Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201505810/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:4501, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505810/1/V3.

Datum uitspraak: 5 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12839 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie in de overgelegde processen-verbaal van bevindingen van 30 april 2015 en 30 juni 2015, gelezen in samenhang met het op 9 juli 2015 opgemaakte aanvullend proces-verbaal, behorende bij het proces-verbaal van staandehouding, niet kan leiden tot de conclusie dat sprake was van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf toen de vreemdeling op 1 juli 2015 staande is gehouden in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het enkele tijdsverloop tussen de eerdere controles op het terrein bij de [locatie] te [plaats] (hierna: het terrein) in oktober 2013 in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav-controles), waarbij illegale vreemdelingen werkend zijn aangetroffen, en de controle van 1 juli 2015. Uit voormelde informatie, met name uit de in het proces-verbaal van 30 juni 2015 beschreven waarneming van de staandehouding van een (andere) vreemdeling op 9 juni 2015, die eerder (ook) in oktober 2013 op het terrein tijdens een Wav-controle was staande gehouden, blijkt genoegzaam dat sprake was van een voortduring van de eerder in 2013 geconstateerde activiteiten, die duiden op de aanwezigheid van personen zonder rechtmatig verblijf, aldus de staatssecretaris.

2. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren, belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd op grond van feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Volgens paragraaf A2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, mag een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- of omgevingsgegevens worden aangenomen, indien bijvoorbeeld sprake is van:

- een controle in een woning of een bedrijf, waarin bij een eerdere controle illegale personen aangetroffen zijn;

- aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie.

2.1. Blijkens het op ambtsbelofte gemaakte proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2015 en het aanvullende proces-verbaal van 9 juli 2015 is het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van de op het terrein aanwezige personen, waaronder de vreemdeling, gebaseerd op bevindingen tijdens eerdere Wav-controles in oktober 2013, onderzoek van AVIM Noord-Holland, meerdere (voor-)observaties en de staandehouding van een vreemdeling op 9 juni 2015. Bij een tweetal Wav-controles in oktober 2013 zijn acht vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland, alsmede vreemdelingen die werkzaamheden verrichtten in strijd met de Wav, aangetroffen op het terrein. Uit voormelde processen-verbaal blijkt dat de omstandigheden op het terrein voorafgaand aan de controle van 1 juli 2015 niet gewijzigd waren ten opzichte van hetgeen in 2013 was waargenomen. Op 9 juni 2015 is, naar aanleiding van een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, in de buurt van het terrein een vreemdeling staande gehouden, die verklaarde dat hij op het terrein werkte door goederen te vervoeren naar Afrika. Deze vreemdeling had geen rechtmatig verblijf. Uit eigen onderzoek van de politie is vervolgens gebleken dat deze vreemdeling ook tijdens een van de voormelde Wav-controles in oktober 2013 was staande gehouden en dat hem toen een bevel onmiddellijke terugkeer naar Italië was uitgereikt.

Reeds gelet op deze informatie, geven voormelde processen-verbaal blijk van omstandigheden die, in hun onderlinge samenhang bezien, een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren ten aanzien van de vreemdeling. De vreemdeling kon derhalve, toen hij zich tijdens de controle van 1 juli 2015 niet kon identificeren, worden staande gehouden krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 juli 2015 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft bij de rechtbank aangevoerd dat tijdens de controle van 1 juli 2015 sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid, nu slechts de niet Nederlands sprekende personen met een Afrikaans uiterlijk zijn gevraagd zich te identificeren.

4.1. Uit het aanvullend proces-verbaal van 9 juli 2015 blijkt dat tijdens voormelde controle alle op het terrein aanwezige personen om hun identiteitsdocumenten zijn gevraagd. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de verlenging van de duur van de ophouding als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 onrechtmatig was, omdat deze blijkbaar is verlengd om ervoor te zorgen dat hij vóór de inbewaringstelling kon worden gehoord.

