Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201504672/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] Vreeland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201504672/1/R2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen (hierna: [appellante sub 1]), gevestigd te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] Vreeland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2015, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. Collignon en mr. A.W. Vos, beiden advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. de Smet, werkzaam bij de gemeente, en mr. A.T. de Wildt en drs. O. Lamme, werkzaam bij de Omgevingsdienst regio Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch regime ten behoeve van de vaten-, vernis- en verffabriek van [appellante sub 2], gevestigd aan de [locatie] te Vreeland (hierna: het perceel). Met het plan is beoogd de bestaande activiteiten als zodanig te bestemmen. Het plan voorziet tevens in de bouw van een tweede loods voor de opslag van PGS 15 stoffen en een aarden wal op het perceel. Het plangebied is gelegen direct ten noorden en noordoosten van de historische dorpskern Vreeland.

Het geschil

3. [appellante sub 2] exploiteert sinds 2001 de vaten- vernis- en verffabriek die omstreeks 1930 op het perceel is gevestigd. [appellante sub 2] wenst haar activiteiten ter plaatse te continueren. Haar bedrijf is gericht op het produceren van stalen, plastic en fiber vaten. [appellante sub 2] produceert tevens verf. Naar aanleiding van een inspectie op 16 juli 2008 van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu wenst [appellante sub 2] een tweede opslagloods voor de opslag van PGS 15 stoffen te realiseren zodat de opslag van deze stoffen verdeeld kan worden over de sinds 1992 bestaande loods 22 en de nieuw te realiseren loods. Met PGS 15 stoffen wordt gedoeld op stoffen als bedoeld in publicatie nummer 15 van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’, uitgave 2005. Voorts is [appellante sub 2] voornemens de verfproductie te verdubbelen. Volgens [appellante sub 2] biedt het plan niet de benodigde flexibiliteit en geen redelijke uitbreidingsmogelijkheden om de continuïteit van haar bedrijf ter plaatse te waarborgen.

4. [appellante sub 1] is eigenaar van de gronden die ten noorden en ten oosten aan het plangebied grenzen. Op de gronden ten oosten van het plangebied wil hij woningen verwezenlijken. Het bestemmingsplan "Vreeland-Oost", vastgesteld door de raad van de gemeente Stichtse Vecht op 11 maart 2014, voor zover in stand gebleven bij uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014 in zaak nr. 201301711/2/R6, voorziet in de mogelijkheid daartoe. In het bijzonder vreest hij dat door het plan de vervoersbewegingen op het perceel van [appellante sub 2] in de richting van zijn gronden zullen opschuiven en overlast zullen veroorzaken voor de woningen aldaar.

Relevante planregeling

5. In de verbeelding is aan het perceel van [appellante sub 2] de bestemming "Bedrijf" toegekend. Aan een deel van het perceel zijn tevens de aanduidingen "vaten- vernis- en verffabriek" en "vaten- vernis- en verffabriek 2" toegekend. Rondom het noordelijk deel van het plangebied is een strook met de aanduiding "overige zone - aarden wal" opgenomen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. een vaten-, vernis- en verffabriek voorkomend in categorie 4.2. van de Staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1. van de Staat van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vaten-, vernis- en verffabriek";

c. een vaten-, vernis- en verffabriek voorkomend in categorie 4.2. van de Staat van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vaten-, vernis- en verffabriek 2" met dien verstande dat:

1. PGS 15 opslag als bedoeld in artikel 2, lid 1 onder f, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en voorkomend in categorie 5.1. van de Staat van bedrijfsactiviteiten uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - PGS 15 opslag";

2. een vulpunt voor tanks voor oplosmiddelen en hars uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vulpunt";

3. ondergrondse tanks ten behoeve van oplosmiddelen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ondergrondse opslagtanks";

4. een regeneratieve naverbrander uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - naverbrander";

5. een productieruimte voor watergedragen lakken uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - productieruimte watergedragen lakken";

6. een verfmagazijn uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - verfmagazijn";

7. opslag van gevaarlijke stoffen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - opslag gevaarlijke stoffen";

8. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslag van stoffen en producten" uitsluitend overslag van stoffen producten ten behoeve van een verf-, vaten- en verffabriek als bedoeld in sub b, buitenopslag en (nieuwe) gebouwen ten behoeve van bedrijfsactiviteiten voorkomend in categorie 1 en 2 (voor al dan niet aan de aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen) zijn toegestaan;

d. aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen voorkomend in categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals parkeerplaatsen, afvalbakken, containers, opslag en tanks, kantoor, kantine, leidingen, verkeer-en vervoersbewegingen door (vracht)verkeer, verflaboratorium en dergelijke;

e. (…);

f. (…);

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge lid 4.2.1, onder c, sub 2, geldt voor gebouwen dat het bebouwingspercentage van de gronden ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" maximaal het ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" aangegeven bebouwingspercentage bedraagt met dien verstande dat gebouwen slechts mogen worden gebouwd en gebruikt ten behoeve van bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen.

