Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201503829/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1917, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2013 voor [appellante] toegekend van € 26.710,-.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503829/1/A2.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2015 in zaak nr. 14/5290 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2013 voor [appellante] toegekend van € 26.710,-.

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2013 op nihil gesteld.

Bij besluit van 7 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 23 april 2013 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2015, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. R. Lageweg, advocaat te Oud Beijerland, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Volgens een uitdraai van het webportaal van de Belastingdienst/Toeslagen is op 26 maart 2013 met het burgerservicenummer en DigiD van [appellante] een aanvraag om kinderopvangtoeslag gedaan, waarbij is verzocht om betalingen te doen op een bankrekeningnummer van [persoon]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij brief, gedateerd op 18 april 2013, aan [appellante] medegedeeld dat de dienst een aanvraag van [appellante] om kinderopvangtoeslag voor 2013 heeft ontvangen, dat de dienst de aanvraag gaat controleren en dat [appellante] daartoe gegevens moet overleggen. Vanaf omstreeks 17 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten ten bedrage van € 9.602,- uitbetaald op voormeld rekeningnummer van [persoon]. Volgens een uitdraai van het webportaal van de Belastingdienst/Toeslagen is de toeslag per telefoon stopgezet. Bij besluit van 17 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bedrag van € 9.602,- van [appellante] teruggevorderd en bij besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag op haar naam op nihil gesteld.

Op 22 juli 2013 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 april 2013 en aangifte gedaan van identiteitsfraude, onder opgave dat een derde haar DigiD heeft gebruikt om op haar naam kinderopvangtoeslag aan te vragen.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij niet binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 april 2013, in dat besluit voorlichting over het in te stellen bezwaar was opgenomen en zich geen omstandigheden hebben voorgedaan, die maken dat de termijnoverschrijding niet aan [appellante] kan worden toegerekend. Ook voor zover [appellante] heeft beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van 21 mei 2013 is het bezwaar buiten de termijn gemaakt.

3. [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij bezwaar heeft gemaakt na het verstrijken van de termijn.

3.1. Dit betoog faalt. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op of voor 23 april 2013, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift gelet op artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is aangevangen op 24 april 2013 en geëindigd op 4 juni 2013. De omstandigheden die [appellante] in het kader van dit betoog aanvoert, doen daaraan niet af. De Afdeling zal deze omstandigheden bespreken in het kader van de vraag, of de overschrijding van deze termijn verschoonbaar is.

4. [appellante] betoogt in de tweede plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Zij verkeerde in de gerechtvaardigde veronderstelling dat zij geen bezwaar behoefde te maken tegen het besluit van 23 april 2013. In de brief van 18 april 2013, waarin was vermeld dat de Belastingdienst/Toeslagen haar aanvraag voor kinderopvangtoeslag had ontvangen, is verwezen naar de voorschotbeschikking en is vermeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag gaat controleren. Voorts heeft zij daags na de brief van 18 april 2013 telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst/Toeslagen en zijn de voorschotten stopgezet. Eerst toen uit het besluit van 17 mei 2013 bleek dat de voorschotten van haar werden teruggevorderd heeft zij wederom telefonisch contact gezocht met de Belastingdienst/Toeslagen. Voor haar bestond pas aanleiding bezwaar te maken tegen het besluit van 23 april 2013 op het moment dat de dienst volhardde in de terugvordering van € 9.602,- aan reeds betaalde voorschotten. Uit het besluit van 21 mei 2013 kon zij niet opmaken dat het bedrag door de Belastingdienst/Toeslagen zou worden teruggevorderd, zodat zij geen reden had om tegen dat besluit bezwaar te maken, aldus [appellante].

4.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daargelaten of [appellante] bij ontvangst van de brief van 18 april 2013 en het besluit van 23 april 2013 niet redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de Belastingdienst/Toeslagen haar daadwerkelijk voorschotten kinderopvangtoeslag had toegekend en deze ook had uitbetaald, had zij dit in ieder geval na ontvangst van de besluiten van 17 en 21 mei 2013, waarbij de voorschotten werden teruggevorderd en op nihil gesteld, redelijkerwijs moeten begrijpen. Voorwaarde voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is dat het bezwaar zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, dat wil zeggen in beginsel binnen twee weken nadat [appellante] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de Belastingdienst/Toeslagen haar de kinderopvangtoeslag heeft toegekend, dient te worden ingesteld. De termijn van twee weken na het besluit van 21 mei 2013, eindigde op 4 juni 2013, de dag waarop ook de bezwaartermijn eindigde. Dat [appellante], naar zij stelt, naar aanleiding van het besluit van 17 mei 2013 direct contact heeft gezocht met de Belastingdienst/Toeslagen, en eerst aanleiding zag bezwaar te maken toen deze volhardde in het standpunt dat zij moest terugbetalen, komt voor haar risico.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat haar advocaat en een medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen hebben afgesproken dat het bezwaar, ook als het niet verschoonbaar buiten de termijn zou zijn ingediend, in behandeling zou worden genomen. Daargelaten of de betrokken medewerker dat zo heeft gezegd en namens de dienst heeft gesproken, is de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel niet afhankelijk van partijen, maar dient deze te worden beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

362.