Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201505815/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505815/1/V3.

Datum uitspraak: 5 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12809 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. dr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie in de overgelegde processen-verbaal van bevindingen van 30 april 2015 en 30 juni 2015, gelezen in samenhang met het op 9 juli 2015 opgemaakte aanvullend proces-verbaal, behorende bij het proces-verbaal van staandehouding, niet kan leiden tot de conclusie dat sprake was van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf toen de vreemdeling op 1 juli 2015 staande is gehouden in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het enkele tijdsverloop tussen de eerdere controles op het terrein bij de Vlothavenweg 10 te Amsterdam (hierna: het terrein) in oktober 2013 in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav), waarbij illegale vreemdelingen werkend zijn aangetroffen, en de controle van 1 juli 2015. Uit voormelde informatie, met name uit de in het proces-verbaal van 30 juni 2015 beschreven waarneming van de staandehouding van een (andere) vreemdeling op 9 juni 2015, die eerder (ook) in oktober 2013 op het terrein tijdens een Wav-controle was staande gehouden, blijkt genoegzaam dat sprake was van een voortduring van de eerder in 2013 geconstateerde activiteiten, die duiden op de aanwezigheid van personen zonder rechtmatig verblijf, aldus de staatssecretaris.

2. De opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201505810/1/V3 in overweging 2.1. beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 juli 2015 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft bij de rechtbank aangevoerd dat tijdens de controle van 1 juli 2015 sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid, nu slechts personen met een donkere huidskleur zijn staande gehouden.

4.1. Uit het aanvullend proces-verbaal van 9 juli 2015 blijkt dat tijdens voormelde controle alle op het terrein aanwezige personen om hun identiteitsdocumenten zijn gevraagd. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, onrechtmatig was, omdat een verhoor tijdens de ophouding achterwege is gebleven.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 15 augustus 2008 in zaak nr. 200804815/1) valt uit de bewoordingen van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 niet op te maken dat de staatssecretaris gehouden is een vreemdeling die op de voet van deze bepaling is opgehouden, tijdens die ophouding te horen. De enkele omstandigheid dat de desbetreffende vreemdeling ingevolge die bepaling wordt overgebracht naar een plaats voor verhoor, is daartoe onvoldoende. Ook uit de wetsgeschiedenis valt niet af te leiden dat meergenoemde bepaling aldus moet worden verstaan dat tijdens de ophouding een gehoor moet plaatsvinden. Anders dan bij de inbewaringstelling krachtens artikel 59 van de Vw 2000 is in het Vreemdelingenbesluit 2000 dan ook niet voorzien in een verplichting de desbetreffende vreemdeling in het kader van diens ophouding te horen.

5.2. De in artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 geregelde ophouding strekt ertoe nader onderzoek te doen naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de desbetreffende vreemdeling. De staatssecretaris heeft tijdens de ophouding van de vreemdeling zodanig onderzoek ook daadwerkelijk verricht door controle van de personalia van de vreemdeling in de Basisvoorziening Vreemdelingen. Ook is de vreemdeling in verband met de inbewaringstelling gehoord en heeft het verhoor alsnog tijdens de inbewaringstelling plaatsgevonden. Dat tijdens de ophouding geen uitsluitend op de ophouding betrekking hebbend afzonderlijk verhoor heeft plaats gevonden, betekent dan ook niet dat de ophouding geen doel diende . Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een dergelijk verhoor van een zodanige betekenis was voor het in die periode te verrichten onderzoek dat dit op dat moment redelijkerwijs niet achterwege had kunnen blijven, is niet gebleken.

De beroepsgrond faalt.

6. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring bij zijn oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichter middel ten onrechte niet zijn medische omstandigheden heeft betrokken.

6.1. Uit het proces-verbaal van gehoor van 2 juli 2015 blijkt dat de staatssecretaris heeft gevraagd naar de gezondheidstoestand van de vreemdeling. De staatssecretaris heeft door het stellen van onder andere deze concrete vraag over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen getracht te achterhalen of zich in het geval van de vreemdeling omstandigheden voordeden die tot toepassing van een lichter middel noopten. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de vreemdeling last heeft van psychoses, dat hij medicatie gebruikt om paniekaanvallen te voorkomen en dat hij onder behandeling staat bij een psycholoog. De staatssecretaris heeft vervolgens overwogen dat, gelet op de gronden, de bijbehorende motivering en hetgeen de vreemdeling daartegenover heeft gesteld, geen aanleiding bestaat om op de vreemdeling een minder dwingende maatregel dan bewaring toe te passen. Evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor de vreemdeling onredelijk bezwarend maken. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de medische omstandigheden van de vreemdeling niet bij zijn oordeel over toepassing van een lichter middel heeft betrokken en is in dit verband dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek.

De beroepsgrond faalt.

7. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 juli 2015 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor een schadevergoeding.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12809;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk , leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2015

53-796.