Ingevolge lid 4.2.1, onder d, geldt voor gebouwen dat ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte is toegestaan.

Ingevolge lid 4.2.5, onder d, bedraagt de bouwhoogte van losstaande schoorstenen en naverbranders maximaal 6 m.

Ingevolge lid e bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 9 m.

Ingevolge lid 4.3, voor zover van thans van belang, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.5, voor schoorstenen tot een maximale hoogte van 10 m.

Ingevolge lid 4.4, onder a, wordt onder verboden gebruik mede verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, met uitzondering van bedrijven die risicovolle activiteiten uitvoeren op de locaties in overeenstemming met artikel 4, lid 4.1, onder e en f en voor zover de contour voor het plaatsgebonden risico binnen de grenzen van de inrichting blijft en het invloedsgebied voor het groepsrisico niet groter is dan ten tijde van de vaststelling van het plan.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, geldt voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming:

a. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

b. (…);

c. ingeval van herbouw is lid a, onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

Ingevolge artikel 10, lid 10.2, voor zover thans van belang, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - aarden wal" behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een aarden wal met een hoogte van maximaal 5 m.

Het beroep van [appellante sub 1]

6. [appellante sub 1] stelt dat het plan rechtsonzeker is, omdat in de nota van zienswijzen staat dat artikel 4, lid 4.3, van de planregels zal vervallen, doch dit artikel niet is vervallen maar gewijzigd is vastgesteld.

6.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Het beroep van [appellante sub 1] voor zover gericht tegen artikel 4, lid 4.3, van de planregels steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Dit betekent dat hij enkel kan opkomen tegen de wijziging van deze planregel ten opzichte van het ontwerp van het plan en voor zover die wijzigingen er toe leidt dat hij in een nadeliger positie is komen te verkeren, omdat in dat geval hem redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze naar voren te hebben gebracht.

Zoals ook de voorzieningenrechter in de uitspraak van 6 augustus 2015 in zaak nr. 201504672/2/R2, waarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van [appellante sub 1] heeft overwogen, doet deze omstandigheid zich niet voor nu bij de vaststelling van het plan de desbetreffende planregel weliswaar is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, doch [appellante sub 1] door de gewijzigde vaststelling niet in een ongunstiger positie is gebracht. Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 1], voor zover gericht tegen artikel 4, lid 4.3, van de planregels niet-ontvankelijk.

7. Volgens [appellante sub 1] is het plan in strijd met de "Ruimtelijke Visie Vreeland-Oost" van 2003 (hierna: de ruimtelijke visie) en met de beleidsuitgangspunten van de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (hierna: de PRS).

7.1. De raad benadrukt dat hij de ruimtelijke visie waarin wordt uitgegaan van beëindiging van de bedrijvigheid ter plaatse en een kwaliteitsverbetering in de vorm van woningbouw, nog steeds onderschrijft, maar dat de uitvoering daarvan plaatsvindt op basis van vrijwilligheid.

7.2. In de ruimtelijke visie staat beschreven op welke wijze de noordoostzijde van de kern Vreeland, waar de bedrijven van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en een derde ondernemer zijn gevestigd, ingericht zou kunnen worden indien deze bedrijven naar een andere locatie gaan. Aanleiding voor de visie is dat [appellante sub 1] te kennen heeft gegeven zijn bedrijfsactiviteiten te willen verplaatsen naar een bedrijventerrein. Om die verplaatsing mogelijk te maken is een gebiedsvisie voor het huidige terrein ontwikkeld waarin de herontwikkelingsmogelijkheden zijn opgenomen, zodat mede duidelijkheid kan worden verschaft over de financieel-economische haalbaarheid. De visie geeft inzicht in de wijze waarop de toekomstige bebouwingscontouren aan de noordzijde van de kern Vreeland vorm kunnen krijgen uitgaande van de doelstelling dat de bedrijvigheid ter plaatse, al dan niet gefaseerd, wordt gesaneerd. De visie schetst aldus de mogelijkheden tot herontwikkeling indien bedrijvigheid ter plaatse wordt beëindigd. De visie staat niet in de weg aan voortzetting van bedrijvigheid ter plaatse. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat in de visie is vermeld dat voor het inrichtingsvoorstel voor het perceel van [appellante sub 1] ten aanzien van geluid rekening zal moeten worden gehouden met de geluidzone rond de vaten-, vernis- en verffabriek van [appellante sub 2]. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan strijdig is met de ruimtelijke visie.