5.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 20 februari 2009 in zaak nr. 200808991/1) dat de duur van de ophouding slechts met hoogstens achtenveertig uren mag worden verlengd om nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling. Blijkens het besluit tot verlenging van de ophouding krachtens artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 van 1 juli 2015 en het daarbij horende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding is de ophouding op die dag verlengd omdat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nog niet was vastgesteld aan de hand van vingerafdrukken en het onderzoek naar zijn verblijfsrechtelijke status nog niet was afgerond, hetgeen ook wordt bevestigd in de overige dossierstukken. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de duur van de ophouding onrechtmatig is verlengd.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de bewaring niet kunnen dragen. Hij voert daartoe aan dat hij wel degelijk beschikt over een vaste woon- en verblijfplaats, omdat hij momenteel op [locatie] in [plaats] verblijft en daarna bij vrienden kan verblijven. Voorts voert hij aan dat hij met klussen geld verdient en derhalve beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

(a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe gedaan;

(b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

(c) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven

(d) zich niet aan één of meer voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

(e) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

(f) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6.2. De vreemdeling heeft uitsluitend de onder (e) en (f) genoemde gronden bestreden. Dit laat evenwel onverlet dat de overige door de vreemdeling niet bestreden gronden in beginsel grond geven om aan te nemen dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Nu de vreemdeling geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken, kunnen deze gronden de maatregel van bewaring dragen.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, nr. 201502024/1/V3, betoogd dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring niet heeft gemotiveerd waarom zicht op uitzetting niet ontbreekt en waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan.

7.1. In zijn arrest van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi (ECLI:EU:C:2014:1320), heeft het Hof van Justitie (hierna: het Hof), voor zover thans van belang, overwogen dat uit artikel 15, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348) volgt dat inbewaringstelling schriftelijk wordt gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden. Het Hof overweegt dat deze verplichting tot mededeling van voornoemde redenen vereist is, zowel om de betrokken vreemdeling de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden, als om deze laatste ten volle in staat te stellen om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen.

Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015 volgt dat de staatssecretaris, met het oog op de hiervoor omschreven belangen van de vreemdeling en de controlerende rechter, in een maatregel van bewaring uitdrukkelijk moet vermelden welke feiten en omstandigheden voor hem aanleiding vormen om aan te nemen dat ten tijde van het nemen van dat besluit een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast dient de staatssecretaris, gelet op voormelde uitspraak, te motiveren waarom hij niet met toepassing van een lichter middel volstaat en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn volgens hem niet ontbreekt.

7.2. De staatssecretaris heeft in de maatregel van bewaring vermeld uit welke zware en lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 blijkt dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens heeft de staatssecretaris dat standpunt nader toegelicht aan de hand van het gedrag en de verklaringen van de vreemdeling. De staatssecretaris heeft overwogen dat, gelet op de gronden, de bijbehorende motivering en hetgeen de vreemdeling daartegenover heeft gesteld, geen aanleiding bestaat om op de vreemdeling een minder dwingende maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek op te leggen. Evenmin is volgens de staatssecretaris gebleken van omstandigheden die de detentie voor de vreemdeling onredelijk bewarend maken. Verder heeft de staatssecretaris overwogen dat niet gebleken is dat de vreemdeling de nationaliteit van een staat heeft die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer of waarvoor een vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige belemmering voor de uitzetting geldt. Ten slotte heeft de staatssecretaris overwogen dat hoewel de vreemdeling onvoldoende verifieerbare gegevens ter onderbouwing van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft verstrekt, niet is gebleken dat het onmogelijk is om deze gegevens te verstrekken en evenmin is gebleken dat het land van herkomst geen vervangende reisdocumenten zal verstrekken voor de gedwongen terugkeer. Gelet op hetgeen in 7.1. is overwogen is de maatregel van bewaring hiermee deugdelijk gemotiveerd.

De beroepsgrond faalt.

8. De vreemdeling heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat het tegen hem op 22 augustus 2014 uitgevaardigde terugkeerbesluit niet voldoet aan de daaraan in het arrest van het Hof van 11 december 2014, nr. C-249/13, Boudjlida (ECLI:EU:C:2014:2431), gestelde eisen.

8.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het terugkeerbesluit van 22 augustus 2014 in rechte vaststaat, waardoor reeds daarom niet aan dit betoog wordt toegekomen.

9. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2015 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor een schadevergoeding.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12839;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2015

53-796.