Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201503809/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Randweg west Bladel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 76
Wet geluidhinder 110a
Wet geluidhinder 110g
Reken- en meetvoorschrift geluid 2012
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/5 met annotatie van F. Arents

Uitspraak

201503809/1/R6.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Bladel,

2. [appellant sub 2], wonend te Bladel,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Randweg west Bladel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2015, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden vertegenwoordigd door mr. G.H. Blom, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door A.J.A. van der Heijden, L.J.G. Stortelder en P. Peereboom, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in de afronding van de randweg rondom de kern Bladel. Hiertoe wordt ten westen van Bladel, tussen de Gozelinusbocht en de Postelweg, een nieuwe weg aangelegd.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de Zwartakkers, in de nabijheid van het tracé van de aan te leggen weg, en kunnen zich niet met het plan verenigen.

Ingetrokken beroepsgrond

3. Ter zitting heeft [appellant sub 1] de beroepsgrond ingetrokken die betrekking heeft op de inrichting van de kruising van de nieuwe weg met de Zwartakkers.

Woon- en leefklimaat

4. [appellant sub 2] betoogt dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Geluidhinder

5. [appellant sub 2] voert aan dat de weg, die op een afstand van ongeveer 20 meter van zijn woning is voorzien, leidt tot onaanvaardbare geluidhinder op zijn perceel. In het akoestisch onderzoek is volgens [appellant sub 2] ten onrechte uitgegaan van 2.559 motorvoertuigbewegingen per etmaal, terwijl de weg geschikt is voor meer dan 6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. [appellant sub 2] voert aan dat maatregelen getroffen hadden moeten worden om geluidhinder te beperken.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene randweg niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder op het perceel van [appellant sub 2].

5.2. De raad heeft ten behoeve van de vaststelling van het plan akoestisch onderzoek laten verrichten. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek project randweg Bladel" van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant van 14 juli 2014 (hierna: het geluidrapport). Voor zover [appellant sub 2] het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal betwist, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de te verwachten verkeersintensiteit bepalend is voor de berekening van de geluidbelasting en niet de maximale capaciteit van de weg. Het enkele feit dat de weg wat dimensionering betreft geschikt is voor meer dan 6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal maakt niet aannemelijk dat de raad is uitgegaan van een onjuiste prognose van het aantal motorvoertuigbewegingen. Desgevraagd heeft [appellant sub 2] ter zitting zijn verwachting dat sprake zal zijn van een groter aantal motorvoertuigbewegingen niet kunnen onderbouwen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het geluidrapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren.

Volgens het geluidrapport zal de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie] als gevolg van de aanleg van de nieuwe weg worden overschreden. De geluidbelasting op de gevel van de woning zal op een hoogte van 4,5 meter in 2025, inclusief een aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder, 49,3 dB bedragen. Het college van burgemeester en wethouders van Bladel heeft op 16 december 2014 besloten om ten behoeve van de randweg hogere grenswaarden vast te stellen voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor 23 woningen aan het tracé rotonde Gozelinusbocht/Helleneind - rotonde Postelweg/Provinciale weg te Bladel, waaronder de woning van [appellant sub 2]. In dat besluit heeft het college overwogen dat gevelmaatregelen aan de woning van [appellant sub 2] niet nodig zijn, omdat uit een inventarisatie van de gevelopbouw en een berekening van de isolatiewaarde is gebleken dat de woning voldoet aan de ten hoogste toelaatbare binnenwaarde van 33 dB. In een door [appellant sub 2] overgelegd rapport van K&M Adviseurs wordt dit volgens het college bevestigd. Tegen het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden heeft een apart rechtsmiddel opengestaan en dit besluit is door de uitspraak van heden in zaak nr. 201507045/1/R6 onherroepelijk geworden. Voor zover de bezwaren van [appellant sub 2] zijn gericht tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden, zien deze niet op het plan en kunnen zij niet worden betrokken bij de beoordeling van het besluit tot vaststelling van het plan.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het plan had moeten voorzien in maatregelen om de geluidbelasting te beperken, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat hij een afscherming van de weg wenst, zodat onder meer de geluidbelasting wordt beperkt. Nu ter plaatse van de woning kan worden voldaan aan de ten hoogste toelaatbare binnenwaarde van 33 dB, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hij heeft geen aanleiding hoeven zien om in het plan maatregelen verplicht te stellen. Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

6. [appellant sub 2] voert aan dat de weg leidt tot een toename van fijn stof en uitlaatgassen en trekt de aan het plan ten grondslag gelegde berekening van de luchtkwaliteit in twijfel.