[appellante sub 1] heeft zijn standpunt dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van de PRS niet nader toegelicht. In de plantoelichting is vermeld dat de provincie zeer terughoudend is met het opnemen van een nieuw bedrijventerrein en dat in de PRS het accent ligt op revitalisering, intensivering en/of herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. De raad acht het plan hiermee in overeenstemming, omdat het in de intensivering van gebruik van een bestaand terrein voorziet. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de beleidsuitgangspunten van de PRS.

Het betoog faalt.

8. [appellante sub 1] betoogt dat het plan tot onaanvaardbare hinder voor de (nog te realiseren) woningen op zijn gronden ten oosten van het plangebied leidt, nu het plan voorziet in een verruiming van de mogelijkheden van[appellante sub 2] om zware industriële activiteiten uit te oefenen en zal leiden tot een toename van het aantal transportbewegingen op het gedeelte van het perceel grenzend aan zijn gronden. Daartoe wijst hij erop dat het plan activiteiten van categorie 4.2 en categorie 5.1 mogelijk maakt waar op grond van het vorige bestemmingsplan activiteiten van categorieën 1 en 2 waren toegestaan. Verder worden op alle gronden waar voorheen slechts activiteiten uit categorieën 1 en 2 waren toegestaan, aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen mogelijk gemaakt van een zwaardere categorie.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in het als zodanig bestemmen van het bestaande legale gebruik van het perceel voor een vaten-, vernis en verffabriek. Het plan voorziet, voor zover relevant, volgens de raad in een planologische verruiming met betrekking tot de tweede PGS 15 opslagloods en de mogelijkheid van de aanleg van een aarden wal. Voorts wijst de raad erop dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden vanwege de omliggende gevoelige functies nauwkeurig zijn bestemd.

8.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Vreeland", vastgesteld door de raad van de gemeente Loenen (thans: Stichtse Vecht) op 26 juni 2010, was aan het perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Aan het zuidelijk deel van het perceel en de noordelijk daarvan gelegen verffabriek en laboratorium was de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 3" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder a, van de planregels van dat plan zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voorkomend in de categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voorkomend in de categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede een vaten-, vernis- en verffabriek voorkomend in categorie 4.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - 3.

8.3. Met betrekking tot bouw- en gebruiksmogelijkheden die zijn vergund, staat voorop dat deze, gelet op de rechtszekerheid in beginsel als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan alleen uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang van de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering. Voorts dienen bij het als zodanig bestemmen van een bedrijf in beginsel redelijke uitbreidingsmogelijkheden worden geboden.

8.4. Vastgesteld wordt dat in de verbeelding van het plan aan het perceel twee bestemmingsvlakken zijn toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vaten-, vernis- en verffabriek 2", alwaar op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Vreeland" uitsluitend de bestemming "Bedrijf" gold. Niet in geschil is dat het plan in zoverre een verruiming van de planologische mogelijkheden inhoudt. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat het hier, behalve de mogelijkheid van een tweede loods voor opslag van PGS 15 stoffen, gaat om bouw- en gebruiksmogelijkheden die reeds waren vergund. Het standpunt van [appellante sub 1] dat het plan een verruiming bevat doordat thans op alle gronden waar voorheen activiteiten uit de categorieën 1 en 2 waren toegestaan, voorzieningen die ondersteunend zijn aan de vaten-, verf- en vernisfabriek met een hogere milieucategorie mogelijk worden gemaakt, kan niet worden gevolgd. De voor "Bedrijf" aangewezen gronden voor zover deze niet zijn bestemd voor activiteiten in de categorie 3.1, 3.2 en 4.2, zijn ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en d, van de planregels, bestemd voor bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten respectievelijk aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen voorkomend in categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals parkeerplaatsen, afvalbakken, containers, opslag en tanks, kantoor, kantine, leidingen, verkeer- en vervoersbewegingen door (vracht)verkeer, verflaboratorium en dergelijk. Gelet hierop is het verwezenlijken van ondersteunende voorzieningen met een hogere milieucategorie dan categorie 2 op bedoelde gronden niet toegestaan.

