Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201505812/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505812/1/V3.

Datum uitspraak: 5 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12807 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie in de overgelegde processen-verbaal van bevindingen van 30 april 2015 en 30 juni 2015, gelezen in samenhang met het op 9 juli 2015 opgemaakte aanvullend proces-verbaal, behorende bij het proces-verbaal van staandehouding, niet kan leiden tot de conclusie dat sprake was van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf toen de vreemdeling op 1 juli 2015 staande is gehouden in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het enkele tijdsverloop tussen de eerdere controles op het terrein bij de [locatie] te [plaats] (hierna: het terrein) in oktober 2013 in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav), waarbij illegale vreemdelingen werkend zijn aangetroffen, en de controle van 1 juli 2015. Uit voormelde informatie, met name uit de in het proces-verbaal van 30 juni 2015 beschreven waarneming van de staandehouding van een (andere) vreemdeling op 9 juni 2015, die eerder (ook) in oktober 2013 op het terrein tijdens een Wav-controle was staande gehouden, blijkt genoegzaam dat sprake was van een voortduring van de eerder in 2013 geconstateerde activiteiten, die duiden op de aanwezigheid van personen zonder rechtmatig verblijf, aldus de staatssecretaris.

2. De opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201505810/1/V3 in overweging 2.1. beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 juli 2015 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft bij de rechtbank aangevoerd dat tijdens de controle van 1 juli 2015 sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid, nu slechts personen met een Afrikaans uiterlijk zijn gevraagd zich te identificeren.

4.1. Uit het aanvullend proces-verbaal van 9 juli 2015 blijkt dat tijdens voormelde controle alle op het terrein aanwezige personen om hun identiteitsdocumenten zijn gevraagd. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft bij de rechtbank aangevoerd dat de verlenging van de duur van de ophouding als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 onrechtmatig was. Hij betoogt hiertoe dat hij een bekende is van de politie, waardoor aan de hand van vingerafdrukken meteen duidelijk had moeten zijn dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Ook de omstandigheid dat zijn identiteit en nationaliteit niet meteen kon worden vastgesteld rechtvaardigt niet de verlenging van de duur van de ophouding, nu dit geldt voor het overgrote deel van de vreemdelingen in bewaring, aldus de vreemdeling.

5.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 20 februari 2009 in zaak nr. 200808991/1) dat de duur van de ophouding slechts met hoogstens achtenveertig uren mag worden verlengd om nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling. Blijkens het besluit tot verlenging van de duur van de ophouding van 1 juli 2015 en het daarbij horende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding is de duur van de ophouding in het belang van het onderzoek verlengd omdat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nog niet was vastgesteld en het onderzoek naar zijn verblijfsrechtelijke status nog niet was afgerond. Dat de vreemdeling, naar hij stelt, een bekende van de politie is, betekent nog niet dat zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status onmiddellijk bekend konden zijn, nu uit het dossier blijkt dat hij verschillende namen, geboortedata en nationaliteiten heeft gebruikt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de duur van de ophouding onrechtmatig is verlengd.

De beroepsgrond faalt.

6. Verder heeft de vreemdeling betoogd dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de bewaring niet kunnen dragen. Hij voert daartoe aan dat hij verblijft in een moskee bij [locatie] en door deze moskee wordt onderhouden. Voorts voert hij aan dat hij zich niet zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten, nu dit een actieve handeling vereist en hij deze niet heeft verricht.

6.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

(a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

(b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

(c) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

(d) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

(e) zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis-of identiteitsdocumenten;

(f) zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden

(g) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

(h) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6.2. De vreemdeling heeft uitsluitend de onder (e), (g) en (h) genoemde gronden gemotiveerd bestreden. Dit laat evenwel onverlet dat de overige door de vreemdeling niet bestreden gronden in beginsel grond geven om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van de verwijderingsprocedure belemmert. Nu de vreemdeling geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken, kunnen deze bewaringsgronden de maatregel van bewaring dragen.

De beroepsgrond faalt.

7. Voorts heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, nr. 201502024/1/V3, betoogd dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring ten onrechte de feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen niet kenbaar heeft betrokken bij zijn oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichter middel.

7.1. In zijn arrest van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi (ECLI:EU:C:2014:1320), heeft het Hof van Justitie (hierna: het Hof), voor zover thans van belang, overwogen dat uit artikel 15, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348) volgt dat inbewaringstelling schriftelijk wordt gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden. Het Hof overweegt dat deze verplichting tot mededeling van voornoemde redenen vereist is, zowel om de betrokken vreemdeling de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden, als om deze laatste ten volle in staat te stellen om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen.

Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015 volgt dat de staatssecretaris, met het oog op de hiervoor omschreven belangen van de vreemdeling en de controlerende rechter, in een maatregel van bewaring uitdrukkelijk moet vermelden welke feiten en omstandigheden voor hem aanleiding vormen om aan te nemen dat ten tijde van het nemen van dat besluit een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, alsmede dat er geen feiten of omstandigheden zijn, die aanleiding vormen voor het toepassen van een lichter middel.

7.2. De staatssecretaris heeft in de maatregel van bewaring vermeld uit welke zware en lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 blijkt dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens heeft de staatssecretaris dat standpunt nader toegelicht aan de hand van het gedrag en de verklaringen van de vreemdeling. Verder heeft de staatssecretaris overwogen dat, gelet op de gronden, de bijbehorende motivering en hetgeen de vreemdeling daartegenover heeft gesteld, geen aanleiding bestaat om op de vreemdeling een minder dwingende maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek op te leggen. Evenmin is volgens de staatssecretaris gebleken van omstandigheden die de detentie voor de vreemdeling onredelijk bewarend maken. Gelet op hetgeen in 7.1. is overwogen is de maatregel van bewaring hiermee deugdelijk gemotiveerd.

De beroepsgrond faalt.

8. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld om zijn uitzetting naar Ghana te bewerkstelligen. Nu hij blijkens het proces-verbaal van gehoor van 4 november 2010 Twi spreekt, welke taal alleen in Ghana wordt gesproken, is het evident dat hij uit dit land komt, zodat de laissez-passeraanvraag bij de Zambiaanse autoriteiten zinloos was en de staatssecretaris de uitzetting derhalve onnodig heeft vertraagd, aldus de vreemdeling.

8.1. Uit de processen-verbaal van het verhoor en gehoor van 2 juli 2015 blijkt dat de vreemdeling herhaaldelijk heeft verklaard uit Zambia te komen. Derhalve kan niet worden gezegd dat de staatssecretaris de voorbereiding van de uitzetting onnodig heeft vertraagd door de laissez-passeraanvraag voor Zambia op 9 juli 2015 naar de laissez-passerkamer van de Dienst Terugkeer en Vertrek te sturen. Nu de staatssecretaris op dezelfde datum, zijnde de achtste dag van de inbewaringstelling, met de vreemdeling een vertrekgesprek heeft gevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

De beroepsgrond faalt.

9. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 juli 2015 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor een schadevergoeding.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12807;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2015

53-796.