6.1. Het rapport over luchtkwaliteit is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. Hierin wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. [appellant sub 2] heeft niet nader onderbouwd of concreet gemaakt waarom dit rapport gebrekkig is. Reeds daarom faalt dit betoog.

Landschappelijke inpassing

7. [appellant sub 2] voert aan dat onduidelijk is hoe de weg ter plaatse van zijn woning landschappelijk zal worden ingepast. [appellant sub 2] heeft ter zitting aangevoerd dat zijn perceel moet worden afgeschermd van de te realiseren weg.

7.1. De raad stelt dat de weg zal worden voorzien van een landschappelijke inpassing die aansluit bij de manier waarop de Gozelinusbocht en Postelweg zijn ingepast. Er zullen bomen in de berm worden geplant en ook reststroken zullen worden voorzien van nieuwe houtopstanden en groenstroken. Over de precieze inrichting van de openbare ruimte ter hoogte van het perceel van [appellant sub 2] kan overleg plaatsvinden, aldus de raad.

7.2. In hoofdstuk 4 van de plantoelichting is uiteengezet hoe de weg landschappelijk zal worden ingepast. Hiervoor hebben het landschapsbeleidsplan en het landschapsontwikkelingsplan van de gemeente de basis gevormd. Hierbij is ook een inrichtingsschets opgenomen. [appellant sub 2] heeft niet nader onderbouwd in hoeverre hierover onduidelijkheid bestaat of waarom de voorgenomen wijze van inpassing, die het plan mogelijk maakt, niet afdoende zou zijn. Het betoog faalt reeds hierom.

8. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene weg leidt tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat op zijn perceel dat de raad deze niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Waardevermindering en ontneming eigendom

9. [appellant sub 2] betoogt dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de waardevermindering van zijn perceel. Volgens [appellant sub 2] rechtvaardigt de raad de vaststelling van het plan ten onrechte alleen door te wijzen op de mogelijkheid van een planschadevordering. Verder stelt [appellant sub 2] zich te verzetten tegen de verwerving van een deel van de tuin door de gemeente.

9.1. De raad stelt dat de vaststelling van een bestemmingsplan en de verwerving van gronden, al dan niet met toepassing van de onteigeningswet, van elkaar onderscheiden moeten worden en eigen procedures kennen.

9.2. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Zoals onder 8 is overwogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2]. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad dit standpunt niet gemotiveerd door de enkele verwijzing naar de mogelijkheid van een planschadevordering.

Verder heeft de raad in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat bij de aan [appellant sub 2] te betalen schadeloosstelling, waarover wordt onderhandeld, rekening wordt gehouden met onder meer de kosten van herinrichting van de tuin en de landschappelijke inpassing van de weg op het perceel van [appellant sub 2]. Voor zover [appellant sub 2] dat verzoekt, kan in de onderhavige procedure geen oordeel worden gegeven over de hoogte van die schadeloosstelling.

Het betoog faalt.

Alternatief

10. [appellant sub 1] voert aan dat de randweg onnodig beslag legt op zijn gronden. Een beschikbaar alternatief, waarbij [appellant sub 1] een recht perceel overhoudt, is ten onrechte niet overgenomen. De raad heeft volgens [appellant sub 1] aan de door hem gewenste wijziging van het plan ten onrechte de voorwaarde verbonden dat via minnelijke weg overeenstemming wordt bereikt over verwerving van een deel van de gronden van [appellant sub 1], nu uit deze reactie van de raad blijkt dat hij de wijziging planologisch aanvaardbaar acht.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een zodanige aanpassing van het wegtracé dat bedoelde gronden van [appellant sub 1] niet meer noodzakelijk zijn voor de realisatie van de weg, niet tot de mogelijkheden behoort. Volgens de raad is een grondverwerving bespreekbaar die leidt tot een economischer indeling van het resterende perceel.

10.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Ter zitting is gebleken dat de door [appellant sub 1] bedoelde gronden die hij wenst te behouden en die voor agrarische doeleinden worden gebruikt, een oppervlakte hebben van ongeveer 6 m² en nabij de bestaande weg Gozelinusbocht liggen. Aan deze gronden is de bestemming "Verkeer" toegekend. Gelet op de ligging van deze gronden ten opzichte van de Gozelinusbocht, waarop het tracé van de nieuwe weg moet worden aangesloten, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant sub 1] gewenste aanpassing van het tracé niet mogelijk is, omdat de bedoelde gronden noodzakelijk zijn voor de aanleg van de nieuwe weg. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van een goede verkeerssituatie dat met de randweg is gediend en het belang van een goede aansluiting van de nieuwe weg op de bestaande weg, dan aan het belang van [appellant sub 1] bij een recht perceel. Het betoog faalt.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, griffier.

w.g. Slump w.g. Oudenaarden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

568-780.