8.5. De raad heeft met verwijzing naar de risico’s voor omliggende gevoelige functies, door middel van bouwvlakken en specifieke aanduidingen in de verbeelding de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel nauwkeurig bestemd. In de plantoelichting is vermeld dat door de risicovolle activiteiten planologisch nauwkeurig vast te leggen, een planologisch beheersregime ontstaat waardoor een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving is gegarandeerd. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

8.6. Met betrekking tot de externe veiligheid heeft de raad het rapport "Kwantitatieve Risicoanalyse [appellante sub 2], projectnummer 236258 110015-D122, revisie 03" van SAVE van 7 januari 2011 (hierna: de risicoanalyse) aan het plan ten grondslag gelegd. In dit rapport is berekend wat de externe risico’s zijn van de bestaande en vergunde PGS 15 opslagloods, de aangevraagde tweede PGS 15 opslagloods alsook andere risicovolle activiteiten zoals de laad- en losplaats, procesruimtes, opslagen buiten en opslagen bovengronds. Volgens de conclusies van het rapport wordt wat betreft het plaatsgebonden risico voldaan aan de normen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, omdat het risico voor de bestaande en aangevraagde situatie geheel op eigen terrein ligt. Het berekende groepsrisico is voor alle berekende situaties nihil. [appellante sub 1] stelt dat ten onrechte niet de meest recente versie van het onderzoek naar externe veiligheid aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag is gelegd en dat voorts de berekeningen van externe veiligheid, neergelegd in de risicoanalyse, zijn gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Zo is volgens [appellante sub 1] de verdubbeling van de verfproductie waarvoor [appellante sub 2] een omgevingsvergunning heeft aangevraagd niet meegenomen in de berekeningen. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding hierover anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan in de hiervoor onder 6.1 vermelde uitspraak van 6 augustus 2015. Daarbij is verwezen naar het rapport "Nadere vragen betreffende QRA’s [appellante sub 2]" van 16 juli 2015, opgesteld door Antea Group b.v. (hierna: aanvullend rapport) waarin is vermeld dat de uitkomst van de ten tijde van de vaststelling van het besluit beschikbare zesde revisie van de risicoanalyse van 9 september 2011 wat betreft het invloedsgebied van de inrichting niet verschilt van de uitkomst van de derde revisie. Voorts staat in het aanvullend rapport dat de recentere versie van het gebruikte rekenprogramma voor risicoberekeningen geen gevolgen heeft voor de resultaten van de risicoanalyse. Ook zijn in het aanvullend rapport de door [appellante sub 1] aangehaalde andere uitgangspunten betrokken en is geconcludeerd dat deze niet leiden tot een ander invloedsgebied. [appellante sub 1] heeft de juistheid van de in het aanvullend rapport neergelegde conclusies niet gemotiveerd weersproken. Mitsdien is niet gebleken dat de externe veiligheidsrisico’s groter zijn dan waar de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan.

Ten aanzien van de verkeersbewegingen op eigen terrein heeft de raad de brief Intern transport [appellante sub 2] van Antea Group van 30 januari 2015 (hierna: brief Intern transport) bij de vaststelling van het plan betrokken. In deze brief is uiteengezet wat de bijdrage van het intern transport op het perceel van [appellante sub 2] aan het berekende externe veiligheidsrisico is. In de brief wordt geconcludeerd dat het intern transport met pallets dan wel het intern bulktransport geen invloed heeft op de risicoanalyse.

Gelet op de risicoanalyse en de brief Intern transport bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare veiligheidsrisico’s ter plaatse van de door [appellante sub 1] beoogde woningen op zijn perceel nabij het plangebied.

8.7. In verband met de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] is in het bestemmingsplan "Vreeland-Oost", vastgesteld door de raad op 11 maart 2014, op de gronden van [appellante sub 1] een geluidzone als bedoeld in de Wet geluidhinder vanwege een geluidgezoneerd industrieterrein opgenomen. Ingevolge artikel 14, lid 14.2, van de planregels van dat plan mogen geen nieuwe woningen, inclusief aan- en uitbouwen worden gebouwd op de gronden van de geluidzone. [appellante sub 2] dient voorts onder alle omstandigheden te voldoen aan de geluidgrenswaarde die geldt op de grens van de geluidzone. Hetgeen [appellante sub 1] heeft gesteld, onder meer met de notitie "Geluidsbelasting nieuwe woonwijk te Vreeland vanwege industrie" van 25 september 2015 van Royal HaskoningDHV, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet haalbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan waarvan in de notitie van Royal HaskoningDHV wordt uitgegaan, op het geluidgezoneerd industrieterrein Van Leer/MUR, na het vertrek van MUR Transportbedrijf in 2003 en de intrekking van de milieuvergunning voor dit bedrijf, thans alleen [appellante sub 2] als geluidproducerend bedrijf is gevestigd. Voorts heeft [appellante sub 2] mede met de notitie van Peutz van 7 oktober 2015 in reactie op de notitie van Royal HaskoningDHV, voldoende aannemelijk gemaakt dat in de notitie van HaskoningDHV niet wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verwezenlijking van het plan zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de door [appellante sub 1] te verwezenlijken woningen zoals voorzien in het bestemmingsplan

"Vreeland-Oost".

