve de werken genoemd in artikel 50, lid 50.14.2, onder a tot en met d, van de planregels er geen andere werken lijken te zijn die het kavelpatroon kunnen beïnvloeden.

173.4. De Afdeling overweegt dat, mede gelet op hetgeen in het deskundigenbericht staat, onduidelijk is wat onder het wijzigen van het verkavelingspatroon als bedoeld in artikel 50, lid 50.14.2, onder a, sub g, van de planregels, ten vervolge op het bepaalde onder a t/m f, moet worden verstaan. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad desgevraagd ter zitting evenmin kon aangeven wat hieronder moet worden verstaan. Dit brengt de Afdeling tot de conclusie dat artikel 50, lid 50.14.2, onder a, sub g, van de planregels, voor zover dit geldt voor de percelen van [appellante sub 33], is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 33] slaagt.

Conclusie

174. In hetgeen [appellante sub 33] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft artikel 50, lid 50.14.2, onder g, van de planregels, voor zover dit geldt voor de percelen van [appellante sub 33], is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 33] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 35], handelend onder de naam [boomkwekerij]

175. [appellant sub 35] betoogt dat de planregeling voor zijn perceel [locatie 37] te Heibloem ten onrechte niet in overeenstemming is met de op 18 december 2006 verleende vrijstelling, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat het plan overeenkomstig zou worden aangepast. Hierdoor zijn de met deze vrijstelling toegestane containervelden en een waterbassin buiten het bouwvlak komen te liggen en ontbreekt een aanduiding voor de containervelden.

175.1. [appellant sub 35] exploiteert op het perceel [locatie 37] een boomkwekerij. De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat hetgeen in de vrijstelling van 18 december 2006 is toegestaan voor het perceel [locatie 37], niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellant sub 35] slaagt.

176. [appellant sub 35] betoogt voorts dat ten onrechte de permanente tunnels, de overige containervelden en overige waterbassins niet als zodanig zijn bestemd. Volgens hem zou aan deze voorzieningen een bouwvlak moeten worden toegekend. Volgens [appellant sub 35] zijn met de aanduiding "specifieke vorm van agrarische - teeltondersteunende voorzieningen" de waterbassins niet toegestaan, omdat dit geen teeltondersteunende voorzieningen zijn in de zin van het bestemmingsplan. Ook voorziet deze aanduiding niet in het toestaan van de overige containervelden en de permanente tunnels, omdat deze voorzieningen niet tijdelijk zijn. Ter plaatse van de permanente tunnels dient volgens [appellant sub 35] de aanduiding "glastuinbouw" te worden toegekend, omdat in veel andere Limburgse bestemmingsplannen permanente tunnels als kassen worden aangemerkt. Subsidiair wenst [appellant sub 35] dat ter plaatse van de permanente tunnels een aanduiding daarvoor wordt opgenomen. Ook dienen permanente tunnels in het plan gedefinieerd te worden.

176.1. Niet in geschil is dat de containervelden, de overige waterbassins en de permanente tunnels op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" liggen.

In de Nota van zienswijzen stelt de raad dat ten onrechte geen aanduidingen voor deze voorzieningen zijn toegekend, maar dat dit zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Conclusie

177. In hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 37] te Heibloem, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 35] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 19]

Begripsomschrijving recyclingbedrijf

178. Het beroep van [appellante sub 19] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf" wat betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Haelen, sectie C, nrs. 1469, 1467 en 1470, plaatselijk bekend als [locatie 38]-[locatie 39]. Vanwege het ontbreken van een definitiebepaling van recyclingbedrijf in de planregels betwijfelt zij of haar vergunde bedrijfsactiviteiten, bestaande uit metaalrecycling, metaalhandel, op- en overslag van bouw- en sloopafval en opslag van asbest bevattende metalen onderdelen en shredderen met metaalhoudende onderdelen, met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf" als zodanig zijn bestemd. Teneinde een rechtsonzekere situatie te voorkomen verzoekt [appellante sub 19] om de opname van een definitiebepaling van recyclingbedrijf in de planregels waarmee haar vergunde bedrijfsactiviteiten als zodanig worden bestemd dan wel de toekenning van een aanduiding "metaal- en schroothandel met shredderinstallatie" overeenkomstig het voorheen geldende planologische regime, aldus [appellante sub 19].

178.1. Aan de percelen [locatie 38]-[locatie 39] is de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf" en "bouwvlak".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten die als Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten bij de regels is gevoegd;

b. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voeding- en genotmiddelen;

[…]

z. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf" tevens voor een recyclingbedrijf;

[…]

178.2. De raad heeft ter zitting erkend dat ten onrechte geen begripsomschrijving van een recyclingbedrijf is opgenomen en dat derhalve rechtsonzeker is welke bedrijfsactiviteiten met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf" zijn toegestaan op de percelen [locatie 38]-[locatie 39]. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf" voor de percelen [locatie 38]-[locatie 39], niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 19] slaagt.

Bedrijfswoningen

179. [appellante sub 19] betoogt voorts dat ten onrechte niet is voorzien in drie bedrijfswoningen op de percelen [locatie 38]-[locatie 39]. Hiertoe voert zij aan dat drie bedrijfswoningen op het perceel aanwezig zijn en dat in de Nota van zienswijzen is aangegeven dat zou worden voorzien in drie bedrijfswoningen op de percelen.

179.1. Aan de percelen [locatie 38]-[locatie 39] is voorts de aanduiding en "maximum aantal wooneenheden = 2" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2.2, van de planregels gelden voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) op de gronden met de bestemming "Bedrijf" de volgende regels:

a. per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan, met uitzondering van:

1. ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" is het aangeduide aantal bedrijfswoningen toegestaan;

[…]

179.2. In het deskundigenbericht staat dat op het terrein twee zelfstandige aaneengebouwde panden met drie huisnummers en drie voordeuren staan. Het pand [locatie 38] is de oorspronkelijke bedrijfswoning van het bedrijf van [appellante sub 19] en werd tot een jaar geleden bewoond door de [personen]. Het pand met de [locatie 40] en [locatie 39] is volgens het deskundigenbericht in het verleden geschikt gemaakt voor bewoning door twee huishoudens maar is thans onbewoond.

179.3. In antwoord op de zienswijze van [appellante sub 19] staat in de Nota van zienswijzen dat de drie woningen op de percelen [locatie 38]-[locatie 39] reeds correct staan weergegeven. De raad heeft echter erkend dat de beantwoording van de zienswijze van [appellante sub 19] in zoverre onjuist is, omdat de woning van het buurbedrijf op het perceel [locatie 41] daarbij abusievelijk is meegerekend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel voor de percelen [locatie 38]-[locatie 39], voor zover daaraan de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2" aan is toegekend, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 19] slaagt.

179.4. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding de beroepsgrond van [appellante sub 19] die ziet op de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2" desondanks ook inhoudelijk te bespreken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

179.5. Uit de plantoelichting volgt dat de raad bij de vaststelling van het thans voorliggende bestemmingsplan in het kader van zuinig ruimtegebruik een uitgangspunt heeft gehanteerd waarbij op de gronden met de bestemming "Bedrijf" maximaal in één bedrijfswoning per bouwvlak is voorzien en dat verder alleen bestaande (lees: legaal opgerichte) bedrijfswoningen binnen een bouwvlak als zodanig zijn bestemd. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

Vaststaat dat het voorheen geldende planologische regime op de percelen [locatie 38]-[locatie 39] voorzag in slechts twee bedrijfswoningen. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat nooit een vergunning is verleend voor de bouw van een derde bedrijfswoning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) op de percelen, hetgeen [appellante sub 19] niet heeft bestreden. Gelet op het voorgaande heeft de raad overeenkomstig voormeld uitgangspunt wederom voorzien in slechts twee bedrijfswoningen op de percelen.

In hetgeen [appellante sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan de toepassing van dit uitgangspunt. Hierbij acht de Afdeling van belang dat blijkens het deskundigenbericht zowel het pand [locatie 38] als het pand [locatie 40] en [locatie 39] momenteel niet worden bewoond en dat het pand [locatie 40] en [locatie 39] zonder renovatie bovendien niet bewoonbaar is. Dat aan de twee aaneengebouwde panden drie verschillende huisnummers zijn toegekend en de panden eveneens zijn voorzien van drie voordeuren betekent niet dat de raad derhalve in drie bedrijfswoningen had moeten voorzien. Gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt doen immers geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd. De omstandigheid dat aan [appellante sub 19] brieven zijn verstuurd omtrent de geluidsanering van [locatie 40] en [locatie 39] doen evenmin dergelijke verwachtingen ontstaan, nu daaraan geen planologische betekenis toekomt.

Het betoog van [appellante sub 19] faalt.

Erf- en terreinafscheidingen

180. Het beroep van [appellante sub 19] is voorts gericht tegen artikel 8, lid 8.2.4, aanhef en onder a, van de planregels. [appellante sub 19] betoogt dat ten onrechte is voorzien in een bouwhoogte van slechts 2 m voor erf- en terreinafscheidingen. Hiertoe voert zij aan dat keerwanden/geluidschermen van 4 m op de grens van de inrichting zijn vergund. Indien geluidschermen van 4 m niet langer zijn toegestaan, stelt [appellante sub 19] niet aan de vergunde geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Voorts betoogt [appellante sub 19] dat het uit een oogpunt van inbraakpreventie noodzakelijk is om het terrein te voorzien van een metershoge inbraakpreventie.

180.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.4, aanhef en onder a, van de planregels mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen op de gronden met de bestemming "Bedrijf" niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte van de erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 m mag bedragen.

Ingevolge lid 8.2.4, aanhef en onder b, zijn andere overige bouwwerken uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De bouwhoogte daarvan mag niet meer bedragen dan 6 m.

180.2. De raad stelt zich op het standpunt dat een keermuur of geluidscherm, die vereist is om te kunnen voldoen aan de geldende milieuregelgeving en derhalve primair dienen als geluidwerende voorziening en gesitueerd zijn binnen het bouwvlak, niet moet worden aangemerkt als een erf- of terreinafscheiding als bedoeld in artikel 8, lid 8.2.4, aanhef en onder a, van de planregels, maar als een overig bouwwerk als bedoeld in lid 8.2.4, aanhef en onder b, van de planregels waarvoor een bouwhoogte geldt van maximum 6 m. Dat een geluidwerende voorziening, gezien de situering nabij de perceelgrens van een perceel, ook dient als erf- of terreinafscheiding maakt dat volgens de raad niet anders. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onjuist voor.

Het betoog van [appellante sub 19] faalt in zoverre.

180.3. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van erf- en terreinafscheidingen acht de raad in deze omgeving een maximale hoogte van 2 m voor erf- en terreinafscheidingen passend. Hetgeen [appellante sub 19] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat erf- en terreinafscheidingen als bedoeld in artikel 8, lid 8.2.4, onder a, van de planregels niet alleen binnen, maar ook buiten een bouwvlak kunnen worden opgericht, dat een dergelijke maatvoering voor bedrijven niet ongebruikelijk is en dat [appellante sub 19] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar bedrijfsvoering onevenredig wordt belemmerd vanwege de maximaal voorziene bouwhoogte van 2 m voor erf- en terreinafscheidingen.

Het betoog van [appellante sub 19] faalt ook in zoverre.

Conclusie

181. In hetgeen [appellante sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen [locatie 38]-[locatie 39], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 19] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 40]

182. Het beroep van [appellant sub 40] richt zich tegen de planregeling voor het perceel [locatie 42] te Heythuysen. Hij betoogt dat ten onrechte geen recreatieve bestemming is toegekend, terwijl hij hierom door middel van een bedrijfsontwikkelingsplan heeft verzocht. Tevens betoogt hij dat de tweede woning op zijn perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl voor deze tweede woning in 1990 een bouwvergunning is verleend die ook onherroepelijk is geworden. Ook betoogt [appellant sub 40] dat zijn agrarische bedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd, doordat geen agrarisch bouwvlak is toegekend. Volgens hem is zijn agrarisch bedrijf ter plaatse, anders dan de raad stelt, wel volwaardig.

