Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201506495/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college het wijzigingsplan "De Pastorijtuin Schijndelseweg/Schildershof Sint-Michielsgestel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201506495/2/R3.

Datum uitspraak: 2 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker A],

2. [verzoeker B],

3. [verzoeker C],

allen wonend te Sint-Michielsgestel,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college het wijzigingsplan "De Pastorijtuin Schijndelseweg/Schildershof Sint-Michielsgestel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker A] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker B] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker C] heeft bij afzonderlijke brief de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Kerkenraad van de Protestante Gemeente Sint-Michielsgestel Schijndel heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 12 oktober 2015, waar [verzoeker B], mede namens [verzoeker A], [verzoeker C], en het college, vertegenwoordigd door drs. J.P.M. Roozen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar de Kerkenraad van de Protestante Gemeente Sint-Michielsgestel Schijndel, vertegenwoordigd door drs. W.J. Donselaar, en de vennootschap onder firma V.O.F. De Pastorijtuin, vertegenwoordigd door ir. E.A.W. Pennings, ing. G.J.G. Brekel en mr. D. Wintraecken, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het wijzigingsplan voorziet in de bouw van 4 woningen en een multifunctionele accommodatie in de tuin van de Protestantse Kerk op de locatie De Pastorijtuin, gelegen tussen de Schijndelseweg en het Schildershof in Sint-Michielsgestel.

3. Niet weersproken is dat [verzoeker C] op een afstand van ongeveer 350 m van het plangebied woont, in de [locatie]. Vanaf dit perceel heeft hij geen zicht op het betrokken perceel. Het plan voorziet voorts in een qua aard en omvang beperkte ontwikkeling. [verzoeker C] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat desondanks een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De omstandigheid dat [verzoeker C], naar hij heeft betoogd, lid is van de Protestante kerkgemeenschap Sint-Michielgestel, dat hij plannen koestert om in de voormalige pastorie aan het Petrus Dondersplein 13 te gaan wonen en dat hij belang heeft bij het aan de orde kunnen stellen van het volgens hem niet nakomen door het college van een toezegging van de raad, is daartoe niet voldoende.

Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter de verwachting dat de Afdeling in de hoofdzaak zal oordelen dat [verzoeker C] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat het beroep van [verzoeker C] niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek van [verzoeker C] af te wijzen.

4. [verzoeker A] en [verzoeker B], beiden eigenaren van percelen gelegen aan de Schildershof ten noorden van het plangebied, kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plan. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen verzoeken zij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen.

Volgens [verzoeker A] en [verzoeker B] past het plan niet binnen de wijzigingsvoorwaarden die zijn gesteld in het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010".

Zij stellen daartoe onder meer dat de multifunctionele accommodatie ten onrechte niet tegen de kerk is geprojecteerd, dat het plan niet leidt tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en bovendien onvoldoende bescherming biedt voor het groene karakter van de tuin en de daaromheen gelegen cultuurhistorisch waardevolle tuinmuur. Dit laatste is volgens hen tevens in strijd met een toezegging van de raad tijdens de zitting van de Afdeling over het aan het wijzigingsplan ten grondslag liggende bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010".

Voorts voeren zij aan dat het toegestane bebouwingspercentage binnen het plangebied wordt overschreden en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat uitsluitend vier aaneengebouwde woningen bestaande uit één bouwlaag met kap zijn toegestaan. De bouwmassa van de woningen past volgens hen bovendien niet in de omgeving.

Zij betogen voorts dat het plan ten onrechte afwijkt van het voornemen in de Uitvoeringsnota Woningbouw 2015 om seniorenwoningen te realiseren en dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de aangrenzende percelen door het plan worden beperkt. [verzoeker A] heeft in dit verband gewezen op de gevolgen van het plan voor zijn uitzicht, privacy, lichtinval en de verkeersveiligheid ter plaatse.

5. Ingevolge artikel 24, lid 24.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om met betrekking tot het gebied met de aanduiding "Wro-zone Wijzigingsgebied-1" de bestemming en het bouwvlak geheel of gedeeltelijk te wijzigen ten behoeve van de uitbreiding van de kerk met een multifunctionele ruimte en de bouw van woningen, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de uitbreiding van de kerk dient te worden geprojecteerd tegen het kerkgebouw; de oppervlakte hiervan mag ten hoogste 330 m² bedragen;

b. woningbouw dient te worden gecombineerd met verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied alsmede het behoud van een groen karakter;

c. ter plaatse zijn aaneen gebouwde woningen toegestaan bestaande uit ten hoogste één bouwlaag met daarop een kap;

d. er zijn ten hoogste vier woningen toegestaan;

e. de afstand van woningen tot de zuidelijke grens van het wijzigingsgebied, bedraagt ten minste 10 meter;

f. woningbouw dient te passen in het gemeentelijk woningbouwprogramma;

g. woningen dienen te worden georiënteerd op de weg aan de noord- of de oostzijde;

h. de oppervlakte van het gebied mag tot ten hoogste 40% worden bebouwd;

i. aangetoond dient te zijn dat er kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;

j. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen;

k. de planwijziging mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor de gebruiks- en bouwmogelijkheden van aangrenzende percelen.