8.8. Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat in het ter voorbereiding van het plan uitgevoerde verkeersonderzoek "Verkeerseffect uitbreiding Greif op ontsluitingsroute Vreeland" van 10 februari 2015, opgesteld door adviesbureau Goudappel Coffeng (hierna: het verkeersonderzoek) ten onrechte niet is uitgegaan van de productiegroei die op grond van het plan maximaal mogelijk is, overweegt de Afdeling als volgt.

In het verkeersonderzoek zijn de effecten van een verdubbeling van de verfproductie waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd op de verkeersstromen in Vreeland berekend. De raad heeft toegelicht dat de verdubbeling van de verfproductie reeds mogelijk was onder het voorheen geldende plan en in zoverre geen planologische ontwikkeling betreft. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad de verdubbeling van de verfproductie niet als representatieve invulling van de maximale mogelijkheden heeft kunnen aanmerken. Zoals de voorzieningenrechter in de hiervoor onder 6.1 vermelde uitspraak van 6 augustus 2015 heeft overwogen, bestaat op grond van de berekeningen in het verkeersonderzoek geen grond voor de verwachting dat de verkeersbewegingen als gevolg van het plan zodanig kunnen zijn dat de bestaande infrastructuur hierdoor overbelast raakt. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.

8.9. [appellante sub 1] heeft niet dusdanig zwaarwegende belangen gesteld dat de raad daaraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de met het plan gediende bedrijfsbelangen van [appellante sub 2]. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] op het perceel zullen worden beëindigd binnen de planperiode.

8.10. Gelet op het vorenstaande bestaat in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de bestaande en vergunde activiteiten van [appellante sub 2] op het perceel niet in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen als zodanig heeft kunnen bestemmen. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen heeft kunnen voorzien in de mogelijkheid van een tweede opslagloods voor PGS 15 opslag op het perceel.

Het betoog faalt.

9. Volgens [appellante sub 1] is in het plan geen duidelijke omschrijving opgenomen van aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende activiteiten in categorie 1 en 2. In dit verband wijst [appellante sub 1] erop dat in artikel 4, lid 4.2.1, onder c, van de planregels ten aanzien van het bouwen ten behoeve van de aan de vaten- vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen geen maximale categorieaanduiding is opgenomen. Voorts is volgens [appellante sub 1] niet iedere aan de fabriek ondersteunende activiteit te kwalificeren als passend binnen categorie 1 en 2. [appellante sub 1] vreest dat de onduidelijkheid in de planregeling ertoe zal leiden dat op de voor categorie 1 en 2 bestemde gronden zwaardere activiteiten kunnen plaatsvinden.

9.1. Zoals hiervoor onder 8.4 is overwogen, is ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en d, van de planregels het verwezenlijken van ondersteunende voorzieningen met een hogere milieucategorie dan categorie 2 niet toegestaan, zodat de raad in redelijkheid geen noodzaak heeft hoeven zien om ten aanzien van gebouwen in artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de planregels een nadere specificatie op te nemen van de maximaal toegestane milieucategorie.

Het betoog faalt in zoverre.

9.2. In verband met zijn betoog dat op het terrein activiteiten plaatsvinden die niet passend zijn binnen milieucategorieën 1 en 2, wijst [appellante sub 1] in het bijzonder op de transport- en opslagactiviteiten die plaatsvinden op het perceel. De activiteiten van [appellante sub 2] bestaan uit het produceren van vaten en verf. [appellante sub 1] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat vanwege de transportactiviteiten die op het perceel van [appellante sub 2] plaatsvinden, het bedrijf (tevens) is aan te merken als een goederenwegvervoerbedrijf als bedoeld in de de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2009 (hierna: de VNG-brochure), dat vanwege de omvang van het terrein in milieucategorie 3.2 valt. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen in de hiervoor onder 6.1 vermelde uitspraak van 6 augustus 2015, hebben de raad en [appellante sub 2] voldoende aannemelijk gemaakt dat de transportactiviteiten waar [appellante sub 1] op doelt uitsluitend betrekking hebben op het aanvoeren van grondstoffen en het afvoeren van producten zodat deze niet los kunnen worden gezien van de activiteiten van [appellante sub 2]. Het verhandelde ter zitting geeft geen aanknopingspunten hierover anders te oordelen.