182.1. Wat betreft de agrarische bestemming stelt de raad dat [appellant sub 40] een recreatief bedrijf wenst te ontwikkelen, waarvoor het college principemedewerking heeft toegezegd en [appellant sub 40] een ruimtelijke onderbouwing heeft ingediend. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de ruimtelijke onderbouwing volgens de raad niet compleet, zodat het recreatieve bedrijf niet als zodanig is bestemd. Omdat de ruimtelijke onderbouwing inmiddels compleet is, zal in een volgend plan het perceel van [appellant sub 40] aldus worden bestemd en zal aan de tweede woning een woonbestemming worden toegekend, met een aanduiding voor woningen van een voormalig agrarisch bedrijf. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de tweede woning op het perceel niet als zodanig bestemd hoefde te worden, omdat deze illegaal aanwezig is en daartegen ook handhavend is opgetreden.

182.2. Aan het perceel is deels de bestemming "Agrarisch" toegekend en grotendeels de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 1, lid 1.138, van de planregels wordt onder volwaardig agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf, niet zijnde een hobbymatig agrarisch bedrijf, waarin, gelet op het aantal dieren, hoeveelheid grond en/of inrichting, een volwaardige arbeidskracht gedurende het hele jaar een volledige dagtaak vindt en dat voldoende bestaansmogelijkheden biedt om duurzaam bij wijze van hoofdberoep te worden geëxploiteerd.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, aanhef en onder u, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" tevens bestemd voor wonen uitsluitend ter plaatse van de toegestane bedrijfswoning al dan niet in combinatie met een niet volwaardig agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 29.2.1 is per bestemmingsvlak één woning toegestaan.

182.3. In het deskundigenbericht staat dat de handhavingsprocedure voor de tweede woning op het perceel van [appellant sub 40] blijkens een brief van het college van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2013 gericht was tegen de bewoning van de tweede bedrijfswoning, omdat volgens het college volgens de toen geldende maatstaven geen sprake was van een volwaardig agrarisch bedrijf. Voorts is vermeld dat het college in deze brief mededeelt dat voor het bestemmingsplan voldoende argumenten bestaan om het agrarisch bouwblok te behouden. In het deskundigenbericht staat voorts dat de agrarische activiteiten van [appellant sub 40] niet als volwaardige agrarische bedrijvigheid in de zin van het plan worden beschouwd.

182.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend.

182.5. Vast staat dat [appellant sub 40]’ voornemens voor een recreatief bedrijf in ieder geval in juni 2013 bij de gemeente bekend waren. Gelet op het voorgaande was het initiatief van [appellant sub 40] naar het oordeel van de Afdeling voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt bij het gemeentebestuur. De raad heeft evenwel aangevoerd dat hij ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan niet over voldoende gegevens beschikte om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen en dat hij dit in juli 2013 aan [appellant sub 40] heeft medegedeeld, waarna is afgesproken om het initiatief niet meer in het voorliggende plan mogelijk te maken. Voorts lag de verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens volgens de raad bij [appellant sub 40], aangezien dit initiatief louter op zijn verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen.

182.6. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 april 2014, zaak nr. 201303772/1/R2 is het standpunt van de raad omtrent de verantwoordelijkheid van de vergaring van de vereiste gegevens in het onderhavige geval op zich zelf juist, zij het dat de raad in een dergelijke situatie tijdig dient aan te geven welke gegevens nog nodig zijn voor de beoordeling van het initiatief waarover het gemeentebestuur zelf niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit in de gespreken met [appellant sub 40] in juli 2013 is aangegeven, hetgeen [appellant sub 40] niet heeft betwist. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door het niet opnemen van het initiatief van [appellant sub 40] het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld.

Het betoog van [appellant sub 40] faalt.

182.7. Wat betreft het betoog omtrent de tweede bedrijfswoning acht de Afdeling van belang dat in het deskundigenbericht staat dat niet handhavend is opgetreden tegen de tweede bedrijfswoning op zich, maar tegen de bewoning ervan. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad heeft toegelicht dat ook de tweede bedrijfswoning in het reparatie- en veegplan als woning zal worden bestemd. De Afdeling leidt hieruit af dat, voor zover de tweede bedrijfswoning daadwerkelijk illegaal ter plaatse zou zijn, de raad niet voornemens is handhavend tegen de tweede bedrijfswoning op te treden. Derhalve is niet aannemelijk dat de tweede bedrijfswoning binnen de planperiode zal worden verwijderd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 42] te Heythuysen, voor zover ter plaatse slechts één woning is toegestaan, is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog van [appellant sub 40] slaagt.

182.8. Wat betreft het betoog dat ten onrechte geen bouwvlak aan de gronden met de agrarische bestemming is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt.

De raad hanteert als uitgangspunt dat een agrarisch bedrijf van 70 Nge of meer volwaardig is. In het deskundigenbericht staat dat het agrarische bedrijf van [appellant sub 40] een omvang van ongeveer 48 Nge heeft. Dit is niet door partijen weersproken. De raad heeft het agrarische bedrijf van [appellant sub 40] als niet volwaardig kunnen aanmerken.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, aanhef en onder u, van de planregels is op het perceel van [appellant sub 40] ter plaatse van de bestemming "Wonen" ook een niet-volwaardig agrarisch bedrijf toegestaan. Dit brengt de Afdeling tot de conclusie dat het agrarische bedrijf van [appellant sub 40] als zodanig is bestemd.

Het betoog van [appellant sub 40] mist feitelijke grondslag.

Conclusie

183. In hetgeen [appellant sub 40] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 42] te Heythuysen, voor zover ter plaatse slechts één woning is toegestaan, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 40] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 49]

Het bouwvlak op het perceel [locatie 43]

184. [appellant sub 49] betoogt allereerst dat de begrenzing van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 43] niet in overeenstemming is met het bouwvlak zoals opgenomen in de door haar ingediende ruimtelijke onderbouwing, terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat het bouwvlak zou worden aangepast. Hierdoor ligt de voorziene groepsaccommodatie op het oostelijke deel van het perceel voor een groot deel buiten het bouwvlak.

184.1. In de Nota van zienswijzen staat dat het bouwvlak overeenkomstig de ruimtelijke onderbouwing zal worden aangepast. De raad heeft toegelicht dat voor de situering van de gewenste groepsaccommodatie gebruik is gemaakt van de als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen kaart met daarop de landschappelijke inpassing van het perceel [locatie 43].

184.2. Blijkens de verbeelding bedraagt de afstand tussen het gebouw op het perceel [locatie 43] op de hoek van de Beekstraat/Varenstraat en de oostelijke grens van het bouwvlak op dit perceel 96 m. De Afdeling stelt vast dat uit de als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen kaart met daarop de landschappelijke inpassing van het perceel [locatie 43] volgt dat de afstand tussen het gebouw op het perceel [locatie 43] op de hoek van de Beekstraat/Varenstraat en de oostelijke begrenzing van de voorziene groepsaccommodatie en erfverharding ongeveer 113 m bedraagt, zodat een groot deel van deze voorziene accommodatie en erfverharding niet in het bouwvlak is opgenomen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat juist is beoogd de voorziene groepsaccommodatie en bijbehorende erfverharding op het perceel [locatie 43] in het bouwvlak op te nemen, zodat de Afdeling aanleiding ziet voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog van [appellant sub 49] slaagt.

De goot- en bouwhoogte

185. [appellant sub 49] voert verder aan dat voor zijn perceel [locatie 43] ten onrechte niet is voorzien in een maximale goothoogte van 5,5 m en een maximale bouwhoogte van 6 m, terwijl hierom in de door hem ingediende ruimtelijke onderbouwing wel is gevraagd.

185.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 43] de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, onder d, van de planregels mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.

185.2. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat voor het perceel [locatie 43], waaraan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend, ten onrechte niet is voorzien in een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 6 en 5,5 m. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 49] slaagt.

Overige

186. [appellant sub 49] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant sub 49] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

187. In hetgeen [appellant sub 49] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het perceel [locatie 43], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 49] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 7]

Intrekking

188. Ter zitting heeft [appellant sub 7] zijn beroep ingetrokken, voor zover dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het zuidwestelijke gedeelte van perceel [locatie 44].

Noordelijk gedeelte perceel [locatie 44]

189. Het beroep van [appellant sub 7] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het noordelijke gedeelte van perceel [locatie 44]. Hij betoogt dat aan een deel van zijn perceel ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend in plaats van een woonbestemming. Volgens [appellant sub 7] is een agrarische bestemming niet in overeenstemming met het feitelijke gebruik van de gronden. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de toekenning van een woonbestemming aan een groter deel van zijn perceel beperkingen zou opleveren voor (agrarische) bedrijfsactiviteiten in de omgeving. [appellant sub 7] stelt dat de bestemmingsvlakken met een woonbestemming op de percelen Eikesstraat 57 en Heide 2 ook zijn vergroot teneinde de situatie ter plaatse in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik.

189.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woonbestemming op het perceel [locatie 44] op juiste wijze is ingetekend. Ter zitting heeft de raad zijn verweer dat een vergroting van het woonbestemmingsvlak op het perceel [locatie 44] leidt tot beperkingen voor de omliggende agrarische bedrijven, ingetrokken.

189.2. Aan noordelijke gedeelte van het perceel [locatie 44] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan het noordelijke gedeelte is niet tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Aan het middengedeelte van het perceel Eyckeuvels 1a is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering;

b. agrarisch grondgebruik;

met de daarbij behorende:

[…]

am. tuinen en erven, uitsluitend binnen het bouwvlak;

nn. parkeervoorzieningen, toegangswegen, inritten en overige terreinverhardingen binnen het bouwvlak;

ao. groenvoorzieningen;

[…]

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

[…]

189.3. Het noordelijke gedeelte van het perceel [locatie 44] heeft blijkens het deskundigenbericht een natuurlijke uitstraling met een grote natuurvijver, is relatief dicht beplant met bomen en heesters en wordt niet voor agrarische doeleinden gebruikt. Gelet hierop is het bestaande gebruik van het noordelijke gedeelte van het perceel met de toekenning van de bestemming "Agrarisch" naar het oordeel van de Afdeling niet als zodanig bestemd. Gelet hierop en nu niet is gebleken van concrete plannen van [appellant sub 7] om ter plaatse agrarische activiteiten te gaan verrichten, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij de toekenning van de bestemming "Agrarisch" aan het noordelijke gedeelte van het perceel [locatie 44] in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. De omstandigheid dat de gronden met de bestemming "Wonen" fysiek zijn afgescheiden van het noordelijke gedeelte van het perceel maakt dit niet anders. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de raad met de toekenning van de bestemming "Agrarisch" de gebruiksmogelijkheden van de gronden zo min mogelijk heeft willen beperken. Dergelijke omstandigheden doen immers geen afbreuk aan het feit dat het noordelijke gedeelte van het perceel niet voor agrarische doeleinden wordt gebruikt.

Het betoog van [appellant sub 7] slaagt, zodat de overige beroepsgronden van [appellant sub 7] geen bespreking meer behoeven.

Conclusie

190. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het noordelijke gedeelte van het perceel [locatie 44], is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 10]

191. Het beroep van [appellant sub 10] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" wat betreft de gronden die direct grenzen aan het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het woonbestemmingsvlak op het perceel [locatie 45]. [appellant sub 10] betoogt dat de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven dat het woonbestemmingsvlak op het perceel [locatie 45] in overeenstemming zou worden gebracht met het wijzigingsplan "[locatie 46] en [locatie 45] te Heythuysen" dat is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 14 september 2010. De raad heeft dit echter niet verwerkt op de verbeelding, zodat de verbeelding volgens [appellant sub 10] in zoverre niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit.

191.1. De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat voor het perceel [locatie 45] het woonbestemmingsvlak ten onrechte niet in overeenstemming is gebracht met het woonbestemmingsvlak uit het wijzigingsplan "[locatie 46] en [locatie 45] te Heythuysen". De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding na de vaststelling van het bestemmingsplan die ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit, hetgeen de raad ook erkent. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

192. [appellant sub 10] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Reijnders heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

193. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 45], in strijd met de rechtszekerheid tot stand is gekomen, voor zover aan dat plandeel in het wijzigingsplan "[locatie 46] en [locatie 45] te Heythuysen" een woonbestemming is toegekend.