6. Uit de stukken blijkt dat de uitbreiding van de kerk met de multifunctionele accommodatie via een smalle glazen verbinding wordt gekoppeld aan de rest van de kerk. Naar voorlopig oordeel dwingt de tekst van artikel 24, lid 24.2, onder a, van de wijzigingsvoorwaarden niet tot de lezing van [verzoeker A] en [verzoeker B] dat de uitbreiding met de multifunctionele accommodatie in zijn geheel tegen het kerkgebouw moet worden geprojecteerd. Dat zich hier strijd voordoet met deze wijzigingsvoorwaarde wordt vooralsnog dan ook niet ingezien.

Vast staat dat de kerk een Rijksmonument is. Volgens het college is in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) bewust voor de hiervoor beschreven constructie gekozen om een verbinding met de kerk te maken op een wijze waarop de gebouwen hun eigen identiteit behouden en de waarde van de kerk als Rijksmonument wordt beschermd. Daarbij heeft het college de uitkomsten van het overleg op 29 oktober 2013 en 24 juni 2014 met onder meer de RCE en het Monumentenhuis Brabant van belang mogen achten. In het besprekingsverslag van het overleg op 29 oktober 2013 staat dat het Planoverleg in beginsel positief is over de plaatsing van de multifunctionele accommodatie en de aansluiting van de accommodatie op de kerk door middel van een glazen tussenlid en ook uit het concept-verslag van de bespreking van 24 juni 2014 kan worden afgeleid dat onder meer de RCE op hoofdlijnen positief is over de plannen. Volgens het college zou projectie van de volledige uitbreiding tegen het kerkgebouw in ernstige mate afbreuk doen aan de ramen aan die kant van de kerk en aan het uitzicht op de kerk vanaf de Schijndelseweg. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk. Anders dan [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben gesteld maken de gespreksverslagen van overleg in de Stichting Monumentenhuis Brabant als bijlage 5 deel uit van de gemeentelijke stukken in het dossier.

6.1. Met betrekking tot de in artikel 24, lid 24.2, onder b, van de wijzigingsvoorwaarden voorgeschreven verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en het behoud van een groen karakter wordt het volgende overwogen.

Het college heeft erop gewezen dat de tuinmuur niet onder de beschermende werking van de Monumentenwet valt en dat hieraan in het thans geldende bestemmingsplan evenmin een beschermde status is toegekend.

Omdat het college de ommuring wel als een belangrijk deel van het sfeerbeeld ter plaatse beschouwt, is voor het behoud hiervan door middel van de aanduiding op de verbeelding "specifieke vorm van wonen - erfafscheiding" in combinatie met artikel 5 van de planregels voorzien in bescherming van de muur, onder meer door het vereiste van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden waardoor de muur wordt aangetast. Voorts is in de met de projectontwikkelaar gesloten anterieure overeenkomst met een boetebeding vastgelegd dat deze zorg dient te dragen voor behoud en herstel van de muur langs het Schildershof bij eventuele beschadigingen daarvan en de houten schutting aan de zuidzijde dient te vervangen door een nieuwe muur. Om het groene karakter van de tuin zoveel mogelijk te behouden heeft het college voorts een groenplan aan het wijzigingsplan verbonden, waarin de plant van twaalf bomen is opgenomen. De verplichting tot ontwikkeling van het groenplan is vastgelegd in de met de projectontwikkelaar gesloten anterieure overeenkomst, waaraan tevens een boetebeding is verbonden. Volgens het college zullen de nieuwe bomen voorts worden opgenomen op de gemeentelijke Bomenlijst, waarmee het behoud van deze bomen is verzekerd. Het karakter van tuin blijft volgens het college herkenbaar door de ommuring en het creëren van groene ruimte tussen de muur en de voorgevels van de nieuwe woningen.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat met het plan niet aan artikel 24, lid 24.2, onder b, van de wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat niet valt in te zien dat het college met de in het wijzigingsplan aan de tuinmuur gegeven bescherming, zoals hiervoor beschreven, onvoldoende acht heeft geslagen op hetgeen ter zitting van de Afdeling over het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010" op dit punt namens de raad is verklaard.

