Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201505611/3/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2015 heeft het college een aantal voorschriften, verbonden aan de bij besluit van 18 april 2007 verleende milieuvergunning voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, wegenbouw, daken en industrie op het perceel Hoogewaard 183 te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn, gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505611/3/A4.

Datum uitspraak: 2 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Alphen aan den Rijn, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 1]),

2. [verzoekster sub 2], gevestigd te Voorschoten, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoekster sub 2]),

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2015 heeft het college een aantal voorschriften, verbonden aan de bij besluit van 18 april 2007 verleende milieuvergunning voor een inrichting voor het vervaardigen van producten voor vloeren, wegenbouw, daken en industrie op het perceel Hoogewaard 183 te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn, gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 23 oktober 2015, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.M. van Koeveringe-Dekker, advocaat te Middelburg, [verzoekster sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D.A. Cleton, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Burger en A.P.M. Schouwmans, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Latexfalt B.V., vertegenwoordigd door [vier gemachtigden], bijgestaan door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Bij het bestreden besluit heeft het college, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van Latexfalt, de voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.9, 3.3.16 en 4.4.1 van de milieuvergunning van 18 april 2007 gewijzigd. De wijziging van voorschrift 3.3.1 behelst het vervangen van de daarin voorgeschreven geurcontour van 2 geureenheden per kubieke meter (ge/m³) als 98-percentiel door emissie-eisen van 144 M (miljoen) en 36.6 M Europese geureenheden per kubieke meter (M ouE/m³). Deze wijziging leidt er de facto toe dat de geurcontour ten opzichte van de vergunning van 2007 wordt verruimd.

4. [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen, omdat zij vrezen dat Latexfalt, voordat het bestreden besluit onherroepelijk is, van deze verruimde geurcontour gebruik zal maken door de productie te verhogen, hetgeen zou leiden tot meer geuroverlast. Zij wijzen erop dat Latexfalt op een informatieavond op 24 juni 2015 heeft meegedeeld dat zij werkt aan een verhoging van de capaciteit waardoor de nieuwe, verruimde geurcontour wordt opgevuld. Verder wijzen zij erop dat Latexfalt recent een opslagtank voor grondstoffen heeft geplaatst waardoor de geuremissie toeneemt.

5. Ter zitting heeft Latexfalt toegezegd dat zij een aanvraag van 26 augustus 2011 om een vergunning voor de uitbreiding van de productiecapaciteit zal aanhouden en niet zal aanvullen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, dat zij gedurende die periode geen vergunningaanvraag voor activiteiten waardoor de geuremissie wordt beïnvloed zal indienen en dat de recent geplaatste opslagtank pas in april 2016 in gebruik zal worden genomen. Verder heeft Latexfalt ter zitting verklaard dat de vergunde maximale productiecapaciteit van 65.000 ton bitumen en polymeren per jaar nooit is gehaald, dat het bedrijf nooit meer dan 55.000 ton per jaar heeft geproduceerd en dat in de komende maanden de productie relatief laag zal zijn omdat in die periode het bedrijf minder opdrachten krijgt. Voorts zal de behandeling van de hoofdzaak naar verwachting in januari 2016 plaatsvinden.

Gelet op deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat Latexfalt, voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, van de bij het bestreden besluit verruimde geurcontour gebruik zal maken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] dan ook geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

6. Gelet hierop worden de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2015

190-784.