Het beroep van [appellant sub 10] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 11]

194. Het beroep van [appellant sub 11] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel [locatie 47], voor zover daaraan bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. [appellant sub 11] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) is verleend voor de bouw van een woning op zijn bedrijfslocatie en dat hij voornemens is deze woning binnen de planperiode te bouwen.

194.1. De raad erkent dat bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan abusievelijk de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend aan het perceel [locatie 47]. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 11] slaagt.

Conclusie

194.2. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" voor het perceel [locatie 47], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 11] is gegrond, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 14]

195. Het beroep van [appellante sub 14] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Roggel, sectie G, perceel nr. 3130, plaatselijk bekend [locatie 48] (hierna: perceel 3130). Zij betoogt dat de verbeelding niet in overeenstemming is met het vaststellingsbesluit. Hiertoe voert [appellante sub 14] aan dat zij in haar zienswijze heeft verzocht om het bouwvlak op haar perceel overeenkomstig het door haar ingediende bedrijfsontwikkelingsplan van 13 december 2011 aan te passen en dat de raad daar in de Nota van zienswijzen mee ingestemd heeft. De verbeelding is daarop echter niet aangepast, zodat deze niet overeenstemt met het vaststellingsbesluit, aldus [appellante sub 14].

195.1. De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak ten onrechte niet overeenkomstig het bedrijfsontwikkelingsplan van [appellante sub 14] is aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit, hetgeen de raad ook erkent. In hetgeen [appellante sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid voor zover aan de strook grond ten zuidoosten van het thans voorziene bouwvlak op het perceel 3130 niet overeenkomstig het bedrijfsontwikkelingsplan van [appellante sub 14] van 13 december 2011 een bouwvlak is toegekend.

Het betoog van [appellante sub 14] slaagt.

De bestemming "Agrarisch met waarden - 4"

196. Het beroep van [appellante sub 14] is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" wat betreft haar percelen kadastraal bekend gemeente Leudal, met de perceelnummers 292, 386, 515, 516, 518, 522, 523, 524, 531, 532, 745, 1990, 2016, 3130, 3207, 3208, 3439, 3597. [appellante sub 14] betoogt dat aan deze percelen ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat in de plantoelichting staat dat deze bestemming is toegekend aan de percelen ter plaatse van beekdalen die zijn opgenomen in het POL 2006. Blijkens het POL 2006 liggen de desbetreffende percelen echter niet of slechts gedeeltelijk in de beekdalen. Feitelijk liggen volgens [appellante sub 14] helemaal geen beekdalen op de desbetreffende percelen. Voorts voert [appellante sub 14] aan dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" niet is toegekend aan percelen met een vergelijkbare ruimtelijke ligging, aldus [appellante sub 14].

196.1. In het deskundigenbericht staat dat de percelen van [appellante sub 14] aan weerszijden van de Roggelse beek liggen. Aan de percelen van [appellante sub 14] met de perceelnummers 292, 386, 515, 524, 531, 532, 745, 1990, 2016, 3130, 3207, 3208, 3439, 3597 is de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend.

196.2. In paragraaf 5.3.2.1 van de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend aan de gronden waar beekdalen liggen. Ter bescherming van de beekdalen geldt ter plaatse volgens de plantoelichting een meer beperkende regeling dan in de bestemming "Agrarisch". Teeltondersteunende voorzieningen zijn bijvoorbeeld niet toegestaan. Daarnaast dient de natuurlijke waterhuishouding en de landschappelijke structuur te worden behouden en waar mogelijk te worden versterkt, aldus de plantoelichting.

196.3. De Afdeling stelt vast dat aan de percelen van [appellante sub 14] met de perceelnummers 516, 518, 522 en 523 - in tegenstelling tot hetgeen [appellante sub 14] stelt - niet de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend. Gelet hierop mist het betoog van [appellante sub 14] dat aan deze percelen ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend feitelijke grondslag.

196.4. Ter zitting heeft de raad ten aanzien van de overige percelen van [appellante sub 14] met de perceelnummers 292, 386, 515, 524, 531, 532, 745, 1990, 2016, 3130, 3207, 3208, 3439, 3597 erkend dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ten onrechte ook is toegekend aan gronden waar geen beekdalen liggen en dat de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" in zoverre aanpassing behoeft. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 14] slaagt, zodat de overige beroepsgronden van [appellante sub 14] ten aanzien van de toekenning van de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" geen bespreking meer behoeven.

Teeltondersteunende voorzieningen

196.5. [appellante sub 14] betoogt dat aan haar percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" ten onrechte niet tevens de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" is toegekend. Hiertoe voert [appellante sub 14] aan dat de raad in de Nota van zienswijzen heeft aangegeven alsnog de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" overeenkomstig haar bedrijfsontwikkelingsplan aan te passen. Nu dit volgens [appellante sub 14] niet is gebeurd, komt de verbeelding in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit.

196.6. Nu aan de percelen van [appellante sub 14] met de perceelnummers 516, 518, 522 en 523 niet de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend, begrijpt de Afdeling het betoog van [appellante sub 14] aldus dat haar beroep niet ziet op de plandelen voor deze perceelnummers. De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" ten onrechte niet overeenkomstig het bedrijfsontwikkelingsplan aan de gronden van

[appellante sub 14] is toegekend. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de percelen van [appellante sub 14] met de perceelnummers 292, 386, 515, 524, 531, 532, 745, 1990, 2016, 3130, 3207, 3208, 3439, 3597 in strijd met de rechtszekerheid tot stand is gekomen.

Het betoog van [appellante sub 14] slaagt.

Conclusie

197. In hetgeen [appellante sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4 voor de percelen van [appellante sub 14] met de kadastrale perceelnummers 292, 386, 515, 524, 531, 532, 745, 1990, 2016, 3130, 3207, 3208, 3439, 3597, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid.

Het beroep van [appellante sub 14] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Symkens B.V.

198. Het beroep van Symkens B.V. is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel Hunselerdijk 5a, voor zover daaraan bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. Symkens B.V. betoogt dat de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" ten onrechte aan zijn perceel is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat een bedrijfswoning in het voorheen geldende planologische regime ook was voorzien en dat het college van burgemeester en wethouders op de hoogte was van haar voornemen om binnen de planperiode een bedrijfswoning op het perceel Hunselerdijk 5a op te richten. Dit voornemen is volgens Symkens B.V. ook verwoord in haar bedrijfsontwikkelingsplan van 24 juni 2011. Bij brief van 21 september 2012 heeft het gemeentebestuur toegezegd het bedrijfsontwikkelingsplan te zullen verwerken in het bestemmingsplan.

198.1. Aan het perceel Hunselerdijk 5a is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend.

Ingevolge artikel 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels gelden voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) op gronden met de bestemming "Agrarisch" de volgende regels:

per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met uitzondering van:

1. […]

2. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" mag geen bedrijfswoning worden gebouwd.

198.2. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999". Aan het perceel Hunselerdijk 5a was in het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999" de bestemming "Agrarisch bouwblok" toegekend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften waren de gronden die op de bestemmingenkaart aangewezen voor "Agrarisch bouwblok" bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden en bedoeld voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf […]

Ingevolge het vierde lid mocht op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de aanwijzingen op de bestemmingenkaart en de volgende bepalingen:

[…]

4. Behoudens vrijstelling mocht binnen het bouwblok één bedrijfswoning worden opgericht, met dien verstande dat indien ten tijde van het tervisieleggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan geen bedrijfswoning aanwezig was, tevens vrijstelling nodig was voor het oprichten van een eerste bedrijfswoning, met inachtneming van […]

198.3. Niet in geschil is dat thans geen bedrijfswoning aanwezig is op het perceel Hunselerdijk 5a. Vaststaat dat in het ontwerpbestemmingsplan bij recht was voorzien in de bouw van een bedrijfswoning op het perceel Hunselerdijk 5a, doch dat bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" aan het perceel is toegekend. De omstandigheid dat Symkens B.V. reeds in 2011 kenbaar heeft gemaakt dat zij voornemens is binnen de planperiode een bedrijfswoning op te richten, rechtvaardigt op zichzelf niet het oordeel dat dit initiatief ook in het plan dient te worden opgenomen. Weliswaar dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan met een concreet bouwplan rekening te houden, maar dit houdt slechts in dat de raad dient te bezien of dat initiatief strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en, gelet op alle daarbij betrokken belangen, in het bestemmingsplan kan worden opgenomen. Uit deze belangenafweging kan voortvloeien dat niet elk concreet bouwplan ook in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij niet langer wenst te voorzien in nieuwe bedrijfswoningen in het buitengebied. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan dan ook een uitgangspunt gehanteerd waarbij alleen is voorzien in een bedrijfswoning indien deze reeds op een perceel aanwezig was of indien het voorheen geldende planologische regime daarin bij recht voorzag. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Nu op het perceel geen bedrijfswoning staat en het voorheen geldende planologische regime, gelet op artikel 12, vierde lid, onder 4, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999" niet bij recht voorzag in de bouw van een bedrijfswoning op het perceel Hunselerdijk 5a, heeft de raad overeenkomstig het hiervoor beschreven uitgangspunt de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend aan het perceel Hunselerdijk 5a. In hetgeen Symkens B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan de toepassing van dit uitgangspunt.

198.4. Voor zover Symkens B.V. zich beroept op het vertrouwensbeginsel, omdat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 21 september 2012 zou hebben toegezegd dat zou worden voorzien in een bedrijfswoning op het perceel Hunselerdijk 5a, overweegt de Afdeling als volgt. In het bedrijfsontwikkelingsplan van 24 juni 2011 geeft Symkens B.V. aan op welke wijze zij de komende jaren het bedrijf op het perceel Hunselerdijk 5a wenst te ontwikkelen en welke bebouwing zij daarbij binnen de planperiode wenst op te richten. Daarbij maakt Symkens B.V. tevens melding van haar voornemen om binnen de planperiode een bedrijfswoning op te richten. Op de situatieschets van het perceel die bij het bedrijfsontwikkelingsplan is gevoegd, staat de bedrijfswoning echter niet ingetekend. Bij brief van 12 december 2011 heeft Symkens in aanvulling op haar bedrijfsontwikkelingsplan een nieuwe situatieschets ingediend waarop de bedrijfswoning wel staat ingetekend.

In de brief van 21 september 2012 aan Symkens B.V. geeft het college van burgemeester en wethouders te kennen dat, gelet op de door Symkens B.V. in het bedrijfsontwikkelingsplan beschreven ontwikkelingen, het agrarisch bouwblok op het perceel zal worden gehandhaafd. De raad stelt terecht dat het college van burgemeester en wethouders daarbij geen specifieke toezegging heeft gedaan omtrent het voorzien in een bedrijfswoning op het perceel. Overigens kunnen in het algemeen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust immers niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. Gelet op het voorgaande heeft de raad het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog van Symkens B.V. faalt.

Conclusie

199. Gelet op het voorgaande is het beroep van Symkens B.V. ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 42]

200. [appellante sub 42] betoogt dat het bouwvlak voor haar perceel [locatie 49] te Roggel ten onrechte niet is opgenomen overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan en de inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), terwijl de raad in de Nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven dat dit wel het geval zou zijn. Hierdoor zijn een deel van de permanente teelttunnels en een onlangs vergund waterbassin buiten het bouwvlak komen te liggen.

200.1. De raad erkent in het verweerschrift dat het waterbassin per abuis niet in het bouwvlak is opgenomen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 42] slaagt.

200.2. [appellante sub 42] exploiteert op het perceel [locatie 49] een agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Roggel en Neer". De raad stelt in de Nota van zienswijzen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 49] niet correct is opgenomen op de verbeelding, maar dat dit overeenkomstig de omgevingsvergunning en het voorheen geldende bestemmingsplan zal worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 42] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 42] slaagt.

Overige

201. [appellante sub 42] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 42] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

202. In hetgeen de [appellante sub 42] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 49] te Roggel, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 42] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 45]

203. [appellante sub 45] betoogt dat aan het perceel aan de Reyndersstraat te Baexem, kadastraal bekend als sectie R, nummer 331 (hierna: het perceel aan de Reyndersstraat), ten onrechte de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" is toegekend, omdat dit perceel niet in de EHS ligt. Voorts betoogt zij dat het toekennen van deze aanduiding ten onrechte niet is gemotiveerd.