Het betoog faalt in zoverre.

9.3. Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat de de regels over de toelaatbaarheid van opslag op het perceel onduidelijk zijn, nu in de plantoelichting eerst wordt gesteld dat opslag van producten ten behoeve van de verfproductie niet is toegestaan in het onbebouwde gebied, maar vervolgens wordt vermeld dat die opslag als activiteit van categorie 2 wel is toegestaan, wordt overwogen dat de plantoelichting geen juridisch bindend deel is van het plan. Voorts is in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels opgenomen waar ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vaten-, vernis- en verffabriek 2" een bepaalde vorm van opslag zoals PGS 15 opslag, opslag van gevaarlijke stoffen en buitenopslag ten behoeve van bedrijfsactiviteiten voorkomend in categorie 1 en 2 (voor al dan niet aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende activiteiten) is toegestaan. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels is ter plaatse van de niet als vaten-, vernis- en verffabriek aangeduide gronden opslag als aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorziening binnen categorie 2 mogelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de vermelde planregels op zichzelf en in onderling verband onduidelijk of rechtsonzeker zijn.

[appellante sub 1] heeft ter zitting nog uiteengezet dat volgens hem niet is uit te sluiten dat bij opslag van emballage restanten van gevaarlijke stoffen in de vaten achterblijven en de opslag daarmee niet passend is binnen milieucategorie 1 en 2, zodat opslag van emballage dient te worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van de verffabriek behorend tot categorie 4.2. De Afdeling overweegt dienaangaande dat uit de toelichting van [appellante sub 2] ter zitting blijkt dat opslag van emballage met restanten gevaarlijke stoffen niet behoort tot de normale bedrijfsvoering van [appellante sub 2] Voor zover dit wel zou plaatsvinden en daarmee niet zou worden voldaan aan de toegestane gebruiksmogelijkheden in de planregels, is dit een punt van handhaving.

Het betoog faalt ook in zoverre.

10. Volgens [appellante sub 1] is de aanleg van een aarden wal met beplanting rondom het fabrieksterrein ten onrechte niet als voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanleg van een aarden wal in het plan is toegestaan maar niet verplicht gesteld, nu het plan ook zonder de realisatie van deze wal tot een goede ruimtelijke ordening strekt.

10.2. Door middel van de aanduiding "overige zone - aarden wal" in de verbeelding en artikel 10, lid 10.2, van de planregels is voorzien in de mogelijkheid van de aanleg van een aarden wal rondom het noordelijk deel van het fabrieksterrein. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de aarden wal niet noodzakelijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop heeft de raad, zoals de voorzieningenrechter in de hiervoor onder 6.1 vermelde uitspraak van 6 augustus 2015 ook heeft overwogen, kunnen afzien van het opnemen van een aarden wal als voorwaardelijke verplichting.

Het betoog faalt.

11. Het beroep van [appellante sub 1], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

12. [appellante sub 2] heeft de beroepsgrond gericht tegen artikel 4, lid 4.4, onder a, van de planregels, voor zover het de contour van het plaatsgebonden risico en de omvang van het invloedsgebied van het groepsrisico betreft, ter zitting ingetrokken.

13. Volgens [appellante sub 2] is een onjuiste versie van de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen als bijlage 1 bij de planregels. In dit verband wijst [appellante sub 2] erop dat anders dan in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 1, van de planregels is vermeld, de PGS 15 opslag en categorie 5.1 niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgenomen.

13.1. De raad heeft naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen op het ontwerpplan, de PGS 15 opslag in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c,

sub 1, van de planregels aangeduid als categorie 5.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. In de bij de planregels bijgevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten is PGS 15 opslag noch milieucategorie 5.1 opgenomen. Zoals de raad in zijn verweerschrift heeft erkend, bevat artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 1, van de planregels dan ook een onjuiste verwijzing. Het plan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

14. [appellante sub 2] richt zich voorts tegen artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 8, van de planregels. Volgens haar ziet het woord "uitsluitend" volgens de tekst van de planregel ten onrechte op de aard van de activiteit in plaats van op de plaats van de activiteit. Bij de andere aanduidingen in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels is bepaald dat de betreffende activiteit uitsluitend ter plaatse van de aanduiding is toegestaan. Door de afwijkende redactie in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 8, van de planregels is deze bepaling strikter en leidt deze bepaling tot onduidelijkheid aangezien de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslag van stoffen en producten" in de verbeelding is toegekend aan vlakken waar ook een andere aanduiding is toegekend, aldus [appellante sub 2]

14.1. De raad heeft in zijn verweerschrift en ter zitting te kennen gegeven dat artikel 4, lid 4.1, onder c, sub 8, onbedoeld taalkundig afwijkt van de overige aanduidingen en dat hij ermee kan instemmen dat de zinsconstructie van deze bepaling wordt gewijzigd. Het bestreden besluit is wat dit onderdeel betreft dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

15. [appellante sub 2] wijst erop dat artikel 4, lid 4.4, onder a, van de planregels een onjuiste verwijzing bevat.