6.2. Met betrekking tot het in artikel 24, lid 24.2, onder h, van de wijzigingsregels toegestane bebouwingspercentage van de oppervlakte van het gebied heeft het college uiteengezet dat dit moet worden gelezen als 40% van het wijzigingsgebied, ofwel het gebied dat in het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010" onder de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" viel. Dit is geen onredelijk uitgangspunt. Aldus wordt voldaan aan de desbetreffende wijzigingsvoorwaarde.

Het feit dat van het wijzigingsgebied een strook grond langs de pastorie deel uitmaakt, die geen deel van het wijzigingsplan vormt, maakt niet dat het college daar niet van heeft mogen uitgaan. Overigens heeft het college ter zitting verklaard dat voor deze strook ingevolge het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010 een maximale bebouwingsoppervlakte geldt, die thans volledig is benut, zodat, anders dan [verzoeker A] en [verzoeker B] kennelijk menen, voor extra bebouwing daar hangende de bodemprocedure niet hoeft te worden gevreesd. Van strijd met genoemde wijzigingsbepaling is naar voorlopig oordeel dan ook geen sprake.

6.3. Ingevolge artikel 4.2, lid 4.2.1, van de planregels van het wijzigingsplan, in samenhang met de aanduidingen op de verbeelding, mogen ter plaatse maximaal 4 aaneengebouwde woningen worden gebouwd, met één bouwlaag met een kap. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 24, lid 24.2, onder c, van de wijzigingsvoorwaarden.

Voor zover [verzoeker A] en [verzoeker B] vrezen dat, gelet op de toegestane goot- en bouwhoogte meerdere bouwlagen zullen kunnen worden gebouwd, wijst de voorzitter erop dat in dat geval niet aan de planregels wordt voldaan en daarvoor dan ook geen omgevingsvergunning voor bouw zal kunnen worden verleend.

Overigens acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om bij deze goot- en bouwhoogten woningen met slechts één bouwlaag met een kap te realiseren. Hetzelfde geldt voor de situering van de woningen ten opzichte van elkaar. Of de geschakelde woningen, waarvan in verschillende impressies van de woningen sprake is, voldoen aan het criterium "aaneengebouwd" kan hier niet ter discussie staan, maar zal in het kader van beoordeling van de omgevingsvergunning voor bouwen aan de orde komen.

Met betrekking tot de inpassing van de woningen in de omgeving heeft het college naar voren gebracht dat de bebouwing van de tuin een overgang vormt tussen de aan het centrum gerelateerde hogere bebouwing, de kerk, de voormalige pastorie en de oostzijde van het Petrus Dondersplein enerzijds en de lagere bebouwing aan de oostzijde van de Schildershof anderzijds. Geen grond wordt gezien voor het oordeel dat het college zich aldus niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwmassa van de woningen niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de omgeving.

6.4. De voorzieningenrechter ziet voorts geen grond voor het oordeel dat het plan niet past in het gemeentelijke woningbouwprogramma.

Daartoe wordt overwogen dat de realisering ter plaatse van grondgebonden seniorenwoningen in de Uitvoeringsnota Woningbouw 2015 uitsluitend als voornemen is opgenomen en niet als harde eis, zodat reeds daarom geen sprake is van strijd van het plan met artikel 24, lid 24.2, onder f.

Volgens het verweerschrift zullen de woningen overigens levensloopbestendig worden uitgevoerd en zullen ze daarom geschikt zijn voor bewoning door senioren.

6.5. Met betrekking tot de gestelde vermindering van de gebruiks- en bouwmogelijkheden van [verzoeker A] en [verzoeker B] op hun eigen percelen wordt vooropgesteld dat de geplande woningbouw reeds mogelijk is gemaakt bij het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010", bij de vaststelling waarvan de ruimtelijke afweging al grotendeels heeft plaatsgevonden. In hetgeen [verzoeker A] en [verzoeker B] op dit punt hebben aangevoerd wordt naar voorlopig oordeel geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college met dit wijzigingsplan in zoverre op een voor [verzoeker A] en [verzoeker B] onevenredige wijze gebruik heeft gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

6.6. [verzoeker B] heeft nog aangevoerd dat zowel aan het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010" als het voorliggende wijzigingsplan planregels zijn verbonden met betrekking tot de bestemmingen "Maatschappelijk", "Wonen-1" en "Tuin". De invulling van die bestemmingen in het wijzigingsplan wijken volgens hem sterk af van die in genoemd bestemmingsplan, zodat het plan inconsistent is.

Het college heeft deze systematiek als volgt toegelicht, dat het wijzigingsplan uitsluitend beperkingen bevat ten opzichte van hetgeen in het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010" binnen dezelfde bestemmingen is geregeld. Dit komt de voorzieningenrechter niet ontoelaatbaar voor.

7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2015

240.