203.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" aan gronden wordt toegekend die in de EHS liggen. Dit is volgens de raad gedaan aan de hand van gegevens die door de provincie zijn verstrekt. De aanduiding is volgens de raad terecht toegekend.

203.2. Aan het perceel aan de Reyndersstraat is de bestemming "Agrarisch" toegekend, met de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1".

Ingevolge artikel 50, lid 50.24, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" de bestemming van de gronden te wijzigen in de bestemming "Natuur", onder de voorwaarden dat:

a. de agrarische activiteiten ter plaatse zijn beëindigd;

b. op de gronden natuurontwikkeling heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden;

c. het type natuurontwikkeling moet passen binnen het gebied;

d. natuurontwikkeling van de gronden uitsluitend geschiedt op basis van vrijwillige medewerking van de eigenaren van de desbetreffende gronden.

203.3. In het POL 2006 is het perceel dat [appellante sub 45] exploiteert niet aangewezen als EHS. Desgevraagd heeft de raad ter zitting erkend dat de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" ten onrechte aan het perceel aan de Reyndersstraat is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 45] slaagt.

Conclusie

203.4. In hetgeen [appellante sub 45] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" voor het perceel aan de Reyndersstraat, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 45] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 52]

204. [appellante sub 52] betoogt dat de op 6 december 2012 verleende omgevingsvergunning waarmee van het ten tijde daarvan geldende bestemmingsplan is afgeweken niet juist in het plan is verwerkt. Voorts betoogt zij dat ten onrechte aan een deel van het perceel [locatie 50] de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Volgens haar moet aan deze gronden de bestemming "Wonen" worden toegekend.

204.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemmingen in overeenstemming zijn met de op 6 december 2012 verleende omgevingsvergunning.

204.2. Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel". In dit voorheen geldend bestemmingsplan was aan het perceel [locatie 50] een woonbestemming toegekend. Aan het perceel Smidstraat 10 was een agrarische bestemming toegekend.

Niet in geschil is dat aan de verlening van de omgevingsvergunning het stuk "Projectafwijkingsbesluit Smidstraat 10 te Hunsel" van 25 juli 2012 (hierna: het projectafwijkingsbesluit) ten grondslag ligt.

204.3. Wat betreft het betoog dat de op 6 december 2012 verleende omgevingsvergunning waarmee van het ten tijde daarvan geldende bestemmingsplan is afgeweken niet juist in het bestemmingsplan is opgenomen, heeft [appellante sub 52] ter zitting erkend dat deze omgevingsvergunning wel juist is verwerkt.

Het betoog van [appellante sub 52] mist derhalve feitelijke grondslag.

204.4. Wat betreft de strook grond met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 50], overweegt de Afdeling als volgt.

In het deskundigenbericht staat dat volgens de tekening bij het projectafwijkingsbesluit de afstand tussen de westelijke gevel van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel Smidstraat 10 en de grens van het projectgebied met het perceel [locatie 50] ongeveer 44 m bedraagt. Volgens de kadastrale kaarten met de huidige situatie is die afstand gelijk gebleven. Voorts staat er dat, wanneer deze situatie wordt overgezet naar de verbeelding van het plan, de strook grond van ongeveer 7 m breed waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend zonder bouwvlak bij het perceel [locatie 50] hoort. Deze strook grond is ingericht als tuin, aldus het deskundigenbericht.

Ingevolge artikel 3 van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden niet bestemd voor tuinen. De strook grond van het perceel [locatie 50] waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend is ingericht als tuin en had in het voorheen geldende bestemmingsplan een woonbestemming. Tevens is gebleken dat de op 6 december 2012 verleende omgevingsvergunning niet op het perceel [locatie 50] zag. De Afdeling overweegt dat met het toekennen van de bestemming "Agrarisch" aan deze gronden het gebruik ervan als tuin onder het overgangsrecht is gebracht. Het onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan aanvaardbaar zijn, maar hiervoor is in ieder geval vereist dat aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode van tien jaar zal worden gestaakt. Niet is gebleken dat het gebruik van de gronden als tuin binnen de planperiode zal worden gestaakt. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad ter zitting niet heeft kunnen aangeven waarom een agrarische bestemming op deze gronden passend is. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat de agrarische bestemming nodig is als buffer, overweegt de Afdeling dat in het kader van de milieuregelgeving niet wordt gemeten tot de grens van het bouwvlak maar tot het bestaande milieugevoelige object. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Agrarisch" aan het perceel [locatie 50] niet met de daarbij vereiste zorgvuldigheid is toegekend.

Het betoog van [appellante sub 52] slaagt.

205. [appellante sub 52] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 52] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

206. In hetgeen [appellante sub 52] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 50], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 52] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 58A]

207. [appellant sub 58A] en [appellante sub 58B] hebben gezamenlijk beroep ingesteld, maar apart van elkaar een zienswijze ingediend. [appellant sub 58A] heeft zich in zijn zienswijze gericht tegen het planologische regime voor het perceel [locatie 51]. [appellante sub 58B] heeft zich in haar zienswijze gericht tegen het planologische regime voor het perceel [locatie 52]. Gelet op het voorgaande vat de Afdeling het beroep van [appellant sub 58A], voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 58A], aldus op dat [appellant sub 58A] heeft beoogd alleen beroep in te stellen tegen het plandeel voor het perceel [locatie 51]. Het beroep van [appellant sub 58A], voor zover dat is ingesteld door [appellante sub 58B], vat de Afdeling aldus op dat [appellante sub 58B] heeft beoogd alleen beroep in te stellen tegen het plandeel voor het perceel [locatie 52].

Specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf; perceel [locatie 51]

208. Het beroep van [appellant sub 58A] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" wat betreft het perceel [locatie 51]. [appellant sub 58A] betoogt dat de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" ten onrechte niet aan het perceel [locatie 51] is toegekend. Hiertoe voert hij aan met het gemeentebestuur te zijn overeengekomen dat aan het perceel [locatie 51] de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" zou worden toegekend. Verder voert hij aan dat aan andere voormalig agrarische bedrijven wel de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" is toegekend.

208.1. De raad betoogt dat de woonbestemming overeenkomt met het bestaande gebruik op het perceel [locatie 51].

208.2. Aan het perceel [locatie 51] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

[…]

u. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" tevens voor wonen uitsluitend ter plaatse van de toegestane bedrijfswoning al dan niet in combinatie met een niet volwaardig agrarisch bedrijf waarbij de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:

1. een kleinschalige horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

2. bed & breakfast in het hoofdgebouw ten behoeve van maximaal twee slaapplaatsen;

3. detailhandel in zelfgemaakte, - bewerkte, - gekweekte, - geteelde agrarische producten, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;

4. zorglandbouw, uitsluitend in de vorm van dagbesteding;

[…]

208.3. Uit de uitspraak van de Afdeling 24 juli 2013, zaak nr. 201208782/1/A1, volgt dat er op dat moment geen aanleiding bestond om aan te nemen dat door [appellant sub 58A] op het perceel [locatie 51] een agrarisch bedrijf werd geëxploiteerd en dat ook geen aanleiding bestond om aan te nemen dat hij de woning in gebruik had als agrarische bedrijfswoning. [appellant sub 58A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat nadien een wijziging in het gebruik op het perceel [locatie 51] heeft plaatsgevonden. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in het deskundigenbericht. Verder volgt uit het deskundigenbericht dat de gronden rondom de woning op het perceel [locatie 51] zijn ingericht als tuin en dat op het perceel geen agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is.

Gelet op het voorgaande alsmede op de omstandigheid dat niet is gebleken van concrete plannen van [appellant sub 58A] voor het ontwikkelen van de activiteiten als genoemd in artikel 29, lid 29.1, onder u, onder 1 tot en met 4, van de planregels ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 58A] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" aan het perceel [locatie 51].

Voor zover [appellant sub 58A] heeft aangevoerd dat in vergelijkbare situaties wel is voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf", overweegt de Afdeling dat [appellant sub 58A] deze stelling niet met concrete voorbeelden heeft gestaafd.

Het betoog van [appellant sub 58A] faalt.

De bestemmingen "Waarde - Archeologie 4" en "Waarde - Archeologie 5"

209. [appellant sub 58A] betoogt dat aan de percelen [locatie 52] en 29 ten onrechte de bestemming "Waarde - Archeologie 4" onderscheidenlijk de bestemming "Waarde - Archeologie 5" zijn toegekend. Hiertoe voert hij aan dat de percelen reeds verschillende keren zijn afgegraven en dat nooit archeologische waarden zijn aangetroffen.

209.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wabo verplicht worden gesteld.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.

209.2. Aan het perceel [locatie 52] is de bestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend. Aan het perceel [locatie 51] is de bestemming "Waarde - Archeologie 5" toegekend.

Ingevolge artikel 38, lid 38.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 4" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de diverse (dubbel)bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 54, lid 54.1.

Ingevolge lid 38.2.1 geldt het volgende:

a. Indien het oprichten van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen wordt gevraagd, kan leiden tot aantasting van archeologische waarden, wordt de omgevingsvergunning pas verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld of waaruit blijkt dat:

1. archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;

2. het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of

3. de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad;

b. Het bepaalde in lid 38.2.1 onder a is niet van toepassing indien:

1. het een overige bouwwerk betreft dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is;

2. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid;

3. de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 250 m²;

4. de grootte van de bodemingreep groter is dan 250 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak.

Ingevolge lid 38.4.1 is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 4" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

[…]

Ingevolge artikel 39, lid 39.1, zijn de voor Waarde - Archeologie 5" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de diverse (dubbel)bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 54, lid 54.1.

Ingevolge lid 39.2.1 geldt het volgende:

a. indien het oprichten van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen wordt gevraagd, kan leiden tot aantasting van archeologische waarden, wordt de omgevingsvergunning pas verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld of waaruit blijkt dat:

1. archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;

2. het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of

3. de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad;

b. Het bepaalde in lid 39.2.1 onder a is niet van toepassing indien:

1. het een overige bouwwerk betreft dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is;

2. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid;

3. de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 1.000 m²;

4. de grootte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak.

Ingevolge lid 39.4.1 is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 5" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

[…]

209.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2011 in zaak nr. 201010190/1/R3 is voor het opnemen van een beschermingsregeling niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vaststaat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen.

209.4. Uit paragraaf 3.4.2.3 van de plantoelichting volgt dat aan de hand van inventarisaties een verwachtingsmodel is opgesteld waarin de meest waarschijnlijke vindplaatsen van (pre-)historische samenlevingen zijn opgenomen. Dit model is vervolgens verwerkt in de archeologische verwachtingskaart waarop door middel van vlakken (verwachtingszones) inzicht in de archeologische verwachtingen voor de gemeente Leudal wordt geboden. In paragraaf 5.3.2.2 van de plantoelichting staat dat de gebieden met een archeologische verwachtingswaarden overeenkomstig de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart zijn bestemd als "Waarde -Archeologie" waarbij per onderzoekscategorie van de bodemingrepen (oppervlakte en diepte) een aparte archeologische bestemming is opgenomen genummerd van 1 tot en met 7.

209.5. In het deskundigenbericht staat dat het perceel [locatie 52] op de archeologische verwachtingskaart is aangeduid als "AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde". Hierbij past volgens het deskundigenbericht de bestemming "Waarde - Archeologie 4". Het perceel [locatie 51] heeft op de archeologische verwachtingskaart de aanduiding "hoge verwachting voor droge landschappen", hetgeen volgens het deskundigenbericht past binnen de bestemming "Waarde - Archeologie 5". [appellant sub 58A] heeft met de enkele stelling dat in het verleden op de percelen [locatie 52] en [locatie 51] reeds graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, niet aannemelijk gemaakt dat de verwachtte archeologische waarden van de percelen verloren zijn gegaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de vervaardiging van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is uitgevoerd door een gespecialiseerd bureau. De archeologische verwachtingskaart biedt naar het oordeel van de Afdeling dan ook een toereikende grondslag voor de toekenning van de bestemmingen "Waarde - Archeologie 4" en "Waarde - Archeologie 5" wat betreft de percelen onderscheidenlijk [locatie 52] en [locatie 51].