15.1. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is artikel 4, lid 4.1, van de planregels gewijzigd vastgesteld. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting te kennen gegeven dat abusievelijk als gevolg van die wijziging, de verwijzing in artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder a, van de planregels naar artikel 4, lid 4.1, onder e en f, van de planregels niet is aangepast. Volgens de raad heeft [appellante sub 2] terecht aangevoerd dat had moeten worden verwezen naar artikel 4, lid 4.1, onder c, sub 1 en 2, van de planregels. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid.

Het betoog slaagt.

16. Volgens [appellante sub 2] komen de in de planregels en de verbeelding opgenomen maximale bouwhoogtes van schoorstenen en naverbranders niet overeen met de feitelijke bouwhoogtes. Zij wijst erop dat bestaande, legale schoorstenen als zodanig moeten worden bestemd. Volgens [appellante sub 2] heeft de raad niet gemotiveerd waarom de feitelijke bouwhoogtes onder de bestaande matenregeling van artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels zijn gebracht. Zij wijst erop dat de bestaande matenregeling de mogelijkheid van aanpassingen ter vernieuwing of verbetering van bestaande schoorstenen die hoger zijn dan de maximale bouwhoogtes beperkt.

16.1. De raad wijst er op dat naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen op het ontwerpplan voor de maximale toegestane bouwhoogte is aangesloten bij het voorheen geldende bestemmingsplan. Voor zover schoorstenen en de naverbrander op het perceel de in artikel 4, lid 4.2.1 en lid 4.2.5, van de planregels opgenomen maximale bouwhoogtes overschrijden, zijn deze volgens de raad ingevolge de bestaande matenregeling van artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels als zodanig bestemd.

16.2. De door [appellante sub 2] bedoelde schoorstenen zijn geen losstaande schoorstenen als bedoeld in artikel 4, lid 4.2.5, onder d, van de planregels. Nu de door [appellante sub 2] bedoelde schoorstenen deel uitmaken van een gebouw, gelden daarvoor de bouwregels neergelegd in artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels. In de verbeelding is ter plaatse van de verffabriek op het perceel een maximale bouwhoogte van 7,5 meter opgenomen. Voorts is van belang dat een bestaande legale schoorsteen op het perceel, voor zover hoger dan 9 meter, op basis van artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels als zodanig is bestemd. Voor de naverbrander geldt, dat in de verbeelding bij de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - naverbrander" is opgenomen dat een maximale bouwhoogte van 8 meter is toegestaan. Bij besluit van 11 augustus 2008 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loenen (thans: Stichtse Vecht) is aan [appellante sub 2] een bouwvergunning met vrijstelling verleend voor een afgasreinigingsinstallatie met een rookafvoer van 10 meter. Voor zover de rookafvoer daarmee de maximale bouwhoogte die op grond van de verbeelding is toegestaan overschrijdt, is deze op basis van artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels als zodanig bestemd. De raad heeft bij de vaststelling van het plan in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen kunnen aansluiten bij de maximaal toegestane bouwhoogtes die golden in het voorheen geldende plan. Hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat zij door de wijze van het als zodanig bestemmen van de door haar bedoelde schoorsteen en naverbrander met een afwijkende bouwhoogte onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels herbouw met dezelfde bouwhoogte mogelijk maakt.

Het betoog faalt.

