Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201503958/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2015 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Zwitserland zal worden overgedragen en bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 44a
Vreemdelingenwet 2000 62c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503958/1/V3.

Datum uitspraak: 5 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 mei 2015 in zaak nr. 15/8082 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2015 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Zwitserland zal worden overgedragen en bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit van 15 april 2015 genoemde gronden voldoende zijn om aan te nemen dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en de staatssecretaris daaraan de consequentie heeft mogen verbinden dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. Daartoe voert de vreemdeling aan dat hij volgens punt 24 van de preambule bij Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) de mogelijkheid had moeten krijgen om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Voorts is artikel 62c, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet in lijn met artikel 26, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat uit laatstgenoemde bepaling niet volgt dat de vertrektermijn kan worden verkort indien het risico bestaat dat een vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, aldus de vreemdeling.

2. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2015 in zaak nr. 201406763/1/V3 is de in artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, van de Vw 2000 opgenomen algemene verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten niet in overeenstemming met de Dublinverordening en Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van de Dublinverordening en zijn deze artikelen in zoverre onverbindend. De staatssecretaris heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat op de vreemdeling een algemene verplichting rust Nederland uit eigen beweging te verlaten.

Nu de staatssecretaris ten onrechte heeft aangenomen dat op de vreemdeling een vertrekplicht rust, heeft de staatssecretaris ten onrechte aanleiding gezien op grond hiervan een vertrektermijn aan de vreemdeling op te leggen. Reeds hierom klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in het besluit van 15 april 2015 ten onrechte heeft bepaald dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen in grief 2 is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 april 2015 alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 15 april 2015 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij is bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Dat aan de vreemdeling ten onrechte een vertrektermijn is opgelegd doet niet af aan de rechtmatigheid van het besluit van 15 april 2015, voor zover daarbij de vreemdeling is medegedeeld dat hij aan Zwitserland zal worden overgedragen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 mei 2015 in zaak nr. 15/8082;

III. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 april 2015, V-nummer 281.052.9051, voor zover daarbij is bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nieuwenhuizen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2015

633.