Het betoog van [appellant sub 58A] faalt.

Overig

210. In de niet nader onderbouwde betogen van [appellant sub 58A] omtrent het plan-MER, het dempen van gronden en het intekenen van agrarische bebouwing op het perceel [locatie 52] ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 58A] bestreden plandelen strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Conclusie

211. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 58A] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 53]

212. [appellante sub 53] betoogt dat het bouwvlak op haar perceel [locatie 53] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het bouwvlak zoals opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel". Hiertoe heeft zij ter zitting aangevoerd dat een deel van de bestaande verharding waarop vrachtwagens worden gestald buiten het bouwvlak is komen te liggen. Zij voert verder aan dat in verband met de uitbreiding van haar akkerbouwbedrijf de nog onbenutte ruimte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" was opgenomen, benodigd is voor de bouw van een loods voor de opslag van agrarische producten en voor de bouw van een berging voor de stalling van machines en materieel. Ter onderbouwing van het door haar gewenste bouwvlak heeft zij desgevraagd een bedrijfsontwikkelingsplan ingediend waarin de door haar gewenste opslagloods en werktuigenberging staan aangegeven. Dat voor de neventak van haar bedrijf dat gericht is op de op- en overslag van mest en mestverwerking inmiddels een andere locatie is gevonden, maakt volgens [appellante sub 53] niet dat op het perceel [locatie 53] geen sprake meer is van een agrarisch bedrijf.

212.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 53] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan een deel van deze gronden is tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend. De Afdeling stelt vast dat omvang van het bouwvlak ongeveer 62 m bij 70 m bedraagt.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, onder a en an, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, toegangswegen, inritten en overige terreinverhardingen binnen het bouwvlak.

Ingevolge lid 3.2.1, onder a, geldt voor bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd.

212.2. In het deskundigenbericht staat dat het bouwvlak op het perceel [locatie 53] aanzienlijk is verkleind ten opzichte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan was opgenomen, welk bouwvlak een omvang had van ongeveer 100 m bij 105 m. Een deel van de bestaande verharding die thans in gebruik is voor de stalling van vrachtwagens ligt volgens het deskundigenbericht buiten het bouwvlak. Het realiseren van de door [appellante sub 53] gewenste bedrijfsbebouwing is tevens niet mogelijk.

In het deskundigenbericht staat verder dat het bedrijf van [appellante sub 53] op het perceel [locatie 53] is ontstaan vanuit het akkerbouwbedrijf dat hier al decennialang is gevestigd. In de loop der jaren is op het perceel een aantal nevenactiviteiten ontwikkeld waarvan uiteindelijk de op- en overslag van mest en de mestverwerking de overhand hebben genomen. Hiervoor is op 17 maart 2006 een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (thans: de Wabo) verleend. Na overleg met de gemeente is besloten deze bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar bedrijventerrein Zevenellen. Daartoe is op 9 september 2014 omgevingsvergunning verleend. Het akkerbouwbedrijf van [appellante sub 53] op het perceel [locatie 53] richt zich volgens het deskundigenbericht op de teelt van wintertarwe en snijmaïs en van bloembollen en bloemknollen, meer specifiek lelies. Voor de verbouw van deze gewassen heeft [appellante sub 53] ruim 8 ha grond in eigendom. De exacte omvang van het gebruik van deze gronden wisselt per jaar.

212.3. Wat betreft het betoog van [appellante sub 53] dat een deel van de bestaande verharding op het perceel [locatie 53] niet als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is vast komen te staan dat de desbetreffende verharding aan de noordzijde van het perceel niet binnen het bouwvlak is gelegen, zodat deze verharding ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, onder an, van de planregels niet als zodanig is bestemd. Ter zitting heeft de raad dit erkend. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met de zorgvuldigheid vastgesteld.

Het betoog van [appellante sub 53] slaagt.

212.4. Wat betreft het betoog van [appellante sub 53] dat in verband met de gewenste uitbreiding van haar akkerbouwbedrijf de nog onbenutte ruimte van het bouwvlak uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hunsel" benodigd is, overweegt de Afdeling als volgt.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft toegelicht dat bij de vaststelling van het thans voorliggende bestemmingsplan een uitgangspunt is gehanteerd waarbij in beginsel alleen een bouwvlak wordt toegekend aan bestaande bebouwing. Uit paragraaf 2.4.4 van de plantoelichting volgt verder dat in de beleidsvisie "Beleidsvisie Bestemmingsplan Buitengebied" de hoofdlijnen zijn opgenomen die zijn aangehouden bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Een uitgangspunt dat blijkens de plantoelichting in de Beleidsvisie Bestemmingsplan Buitengebied is opgenomen is dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan onbenutte delen van bestaande bouwvlakken in beginsel heeft verkleind.

Overeenkomstig de hiervoor beschreven uitgangspunten heeft de raad het bouwvlak op het perceel [locatie 53] verkleind.

[appellante sub 53] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geraakt, te meer nu zij ter zitting heeft erkend dat zij voor de vaststelling van het plan - hoewel door de raad gevraagd - geen ruimtelijke onderbouwing heeft aangeleverd met betrekking tot de realisatie van de extra opslagloods en werktuigenberging. Volgens haar was het onvoldoende duidelijk op welke wijze en in welke omvang de agrarische bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet. Gelet hierop beschikte de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet over voldoende gegevens om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen. Derhalve heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in redelijkheid het bouwvlak op het perceel [locatie 53] kunnen verkleinen.

Het betoog van [appellante sub 53] faalt.

213. [appellante sub 53] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 53] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

214. In hetgeen [appellante sub 53] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 53], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 53] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 54]

Zienswijze

215. [appellant sub 54] betoogt dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op zijn zienswijze, voor zover het betreft het toekennen van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" aan een deel van zijn perceel [locatie 54] en het niet opnemen van een verbod om binnen deze aanduiding woningen te bouwen.

215.1. In de Nota van zienswijzen is de raad niet ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 54], voor zover het betreft het toekennen van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" aan een deel van zijn perceel [locatie 54] en het niet opnemen van een verbod om binnen deze aanduiding woningen te bouwen. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om het gebrek van het niet ingaan op de zienswijze van [appellant sub 54], uitsluitend voor zover het betreft het toekennen van voornoemde gebiedsaanduiding aan een deel van het perceel [locatie 54], te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daartoe wordt overwogen dat aannemelijk is dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad in het verweerschrift alsnog inhoudelijk op de aan een deel van het perceel [locatie 54] toegekende gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" is ingegaan en [appellant sub 54] de mogelijkheid heeft gehad hierop te reageren.

De gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone"

216. Verder betoogt [appellant sub 54] dat het toekennen van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" aan een deel van zijn bouwvlak leidt tot belemmeringen voor zijn (toekomstige) bedrijfsontwikkeling. Hierbij voert hij aan dat deze gebiedsaanduiding toegekend had moeten worden aan de zone met een breedte van 200 m gelegen aansluitend aan de bebouwde kom, een begrip dat ook in Wgv wordt gehanteerd, en niet aansluitend aan de begrenzing van het plangebied van het bestemmingsplan "Kern Hunsel". Volgens hem kan de noordoosthoek van het plangebied van het bestemmingsplan "Kern Hunsel" niet worden gerekend tot de bebouwde kom, gezien de feitelijke situatie en inrichting. Volgens [appellant sub 54] zal, indien een zonering van 200 m wordt aangehouden ten opzichte van bestaande woningen in het gebied met meer geconcentreerd gelegen bebouwing, zijn gehele bouwvlak buiten die zonering liggen. Het feit dat een gedeelte van het agrarisch bouwvlak wel de aanduiding "overige zone - kernrandzone" heeft en de rest van het bouwvlak niet, leidt volgens [appellant sub 54] bovendien tot onduidelijkheid en onzekerheid. Hij voert aan dat het beleid er altijd op gericht is geweest voor het gehele bouwvlak hetzelfde regime te laten gelden.

216.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 54] de bestemming "Agrarisch toegekend. Aan een deel van dit perceel is de aanduiding "bouwvlak" toegekend en aan een groot deel van het bouwvlak is tevens de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Blijkens de verbeelding is aan een groot deel van het perceel en het bouwvlak tevens de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone".

Ingevolge artikel 1, lid 1.83, van de planregels moet onder het begrip kernrandzone worden verstaan een zone van 200 m rond de kern.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, onder a en h, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering en ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij.

Ingevolge lid 3.6.4 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: het bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1.1, onder h, voor het gebruik van de gronden buiten de aanduiding "intensieve veehouderij" voor intensieve veehouderij, onder de voorwaarden dat:

a. de vergroting is gelegen binnen het bestaande bouwvlak;

b. er geen sprake is van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone";

[..].

Ingevolge lid 3.7.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met uitbreiding en/of vormverandering van de aanduiding "intensieve veehouderij", onder de voorwaarden dat:

a. de uitbreiding of vormverandering niet ligt ter plaatse van de aanduiding "overige zone - kernrandzone";

[..].

Ingevolge artikel 50, lid 50.11, mag ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" geen uitbreiding plaatsvinden van een intensieve veehouderij.

216.2. In paragraaf 5.3.3.4 van de plantoelichting staat dat rond de kernen een kernrandzone van 200 m geldt. Deze zone is geïntroduceerd om een scheiding aan te brengen tussen mens- en dierconcentraties. Binnen deze aanduiding mag geen uitbreiding plaatsvinden van intensieve veehouderij en zijn geen agrarische bedrijven mogelijk met een bouwvlak groter dan 2,5 ha.

216.3. Ingevolge artikel 3 van de Wgv wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht (hierna: OU/m3) en indien het geurgevoelig object is gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom als de geurbelasting meer bedraagt dan 14,0 OU/m3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, voor zover van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 OU/m3 en niet meer dan 14,0 OU/m3;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 OU/m3 en niet meer dan 35,0 OU/m3.

216.4. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 54] op het perceel [locatie 54] een gemengd agrarisch bedrijf heeft met vleesvarkens en akkerbouw en dat dit bedrijf ten noordoosten van de kern Hunsel ligt. Het akkerbouwgedeelte van het bedrijf is gericht op het telen van mais, aardappelen en uien. De opslag van de akkerbouwproducten vindt plaats in de schuur in de zuidwesthoek van het bouwvlak. Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een extra schuur aansluitend aan voornoemde bestaande schuur. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 54] binnenkort tot de bouw van deze schuur over gaat. Het varkenshouderijgedeelte van het bedrijf heeft in totaal 5.000 varkensplaatsen. De varkens zijn gehuisvest in een aantal oudere stallen die binnenkort worden vervangen door een nieuwe stal, waarvoor bij besluit van 15 november 2013 een omgevingsvergunning is verleend, en in een kortgeleden gerealiseerde nieuwe stal. In het deskundigenbericht staat verder dat [appellant sub 54] heeft medegedeeld dat hij op dit moment geen plannen heeft voor verdere uitbreiding van zijn bedrijfsactiviteiten.

216.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij het toekennen van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" beleidsvrijheid en is hij niet verplicht om aan te sluiten bij de begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in de Wgv, te meer nu de Wgv het begrip kernrandzone niet kent.

De Afdeling is verder van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ongewenst is dat intensieve veehouderijen in een kernrandzone rond dorpskernen doorgroeien. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in dit verband terecht gewezen op de grote ruimtelijke impact van intensieve veehouderijen op de omgeving. De stallen hebben een grote omvang en door hun verschijningsvorm is sprake van een grote impact op het landschap. Voorts heeft de raad er in redelijkheid belang aan kunnen hechten dat het vanuit het oogpunt van volksgezondheid wenselijk is een scheiding tussen mens- en dierconcentraties tot stand te brengen. [appellant sub 54] heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de gekozen breedte van de kernrandzone van 200 m rondom een kleine landelijke kern zoals Hunsel onredelijk zou zijn. Voor zover [appellant sub 54] heeft betoogd dat de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" had moeten worden toegekend aansluitend aan de bestaande woningen en niet aansluitend aan de begrenzing van het plangebied van het bestemmingsplan "Kern Hunsel", omdat in het noordoostelijke deel van dat plangebied ten noorden van de woningen aan de Beukenstraat en ten zuiden van de kruising Schansstraat/Kraakstraat thans geen woningen aanwezig zijn maar enkel een hoveniersbedrijf en een agrarisch bedrijf, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij het toekennen van voornoemde aanduiding onder meer rekening is gehouden met toekomstige uitbreidingsmogelijkheden voor woningbouwlocaties in het gebied. Zo is inmiddels vergunning verleend voor de bouw van woningen ten oosten van de Kraakstraat. De keuze van de raad acht de Afdeling niet onredelijk.