17. [appellante sub 2] voert voorts aan dat het plan niet voorziet in redelijke uitbreidingsmogelijkheden voor haar bedrijf en flexibiliteit in de gebruiksmogelijkheden van haar perceel. Zij acht dit in strijd met jurisprudentie van de Afdeling waaruit zou volgen dat aan bedrijven in beginsel uitbreidingsmogelijkheden moet worden gegeven ter waarborging van de bedrijfsvoering. In dit verband wijst [appellante sub 2] erop dat diverse gebruiksmogelijkheden door middel van artikel 4, lid 4.1, onder c, van de planregels en de in de verbeelding aangebrachte functieaanduidingen exact zijn geduid op een specifiek gedeelte van het perceel. Zij wijst daarbij in het bijzonder op de productieruimte voor watergedragen lakken, het verfmagazijn en opslag gevaarlijke stoffen, niet zijnde de PGS 15 opslag. Volgens [appellante sub 2] is het niet noodzakelijk deze gebruiksmogelijkheden zo nauwkeurig te bestemmen, nu de mogelijkheid om deze elders op het perceel te laten plaatsvinden reeds wordt beperkt door de geldende milieueisen wat betreft externe veiligheid, geur en geluid.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bedrijf van [appellante sub 2] als zodanig is bestemd en het plan voldoende ruimte biedt voor het bedrijf om gedurende de planperiode ter plaatse te worden voortgezet. Daarbij wijst de raad erop dat [appellante sub 2] behalve de nieuwe opslagloods, het verplaatsen van het verflaboratorium en de verdubbeling van de verfproductie geen concrete plannen heeft aangeleverd waarmee hij bij de vaststelling rekening had moeten houden.

17.2. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij behalve de tweede opslagloods voor PGS 15 stoffen, die met het plan mogelijk wordt gemaakt, de verplaatsing van het verflaboratorium en de verdubbeling van de verfproductie, waaraan het plan niet in de weg staat, ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen had voor verdere uitbreiding van haar bedrijf waarmee de raad rekening had dienen te houden. Dat bij het als zodanig bestemmen van een bedrijf in beginsel redelijke uitbreidingsmogelijkheden moeten worden geboden, betekent niet dat in alle gevallen doorslaggevend gewicht moet worden toegekend aan het belang voor het betrokken bedrijf bij de mogelijkheid van uitbreiding. Behalve het mogelijk maken van een tweede opslagloods voor PGS 15 stoffen op het perceel, heeft de raad met de vaststelling van het plan het bestaande gebruik van het perceel als zodanig willen bestemmen. Daarbij heeft de raad als uitgangspunt genomen dat [appellante sub 2] ter plaatse moet kunnen blijven functioneren. De raad heeft verder van belang geacht dat enkele bestaande activiteiten op het perceel bepaalde risico’s met zich brengen. De raad acht die risico’s aanvaardbaar, voor zover de activiteiten op de huidige locaties op het perceel plaatsvinden. Volgens de raad is het niet zonder meer gewenst dat deze activiteiten op een andere locatie op het perceel plaatsvinden, omdat dan de risico’s richting omliggende gevoelige functies niet op voorhand acceptabel zijn. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat mede vanwege de rechtszekerheid voor omwonenden de gebruiksmogelijkheden exact zijn geduid op een specifiek gedeelte van het perceel. Daarnaast heeft de raad de bestaande situatie nauwkeurig willen bestemmen met het oog op de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van het perceel. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad op grond van deze overwegingen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan [appellante sub 2] geen verdere uitbreidingsmogelijkheden dan in het plan toegestaan te bieden. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat vanwege het plan een reële bedrijfsvoering gedurende de planperiode niet mogelijk is.

Het betoog faalt.

18. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 1, van de planregels, voor zover daarin is verwezen naar categorie 5.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 8, van de planregels en voor zover het betreft artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover daarin is verwezen naar artikel 4, lid 4.1, onder e en f, van de planregels. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

19. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van deze planonderdelen in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

20. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskostenveroordeling

21. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellante sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen voor zover gericht tegen artikel 4, lid 4.3, van de planregels niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie] Vreeland" van 31 maart 2015 voor zover het betreft:

a. artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 1, van de planregels, voor zover daarin is verwezen naar categorie 5.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 8, van de planregels;

c. artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover daarin is verwezen naar artikel 4, lid 4.1, onder e en f, van de planregels;

IV. bepaalt dat:

a. artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, sub 8, van de planregels komt te luiden: "overslag van stoffen en producten ten behoeve van een vaten-, vernis- en verffabriek als bedoeld in sub b, buitenopslag en (nieuwe) gebouwen ten behoeve van bedrijfsactiviteiten voorkomend in categorie 1 en 2 (voor al dan niet aan de vaten-, vernis- en verffabriek ondersteunende voorzieningen) uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overslag van stoffen en producten"";

b. artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder a, van de planregels komt te luiden: "bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, met uitzondering van bedrijven die risicovolle activiteiten uitvoeren op de locaties in overeenstemming met artikel 4, lid 4.1, onder c, sub 1 en 2 en voor zover de contour voor het plaatsgebonden risico binnen de grenzen van de inrichting blijft en het invloedsgebied voor het groepsrisico niet groter is dan ten tijde van vaststelling van het plan";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het bepaalde onder IV in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. draagt de raad van de gemeente Stichtse Vecht op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III, IV en V, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht het door [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

343.