Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201502140/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:366, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/770
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502140/1/V6.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 januari 2015 in zaak nr. 14/3359 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort MSc, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen. Van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten stelt de staatssecretaris vrij de verzoeker die in bewijsnood verkeert. Bewijsnood doet zich volgens de Handleiding voor indien de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan of onvolledig zijn en wanneer in dat land geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts de verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin die autoriteiten gemotiveerd aangeven waarom zij de verzoeker niet in het bezit kunnen stellen van een geldig buitenlands reisdocument. Indien de verzoeker voormelde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan ter verkrijging van een geldig buitenlands reisdocument.

2. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond en evenmin heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert. Niet in geschil is dat [appellant] geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands paspoort heeft overgelegd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert. Hij voert aan dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit van de gevraagde documenten te komen. Hij behoort tot de Rohingya minderheidsgroep in Myanmar. Rohingya's worden door de autoriteiten van Myanmar niet erkend als staatsburgers en worden niet in het bezit gesteld van geboorteakten en paspoorten. De staatssecretaris heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat hij tot deze minderheidsgroep behoort. Het Bureau Documenten heeft niet vastgesteld dat de door hem overgelegde familiekaart niet echt is. Verder heeft hij tevergeefs diverse instanties benaderd om de documenten te verkrijgen. Ook heeft hij de ambassade van Myanmar in Brussel bezocht om een paspoort of laissez passer aan te vragen. Deze aanvraag is echter niet in behandeling genomen. Er zijn geen advocaten of familieleden in Myanmar die hem kunnen helpen bij het verkrijgen van de documenten. Gelet op de zorgwekkende mensenrechtensituatie voor Rohingya's in Myanmar, is het niet redelijk van hem te verlangen zelf naar Myanmar af te reizen om de documenten te verkrijgen. Los hiervan, dient de omstandigheid dat hij vanaf 2 september 2014 met "staatloos" in de basisregistratie personen van de gemeente Utrecht is opgenomen, tot de conclusie te leiden dat hij van het paspoortvereiste moet worden vrijgesteld. De weigering hem het Nederlanderschap te verlenen vormt een inbreuk op zijn recht op privéleven, hetgeen in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, aldus [appellant].

3.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201107027/1/V6) volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen, dat [appellant] niet al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een gelegaliseerde geboorteakte. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij niet in Myanmar is geregistreerd en daar geen gelegaliseerde geboorteakte kan verkrijgen. Ter staving van zijn stelling dat hij behoort tot de Rohingya minderheidsgroep in Myanmar, heeft [appellant] een niet-gelegaliseerde familiekaart overgelegd. In de verklaring van onderzoek van 20 maart 2014 heeft het Bureau Documenten de familiekaart "waarschijnlijk niet echt" bevonden. Nu [appellant] deze uitkomst niet met een contra-expertise heeft bestreden en hij ook geen andere stukken ter staving van zijn gestelde afkomst heeft overgelegd, is niet aannemelijk dat [appellant] behoort tot de Rohingya minderheidsgroep in Myanmar. De stelling van [appellant] dat hij wegens deze afkomst, geen gelegaliseerde geboorteakte kan verkrijgen, treft reeds hierom geen doel. Hij heeft weliswaar stukken overgelegd ter staving dat hij verschillende instanties heeft benaderd om een gelegaliseerde geboorteakte te verkrijgen, maar met die stukken heeft hij niet aangetoond dat het document niet aan hem kan worden verstrekt. [appellant] heeft verder niet aangetoond dat hij geen (professionele) derde kan inschakelen om het document te verkrijgen. De enkele stelling dat in Myanmar geen advocaten zijn die hem hierbij kunnen helpen, is daartoe onvoldoende. Voorts heeft [appellant] niet aangetoond dat hij niet zelf naar Myanmar kan afreizen om het document te verkrijgen. Nu niet aannemelijk is dat [appellant] behoort tot de Rohingya minderheidsgroep in Myanmar, faalt reeds hierom zijn stelling dat hij gelet op de zorgwekkende situatie voor Rohingya's in Myanmar niet zelf naar Myanmar kan afreizen.

Het betoog faalt in zoverre. Het vorenstaande kan de afwijzing van het verzoek reeds zelfstandig dragen. Het standpunt van [appellant] dat niet is onderkend dat hij voor vrijstelling van het paspoortvereiste in aanmerking komt, behoeft geen bespreking.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 september 2012 in zaak nr. 201112440/1/V6) kan aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak op verkrijging van een bepaalde nationaliteit worden ontleend. Slechts indien bij de afwijzing van een naturalisatieverzoek zich willekeur voordoet, kan onder bijzondere omstandigheden artikel 8 van het EVRM in beeld komen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in dit geval voordoet. Van strijd met artikel 8 van het EVRM of het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is daarom geen sprake.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Nasrullah-Oemar

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

404.