Voor zover [appellant sub 54] heeft betoogd dat het toekennen van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" aan slechts een deel van zijn agrarisch bouwvlak leidt tot onduidelijkheid en onzekerheid, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 50, lid 50.11, van de planregels mag ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" geen uitbreiding plaatsvinden van een intensieve veehouderij. Uit het deskundigenbericht volgt dat het deel van het bouwvlak op het perceel [locatie 54] waaraan de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" is toegekend reeds grotendeels bebouwd is dan wel bebouwd mag worden op grond van de verleende omgevingsvergunningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt of het in de toekomst gaan houden van varkens in de nieuw te bouwen stal, voor welke stal op 15 november 2013 omgevingsvergunning voor bouwen is verleend en die gedeeltelijk is voorzien op gronden met de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone", op grond van het onderhavige plan is toegestaan of dat daarmee alsnog sprake zou zijn van een uitbreiding van een intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 50, lid 50.11, van de planregels.

Het betoog van [appellant sub 54] slaagt.

Overige

217. [appellant sub 54] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 54] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

218. In hetgeen [appellant sub 54] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" voor het perceel [locatie 54], niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 54] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 55]

219. [appellant sub 55] betoogt dat aan zijn perceel [locatie 55] te Hunsel ten onrechte een woonbestemming is toegekend. Volgens hem volgt deze wijziging ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan niet uit het vaststellingsbesluit. Voorts betoogt hij dat het toekennen van de woonbestemming onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet duidelijk is waarom deze bestemming is toegekend. Omdat de inspraakprocedure geen deel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure had hij met zijn inspraakreactie geen rekening meer hoeven houden. Dat hij volgens de raad zou moeten aantonen dat zijn bedrijf minimaal 20 Nge omvat was hem niet duidelijk, gelet op de agrarische bestemming die in het ontwerpbestemmingsplan aan zijn perceel was toegekend.

219.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijziging ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn grondslag vindt in de ambtshalve wijzigingen, omdat de wijziging op de inspraakreactie van [appellant sub 55] is gebaseerd. Voorts is de raad van mening dat [appellant sub 55] vanwege het niet verwerken van zijn inspraakreactie in het ontwerpbestemmingsplan om toelichting had moeten vragen. Omdat de door [appellant sub 55] overgelegde gegevens onvoldoende zijn en hij geen bedrijfsontwikkelingsplan heeft ingediend, is onduidelijk of er sprake is van een agrarisch bedrijf, aldus de raad.

219.2. [appellant sub 55] heeft ingesproken op het voorontwerpbestemmingsplan en daarop is gereageerd met de mededeling dat de bestemming van het perceel [locatie 55] van "Agrarisch" met een bouwvlak zal worden veranderd naar "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf". In het ontwerpbestemmingsplan was aan het perceel [locatie 55] de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak toegekend. In de Nota van zienswijzen staat bij de ambtshalve wijzigingen vermeld dat aanpassingen die vanuit de inspraak verwerkt zouden worden, maar abusievelijk niet zijn aangepast en waarover geen zienswijze is ontvangen, alsnog worden verwerkt. In het bestemmingsplan is aan dit perceel de bestemming "Wonen" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf".

219.3. De Afdeling overweegt dat in het vaststellingsbesluit de Nota van zienswijzen is herhaald en ingelast. Zodoende is besloten tot de hiervoor genoemde ambtshalve wijziging. Voorts acht de Afdeling de omschrijving van de wijziging niet onduidelijk, waarbij van belang is dat de Nota van inspraak als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd waardoor duidelijk is wat de reactie op de inspraak over het perceel [locatie 55] was.

Het betoog van [appellant sub 55] faalt.

219.4. Wat betreft de toekenning van de bestemming "Wonen" aan het perceel [locatie 55] overweegt de Afdeling als volgt.

Het standpunt van de raad dat geen agrarische bestemming kan worden toegekend omdat [appellant sub 55] onvoldoende gegevens heeft overgelegd kan niet gevolgd worden. Zoals volgt uit het deskundigenbericht exploiteert [appellant sub 55] op het perceel [locatie 55] een akkerbouwbedrijf. Nu aan het perceel in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak was toegekend, lag het niet op de weg van [appellant sub 55] om alsnog gegevens over zijn agrarische bedrijf te overleggen, maar lag het op de weg van de raad om [appellant sub 55] om de ontbrekende gegevens te vragen. Nu de raad dat niet heeft gedaan en niet is gebleken waarom een woonbestemming ter plaatse passend is, is het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog van [appellant sub 55] slaagt.

Conclusie

219.5. In hetgeen [appellant sub 55] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 55] te Hunsel, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 55] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 56]

De bestemming "Groen"

220. [appellante sub 56] betoogt allereerst dat aan haar gronden ten noordoosten van het bouwvlak op het perceel [locatie 56] ten onrechte de bestemming "Groen" is toegekend. Zij wijst erop dat in de eerdere procedure omtrent het verlenen van omgevingsvergunning met afwijking voor het veranderen en vergroten van het bouwvlak op het perceel [locatie 56] niet is vastgelegd dat als gevolg van het inrichtingsplan de bestemming van de desbetreffende strook grond gewijzigd zou worden van "Agrarisch" naar "Groen". Daarbij merkt [appellante sub 56] op dat de bestemming "Groen" geen waarborg biedt voor het in stand houden van de landschappelijke inpassing, maar dat artikel 49 van de planregels dit doet. Zij wijst er verder op dat op veel gronden in het plangebied is voorzien in een landschappelijke inpassing, maar dat aan het merendeel hiervan geen groenbestemming maar een agrarische bestemming is toegekend. [appellante sub 56] voert ten slotte aan dat de desbetreffende gronden waaraan de groenbestemming is toegekend hoofdzakelijk agrarisch in gebruik zijn als weiland waar dieren kunnen grazen en voor het telen van fruit, maar dat dit agrarisch gebruik binnen de bestemming "Groen" niet is toegestaan en derhalve onder het overgangsrecht is gebracht.

220.1. Blijkens de verbeelding is aan een strook grond gelegen ten noordoosten van het bouwvlak op het perceel [locatie 56] de bestemming "Groen" toegekend. Aan onder meer het naastgelegen bouwvlak is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Groen" onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting en landschappelijke inpassing.

Ingevolge artikel 49, lid 49.2, dient voor de locaties waarvoor een inpassingsplan/inrichtingsplan geldt zoals opgenomen in bijlage 7 behorend bij de planregels, sprake te zijn van landschappelijke inpassing van de bebouwing overeenkomstig dat inpassingsplan/inrichtingsplan of overeenkomstig een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurde aanpassing daarvan, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:

a. de inpassing dient uiterlijk 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan te hebben plaatsgevonden;

b. de inpassing dient in stand te worden gehouden.

220.2. In bijlage 7 bij de planregels is onder nummer 18 het inrichtingsplan voor het perceel [locatie 56] opgenomen. In dit inrichtingsplan staat dat op de gronden waaraan in het onderhavige plan een groenbestemming is toegekend 36 hoogstamfruitbomen zullen worden geplant.

220.3. In het deskundigenbericht staat dat op het perceel [locatie 56] een zorgboerderij aanwezig is. Op het perceel staan een aantal bedrijfsgebouwen, waaronder een varkensstal waar op diervriendelijke wijze ongeveer 900 varkens worden gehouden. Aan de oostzijde van het perceel bevindt zich een pas aangelegde groenstrook met enkele fruitbomen. Deze strook is aangelegd in verband met de voorgeschreven landschappelijke compensatie voor de bouw van een varkensstal.

220.4. Ter zitting heeft de raad erkend dat de agrarische activiteiten die plaatsvinden op de strook grond waaraan de bestemming "Groen" is toegekend, per abuis niet als zodanig zijn bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Ter zitting heeft de raad verder toegelicht dat de bestemming "Groen" is toegekend om te waarborgen dat de landschappelijke inpassing, die in het inrichtingsplan voor het perceel [locatie 56] is opgenomen, ter plaatse gerealiseerd zal worden en in stand zal worden gehouden. De Afdeling overweegt dat artikel 49, lid 49.2, van de planregels voorschrijft dat hetgeen in het inrichtingsplan voor het perceel [locatie 56] staat wordt uitgevoerd en in stand gelaten wordt en dat de bestemming "Groen" deze regeling niet kent. Niet is gebleken dat de bestemming "Groen" nodig is om de uitvoering en instandhouding van het inrichtingsplan te verzekeren. Evenmin is gebleken dat de bestemming "Groen" passender is voor deze gronden dat de bestemming "Agrarisch". De Afdeling acht daarbij van belang dat de bestemming "Groen" agrarisch gebruik van de gronden niet toestaat, terwijl ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder ao, binnen de bestemming "Agrarisch" groenvoorzieningen zijn toegestaan. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom aan de desbetreffende strook grond op het perceel [locatie 56] de bestemming "Groen" is toegekend.

Het betoog van [appellante sub 56] slaagt.

De begripsomschrijving "zorgboerderij"

221. Voorts betoogt [appellante sub 56] dat in de begripsomschrijving van "zorgboerderij" ten onrechte is opgenomen dat feesten en partijen zijn uitgesloten. Zij wijst erop dat deze beperking in de begripsomschrijving van "zorgboerderij met nachtverblijf" niet is opgenomen en dat het uitsluiten van feesten en partijen in strijd is met de begripsomschrijving van zorgboerderijen uit het gemeentelijk beleid "Beleid voor zorgboerderijen in Leudal", welk beleid op 31 augustus 2010 door de raad is vastgesteld (hierna: het beleid voor zorgboerderijen).

221.1. Blijkens de verbeelding is aan een deel van het perceel [locatie 56] de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" en de functieaanduiding "zorgboerderij" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.100, van de planregels moet onder het begrip "ondergeschikte horeca" worden verstaan het qua aard en omvang beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte activiteit in direct verband met andere ter plaatse toegestane hoofdactiviteiten (niet zijnde horeca). Feesten en partijen worden niet toegestaan.

Ingevolge lid 1.154 moet onder het begrip "zorgboerderij" worden verstaan een agrarisch bedrijf dat zorgvragers (verstandelijk of lichamelijk gehandicapten, (ex)psychiatrische cliënten, cliënten uit de verslavingszorg of zorgbehoevende ouderen) dagbesteding biedt, waarbij nachtverblijf, feesten en partijen zijn uitgesloten.

Ingevolge lid 1.155 moet onder het begrip "zorgboerderij met nachtverblijf" worden verstaan dagopvang en een 24-uurs opvang ten behoeve van mensen met diverse hulp- en/of zorgvragen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, onder a. en aj., zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering en ter plaatse van de aanduiding "zorgboerderij" tevens voor een zorgboerderij met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 3.1.2, onder a, is binnen het bouwvlak als nevenactiviteit toegestaan een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw.

Ingevolge 3.1.2, onder e, is binnen het bouwvlak als nevenactiviteit toegestaan zorglandbouw, uitsluitend in de vorm van dagbesteding, met dien verstande dat:

1. de gezamenlijke grondoppervlakte van de ondergeschikte nevenactiviteiten genoemd onder a. tot en met e. niet meer mag bedragen dan 500 m²;

2. geen opslag van goederen in de open lucht mag plaatsvinden.

221.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om ter plaatse van zorgboerderijen geen feesten en partijen toe te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad te kennen heeft gegeven dat de aard van een zorgboerderij zich verzet tegen het houden van feesten en partijen en dat dergelijke activiteiten niet wenselijk zijn in het buitengebied maar in de kern. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voor zover [appellante sub 56] heeft gewezen op de begripsomschrijving van "zorgboerderij met nachtverblijf" waarin feesten en partijen, anders dan in de begripsomschrijving van "zorgboerderij", niet zijn uitgesloten, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft te kennen gegeven dat in de eerstgenoemde begripsomschrijving tevens had moeten worden opgenomen dat feesten en partijen zijn uitgesloten en dat dit bij een herziening van het onderhavige plan alsnog zal worden gedaan. Naar het oordeel van de Afdeling tast het voorgaande, wat daar ook van zij, de consistentie van het bestreden besluit niet in zodanige mate aan dat daarmee met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan.

Verder staat in het beleid voor zorgboerderijen dat onder zorgboerderijen moet worden verstaan bedrijven gevestigd in het buitengebied die een aanbod verzorgen voor specifieke doelgroepen waarbij sprake is van een combinatie van zorg en functioneel gebruik van de groene ruimte met als doel het (re)integreren van de mens in de samenleving. Dat in deze definitie niet staat opgenomen dat feesten en partijen zijn uitgesloten, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat hieruit kan worden afgeleid dat op grond van dit beleid feesten en partijen zijn toegestaan bij zorgboerderijen.

Het betoog van [appellante sub 56] faalt.

De functieaanduiding "intensieve graasdierhouderij"

222. Ten slotte betoogt [appellante sub 56] dat bij de vaststelling van het plan de functieaanduiding "intensieve veehouderij", welke aanduiding aan een het bouwvlak op het perceel [locatie 56] was toegekend, ten onrechte is gewijzigd naar "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij".

222.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat aan het bouwvlak op het perceel [locatie 56] per abuis de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" is toegekend in plaats van de functieaanduiding "intensieve veehouderij". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellante sub 56] slaagt.

Overige

223. [appellante sub 56] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 56] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

224. In hetgeen [appellante sub 56] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Groen" voor het perceel [locatie 56], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb en, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij", is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellante sub 56] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 57]

225. [appellante sub 57] betoogt dat ten onrechte aan een deel van haar perceel [locatie 57] te Ittervoort de bestemming "Groen" is toegekend. De omvang van het plandeel is groter dan door het inpassingsplan met de gemeente is afgesproken en groter dan nodig is voor de afgesproken rij beukenbomen aldaar. [appellante sub 57] wenst de gronden waar geen beukenbomen staan agrarisch te kunnen gebruiken of eventueel in de toekomst door de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid voor intensieve veehouderij. Voorts wijst [appellante sub 57] erop dat voor veel andere percelen waarop een inpassingsplan van toepassing is niet tevens een groenbestemming is toegekend, maar is volstaan met de regeling uit artikel 49 van de planregels. Zij wenst dat ook voor haar perceel met die regeling wordt volstaan.

225.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de groenbestemming is opgenomen in overeenstemming met het inpassingsplan voor de ontwikkeling op het perceel Exhofweg 1. Het plandeel met de bestemming "Groen" beslaat de oppervlakte van de gesloopte stal en zal het agrarisch gebruik belemmeren, maar schaadt [appellante sub 57] niet verder in haar belangen. Het vestigen van een intensieve veehouderij is volgens de raad aldaar niet toegestaan.

225.2. Aan het perceel [locatie 57] is deels de bestemming "Groen" toegekend en voor het overige de bestemming "Agrarisch". Het plandeel met de bestemming "Groen" is ongeveer 13 m breed.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen. Deze gronden zijn niet bestemd voor agrarisch gebruik.

Ingevolge artikel 49, lid 49.2, dient voor de locaties waarvoor een inpassingsplan of inrichtingsplan geldt zoals opgenomen in bijlage 7 behorend bij de planregels, sprake te zijn van landschappelijke inpassing van de bebouwing overeenkomstig dat inpassingsplan of inrichtingsplan of overeenkomstig een door burgemeester en wethouders goedgekeurde aanpassing daarvan, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:

a. de inpassing dient uiterlijk 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan te hebben plaatsgevonden;

b. de inpassing dient in stand te worden gehouden.

225.3. In bijlage 7 bij de planregels is het document "Landschappelijke inpassing Exhofweg 1 en [locatie 57]" (hierna: het inpassingsplan) opgenomen. In het inpassingsplan staat voor de locatie [locatie 57] dat aan de westzijde van het bouwvlak op de grens van het bouwvlak een bomenrij, bestaande uit zeven beuken, wordt aangeplant.

225.4. De Afdeling overweegt dat artikel 49, lid 49.2, van de planregels voorschrijft dat hetgeen in het inpassingsplan voor het perceel [locatie 57] staat wordt uitgevoerd en in stand gelaten wordt, en dat de bestemming "Groen" deze regeling niet kent. Niet is gebleken dat de bestemming "Groen" nodig is om de uitvoering en instandhouding van het inpassingsplan te verzekeren. Evenmin is gebleken dat de bestemming "Groen" passender is voor deze gronden dat de bestemming "Agrarisch". De Afdeling acht daarbij van belang dat de bestemming "Groen" agrarisch gebruik van de gronden niet toestaat, terwijl ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder ao, binnen de bestemming "Agrarisch" groenvoorzieningen zijn toegestaan. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom aan de desbetreffende deel van het perceel [locatie 57] de bestemming "Groen" is toegekend.

Het betoog van [appellante sub 57] slaagt.

225.5. In hetgeen [appellante sub 57] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Groen" voor het perceel [locatie 57] te Ittervoort, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellante sub 57] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Conclusie

225.6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellante sub 57] geen bespreking meer.

Finale geschilbeslechting

226. Verschillende appellanten hebben de Afdeling verzocht zelf in de zaak te voorzien.

226.1. Gezien de hoeveelheid gebreken in het bestreden besluit, die de raad bovendien zelf heeft onderkend, en de verdere omvang en reikwijdte van het bestreden besluit, ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

Opdracht

227. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor enkele vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

228. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling verder aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voorlopige voorziening

229. Voorts ziet de Afdeling aanleiding voor het treffen van de voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna in de beslissing is vermeld.

Proceskosten

230. De raad dient ten aanzien van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A], [appellante sub 27], [appellante sub 44], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 13], [appellante sub 15], [appellante sub 25], [appellant sub 40],

[appellant sub 47], [appellante sub 51], [appellante sub 17], [appellant sub 18], [appellante sub 26], [appellante sub 37], [appellant sub 49], [appellante sub 53], [appellant sub 54], [appellante sub 56], [appellante sub 2], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellante sub 14], [appellant sub 31], [appellante sub 48], [appellante sub 19], [appellante sub 24], [appellante sub 33], [appellant sub 35], [appellante sub 42], [appellante sub 45], [appellante sub 46], [appellante sub 52], [appellant sub 55], [appellante sub 57], [appellante sub 32], [appellante sub 50], [appellant sub 21], [appellant sub 28], [appellante sub 30], Holmel B.V., Vokar B.V. en [appellante sub 39] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van de Stichting Milieufederatie en [appellant sub 40] niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 59], Verstappen, [appellante sub 3], [appellant sub 58A], Symkens B.V., [appellant sub 20A], RoyerGeit, [appellante sub 29] en [appellante sub 34] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

231. Voor zover HG Beheer B.V. om vergoeding van de verblijfskosten van zijn rechtsbijstandverlener verzoekt, overweegt de Afdeling dat verblijfskosten die door een rechtsbijstandverlener zijn gemaakt, reeds zijn verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding die wordt toegekend naar aanleiding van de gemaakte kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat deze kosten niet apart voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor zover [appellant sub 13] en [appellant sub 12] hebben verzocht om vergoeding van verletkosten, overweegt de Afdeling dat voor de vergoeding van de verletkosten een forfaitair aantal uren van zes wordt gehanteerd.

Voor zover [appellante sub 15], [appellante sub 53] en [appellant sub 54] op hun proceskostenformulieren hebben aangegeven dat reis- en verletkosten zijn gemaakt in verband met de door hen meegebrachte deskundige, overweegt de Afdeling dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen reeds omdat van deze deskundige niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb mededeling is gedaan.

Holmel B.V., Vokar B.V. en [appellante sub 39] hebben om vergoeding van reiskosten verzocht. Ter zitting zijn zij alle drie door dezelfde personen vertegenwoordigd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om de raad alleen ten aanzien van Holmel B.V. in de vergoeding van de reiskosten te veroordelen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] tegen de besluiten van de raad van de gemeente Leudal van 9 september 2014 en 11 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" gegrond;

II. vernietigt de besluiten van de raad van de gemeente Leudal van 9 september 2014 en 11 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal", voor zover het betreft:

a. het woord "trainingsfaciliteiten" in de derde zin van artikel 1, lid 1.29, van de planregels;

b. artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover training niet als hoofdfunctie is bestemd;

c. artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover kortlopende evenementen niet zijn toegestaan;

d. artikel 4, lid 4.5.2 aanhef en onder b, van de planregels;

e. artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder e, van de planregels;

f. artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels;

g. artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels;

h. artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels;

i. artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de planregels;

III. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. tegen het besluit van de raad van de gemeente Leudal van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" niet-ontvankelijk;

IV. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Leudal van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" gegrond:

a. [appellante sub 27];

b. [appellante sub 44];

c. [appellant sub 8];

d. [appellante sub 9];

e. [appellant sub 13];

f. [appellante sub 15];

g. [appellante sub 25];

h. [appellant sub 40];

i. [appellant sub 47];

j. [appellante sub 51];

k. [appellante sub 17];

l. [appellant sub 18]

m. [appellante sub 26];

n. [appellante sub 37];

o. [appellant sub 49];

p. [appellante sub 53];

q. [appellant sub 54];

r. [appellante sub 56];

s. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

S.E. [appellante sub 2];

t. [appellante sub 5];

u. [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B];

v. [appellant sub 7];

w. [appellant sub 10];

x. [appellant sub 11],

y. [appellant sub 12];

z. [appellante sub 14];

aa. [appellant sub 31];

ab. [appellante sub 48];

ac. [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B];

ad. [appellante sub 24];

ae. [appellante sub 33];

af. [appellant sub 35], handelend onder de naam Boomkwekerij [appellant sub 35];

ag. [appellant sub 40];

ah. de stichting Stichting Milieufederatie Limburg;

ai. de maatschap [appellante sub 42];

aj. de maatschap [appellante sub 45];

ak. [appellante sub 46];

al. [appellante sub 52];

am. [appellant sub 55];

an. [appellante sub 57];

ao. [appellante sub 32];

ap. [appellante sub 50];

aq. [appellant sub 21];

ar. [appellant sub 28], handelend onder de naam [bedrijf];

as. [appellante sub 30];

at. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holmel B.V.;

au. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vokar Onroerend Goed B.V.;

av. [appellante sub 39];

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Leudal van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal", voor zover het betreft:

a. artikel 1, lid 1.32, van de planregels (Stichting Milieufederatie, [appellante sub 44], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 13], [appellante sub 15], [appellante sub 25], [appellant sub 40], [appellant sub 47], [appellante sub 51], [appellant sub 6], [appellante sub 48], [appellant sub 12] en [appellante sub 50]);

b. artikel 3, lid 3.5.6, onder j, en lid 3.6.7, van de planregels (Stichting Milieufederatie, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellante sub 25], [appellant sub 47], [appellante sub 51], [appellant sub 6], [appellante sub 48], [appellant sub 12] en [appellante sub 50]);

c. artikel 4, lid 4.5.5, onder j, en lid 4.6.7, van de planregels (Stichting Milieufederatie);

d. artikel 5, lid 5.5.4, onder j, en lid 5.6.7, van de planregels (Stichting Milieufederatie, [appellant sub 13]);

e. artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en lid 6.6.7, van de planregels (Stichting Milieufederatie);

f. artikel 7, lid 7.5.4, onder j, en lid 7.6.7, van de planregels (Stichting Milieufederatie, [appellante sub 44], [appellant sub 8], [appellante sub 15], [appellant sub 40] );

g. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor de gronden gelegen tussen de Loorderstraat en de Napoleonsweg, voor zover deze gronden in eigendom zijn van [appellante sub 27];

h. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 7] ([appellante sub 44]);

i. het plandeel met de bestemming "Natuur" voor de gronden van [appellante sub 44] ten westen van de Roggelse beek;

j. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor de gronden van [appellante sub 44] gelegen ten westen en oosten van de Roggelse beek;

k. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 12] ([appellant sub 8]);

l. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bouwvlak" voor de gronden ten noorden van de Venderstraat, welk bouwvlak door middel van de aanduiding "relatie" is gekoppeld aan het bouwvlak op het perceel [locatie 12] ([appellant sub 8]);

m. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 13] ([appellante sub 9]);

n. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 14] ([appellant sub 13]);

o. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 15] ([appellante sub 15]);

p. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 16] ([appellante sub 25]);

q. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 17] ([appellant sub 40]);

r. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 18] ([appellante sub 51]);

s. plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor de gronden van [appellante sub 51] nabij de beek Langven;

t. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de percelen [locatie 19] en [locatie 20] ([appellante sub 17]);

u. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 21] ([appellant sub 18]);

v. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 3" voor het perceel [locatie 28] ([appellante sub 26]);

w. artikel 6, lid 6.2.4, onder f, sub 3, van de planregels ([appellante sub 26]);

x. artikel 7, lid 7.2.4, onder f, sub 3, van de planregels ([appellante sub 37]);

y. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het perceel [locatie 43] ([appellant sub 49]);

z. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 53] ([appellante sub 53]);

aa. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" voor het perceel [locatie 54] ([appellant sub 54]);

ab. het plandeel met de bestemming "Groen" voor het perceel [locatie 56] ([appellante sub 56]);

ac. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" voor het perceel [locatie 56] ([appellante sub 56]);

ad. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel [locatie 4], voor zover aan de derde niet als zodanig in gebruik zijnde pluimveestal op het perceel [locatie 4] niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend en voor zover binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 4] niet is voorzien in luchtbakken met een bouwhoogte van maximaal 7,2 m ([appellante sub 5]);

ae. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3], zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I ([appellante sub 2]);

af. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 6] ([appellant sub 6]);

ag. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 10] ([appellante sub 48]);

ah. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 11] ([appellant sub 12]);

ai. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 27], voor zover aan de bestaande schuur op het perceel geen bouwvlak is toegekend en voor zover het zuidelijke bouwvlak op het perceel niet overeenstemt met het bouwvlak uit het voorheen geldende planologische regime ([appellant sub 31]);

aj. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen [locatie 38]-[locatie 39] ([appellante sub 19]);

ak. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het noordelijke gedeelte van het perceel [locatie 44] ([appellant sub 7]);

al. de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" voor het perceel [locatie 47] ([appellant sub 11]);

am. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 45], voor zover aan dat plandeel in het wijzigingsplan "[locatie 46] en [locatie 45] te Heythuysen" een woonbestemming is toegekend ([appellant sub 10]);

an. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor de percelen van [appellante sub 14] met de kadastrale perceelnummers 292, 386, 515, 524, 531, 532, 745, 1990, 2016, 3130, 3207, 3208, 3439, 3597 ([appellante sub 14]);

ao. de bouwvlakken ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [appellante sub 24], voor zover daarmee niet 15% uitbreidingsruimte is geboden;

ap. het plandeel in de vorm van een omgekeerde Z met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" voor het perceel [appellante sub 24];

aq. het meest oostelijk gelegen bouwvlak ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" voor het perceel [appellante sub 24], voor zover ter plaatse geen helikopterstalling mogelijk is;

ar. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [appellante sub 24] ([appellante sub 24]);

as. artikel 50, lid 50.14.2, onder g, van de planregels, voor zover dit geldt voor de percelen van [appellante sub 33];

at. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel [locatie 37] te Heibloem ([appellant sub 35]);

au. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 42], voor zover ter plaatse slechts één woning is toegestaan ([appellant sub 40]);

av. artikel 3, lid 3.1.1, onder e, s en w, lid 3.1.2, lid 3.4.6, lid 3.4.8, lid 3.6.2, lid 3.6.4, lid 3.6.6, lid 3.7.1, lid 3.7.2, lid 3.7.3 en lid 3.7.5, van de planregels (Stichting Milieufederatie);

aw. artikel 4, lid 4.1.1, onder e, onder p en onder r, lid 4.1.2, lid 4.4.6, lid 4.4.8, lid 4.6.2, lid 4.6.4, lid 4.6.6, lid 4.8.1, lid 4.8.2, lid 4.8.3 en lid 4.8.5, van de planregels (Stichting Milieufederatie en [appellante sub 39]);

ax. artikel 5, lid 5.1.1, onder e, onder p en onder s, lid 5.1.2, lid 5.4.6, lid 5.4.8, lid 5.6.2, lid 5.6.4, lid 5.6.6, lid 5.8.1, lid 5.8.2, lid 5.8.3 en lid 5.8.5, van de planregels (Stichting Milieufederatie);

ay. artikel 6, lid 6.1.1, onder e, lid 6.1.2, lid 6.4.6, lid 6.6.2, lid 6.6.4, lid 6.6.6, lid 6.8.1, lid 6.8.2 en lid 6.8.4, van de planregels (Stichting Milieufederatie);

az. artikel 7, lid 7.1.1, onder e en onder q, lid 7.1.2, lid 7.4.6, lid 7.6.2, lid 7.6.4, lid 7.6.6, lid 7.8.1, lid 7.8.2, lid 7.8.3 en lid 7.8.5, van de planregels (Stichting Milieufederatie en [appellante sub 39]);

ba. artikel 8, lid 8.1, onder c, artikel 12, lid 12.1, onder i, artikel 13, lid 13.1, onder h, artikel 14, lid 14.1, onder d, artikel 18, lid 18.1, onder d, artikel 20, lid 20.1, onder d, artikel 22, lid 22.1, onder h, artikel 23, lid 23.1, onder d, artikel 24, lid 24.1, onder k, artikel 25, lid 25.1, onder k, van de planregels (Stichting Milieufederatie);

bb. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 49] te Roggel ([appellante sub 42]);

bc. de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" voor het perceel aan de Reyndersstraat te Baexem, kadastraal bekend als sectie R, nummer 331 ([appellante sub 45])

bd. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 9] ([appellante sub 46]);

be. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 50] ([appellante sub 52]);

bf. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 55] ([appellant sub 55]);

bg. het plandeel met de bestemming "Groen" voor het perceel [locatie 57] ([appellante sub 57]);

bh. artikel 3, lid 3.2.4, onder i, sub 3, van de planregels ([appellante sub 32]);

bi. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel aan de [locatie 26] ([appellant sub 21]);

bj. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 30], voor zover de galerie en beeldentuin op het perceel niet als zodanig zijn bestemd ([appellant sub 28]);

bk. de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch met waarden - 4" met de aanduiding "overige zone - openheid" voor het perceel [locatie 33] ([appellante sub 30]);

bl. voor zover in de planregels niet is omschreven wat onder het begrip co-vergistingsinstallatie moet worden verstaan (Holmel B.V.);

bm. de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor de percelen Aan de Heibloem 17 en [locatie 22] (Holmel B.V.);

bn. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Aan de Heibloem 19 (Holmel B.V. en [appellante sub 39]);

bo. het plandeel met de bestemming Agrarisch met waarden - 4" voor het perceel Karreveld 4, voor zover daaraan niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij" is toegekend (Vokar B.V.);

bp. artikel 4, lid 4.2.4, onder k, sub 3, van de planregels (Vokar B.V.)

bq. de aanduiding "overige zone - bufferzone 1" voor het perceel Karreveld 4 (Vokar B.V.);

br. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Karreveld 3 (Vokar B.V.);

bs. de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 4" en "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel [locatie 22] ([appellante sub 39])

bt. de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen Asbroek 13, Karreveld 5, Karreveld 8 en Karreveld 9 ([appellante sub 39]);

bu. de aanduiding "zorgboerderij" voor het perceel Karreveld 8 ([appellante sub 39]);

VI. draagt de raad van de gemeente Leudal op om binnen 40 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot alle onderdelen genoemd onder II., behoudens de onderdelen a en e, en genoemd onder V. behoudens de onderdelen al, bc, bq en bu, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. treft de voorlopige voorzieningen dat op het perceel Roggelseweg 54 te Haelen training als hoofdfunctie is toegestaan, dat artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, van de planregels van bestemmingsplan "Landgoed Leudal" daarop van toepassing is en dat de planregels genoemd onder II., onder d en i, en onder V., onder w, x, bh en bp blijven gelden;

VIII. bepaalt dat de onder VII. getroffen voorlopige voorzieningen vervallen op het moment waarop het door de raad te nemen besluit in werking treedt;

IX. draagt de raad van de gemeente Leudal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen onder II., onder a en e, en onder V., onder al, bc, bq en bu, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

X. verklaart het beroep van [appellant sub 59] tegen de besluiten van de raad van de gemeente Leudal van 9 september 2014 en 11 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" ongegrond:

XI. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Leudal van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" ongegrond:

a. [appellant sub 1];

b. [appellante sub 3];

c. [appellant sub 58A] en [appellante sub 58B];

d. [appellante sub 16];

e. [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B];

f. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RoyerGeit B.V.

g. [appellante sub 29];

h. [appellante sub 34];

XII. veroordeelt de raad van de gemeente Leudal tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. tot een bedrag van € 824,69 (zegge achthonderdvierentwintig euro en negenenzestig cent), waarvan € 735,- (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] tot een bedrag van € 1.031,84 (zegge: duizendeenendertig euro en vierentachtig cent), waarvan € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellante sub 27] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 44] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 8] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 9] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 13] tot een bedrag van € 1229,84 (zegge twaalfhonderdnegenentwintig euro en vierentachtig cent), waarvan € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 15] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 25] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 40] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 47] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 51] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 17] tot een bedrag van € 1273,84 (zegge: twaalfhonderddrieënzeventig euro en vierentachtig cent), waarvan € 1225,00 (zegge twaalfhonderdvijfentwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 18] tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 26] tot een bedrag van € 1276,84 (zegge: twaalfhonderdzesenzeventig euro en vierentachtig cent), waarvan € 1225,00 (zegge twaalfhonderdvijfentwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 37] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 49] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 53] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 54] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 56] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- E. [appellante sub 2] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 5] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 7] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 10] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 11] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 12] tot een bedrag van € 1229,84 (zegge: twaalfhonderdnegenentwintig euro en vierentachtig cent, waarvan € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 14] tot een bedrag van € 980 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 31] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 48] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellante sub 24] tot een bedrag van € 1276,84 (zegge: twaalfhonderdzesenzeventig euro en vierentachtig cent), waarvan € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro) toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 33] tot een bedrag van

€ 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 35], handelend onder de naam Boomkwekerij [appellant sub 35], tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- de maatschap [appellante sub 42] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- de maatschap [appellante sub 45] tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 46] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 52] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 55] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 57] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 32] tot een bedrag van € 1273,84 (zegge twaalfhonderddrieënzeventig euro en vierentachtig cent), waarvan € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 50] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 21] tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 28], handelend onder de naam [bedrijf], tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 30] tot een bedrag van € 1276,84 (zegge: twaalfhonderdzesenzeventig euro en vierentachtig cent), waarvan € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holmel B.V. tot een bedrag van € 1276,84 (zegge: twaalfhonderddrieënzeventig euro en vierentachtig cent), waarvan € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vokar Onroerend Goed B.V. tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 39] tot een bedrag van € 1225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

XIII. gelast dat de raad van de gemeente Leudal aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V.;

- € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 27];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 44];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 8];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 9]

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 13];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 15];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 25];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 40];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 47];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 51];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 17];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 18]

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 26];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 37];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 49];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 53];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 54];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 56]

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 2];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 5];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 7];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 10];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 11];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 12];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellante sub 14];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 31];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 48];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 24];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 33];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellant sub 35], handelend onder de naam [boomkwekerij];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 40];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de stichting Stichting Milieufederatie Limburg;

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de [appellante sub 42];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de maatschap [appellante sub 45];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellante sub 46];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 52];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 55];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 57];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 32];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 50];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 21];

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 28], handelend onder de naam [bedrijf];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 30];

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holmel B.V.;

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vokar Onroerend Goed B.V.

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 39]

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Driessen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

634-655-703-749-758.