Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201504166/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het college, voor zover hier van belang, de Schotersingel ter hoogte van [locatie], locatie FH04, te Haarlem, aangewezen als locatie voor een ondergrondse afvalcontainer voor huishoudelijk restafval (hierna: ORAC).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504166/1/A4.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het college, voor zover hier van belang, de Schotersingel ter hoogte van [locatie], locatie FH04, te Haarlem, aangewezen als locatie voor een ondergrondse afvalcontainer voor huishoudelijk restafval (hierna: ORAC).

Bij besluit van 10 april 2015 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar inhoudende dat het besluit van 23 oktober 2014 onbevoegd is genomen gegrond verklaard en zijn bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2015, waar het college, vertegenwoordigd door E.S. de Jong, M. van der Riet-Franssen en P. Mollers, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Haarlem kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Bevoegdheid

2. [appellant] betoogt dat het college het besluit van 23 oktober 2014 bij het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet heeft herroepen, nu het college bij het bestreden besluit zijn bezwaar dat het hoofd van de Afdeling Beleid Openbare ruimte, Groen en Verkeer niet de bevoegdheid had om het besluit van 23 oktober 2014 namens het college te nemen gegrond heeft verklaard.

2.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid herroept, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats

daarvan een nieuw besluit.

2.2. Op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit slechts voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft. Voor zover aan het besluit van 23 oktober 2014 een gebrek kleeft, is dit bij het bestreden besluit, waarbij het college het besluit van 23 oktober 2014 voor zijn rekening heeft genomen, hersteld. Voor het herroepen van het besluit van 23 oktober 2014 bestond dan ook geen aanleiding.

Het betoog faalt.

Locatie FH04

3. Bij de keuze van een locatie voor ORAC's dient het college een afweging te maken van alle belangen die hierbij betrokken zijn. Daarbij heeft het college beleidsvrijheid. De Afdeling toetst de keuze van het college terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

4. [appellant] betoogt dat de loopafstand tussen het perceel Schotersingel 87B/C en de bij het besluit van 23 oktober 2014 aangewezen locatie FH04 in strijd met artikel 5, zevende lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 meer dan 125 m bedraagt.

4.1. Ingevolge artikel 5, zevende lid, van de Afvalstoffenverordening 2009, voor zover hier van belang, mag, waar een inzamelvoorziening of clusterplaats voor huishoudelijk restafval en/of gft-afval aanwezig is nabij een perceel, de loopafstand maximaal 125 m bedragen.

4.2. Ter zitting heeft het college aan de hand van een kaart toegelicht en aannemelijk gemaakt dat de loopafstand tussen het perceel Schotersingel 87B/C en locatie FH04 124,93 m bedraagt. Er bestaat op dit punt dan ook geen strijd met artikel 5, zevende lid, van de Afvalstoffenverordening 2009.

Het betoog faalt.

5. Bij het aanwijzen van locatie FH04 heeft het college de in de nota "Procedure Invoering ondergrondse inzameling restafval" (hierna: de nota) neergelegde randvoorwaarden gehanteerd. Deze randvoorwaarden zien op (A) loopafstand, (B) bereikbaarheid, (C) verkeersveiligheid, (D) ondergrondse obstakels, (E) parkeerplaatsen, (F) bomen en (G) inpassing in de openbare ruimte en overige ruimtelijke aspecten.

6. [appellant] betoogt dat de plaatsing van de ORAC op locatie FH04 niet acceptabel is, omdat de ORAC in strijd met randvoorwaarde G pal voor de ingang van het op grond van de Monumentenwet als beschermd stadsgezicht aangewezen park Staten Bolwerk is aangewezen. Hij stelt dat het zicht op het park wordt verstoord, welke verstoring volgens hem wordt versterkt doordat de ORAC op de rand van de stoep zal worden geplaatst. Verder stelt hij dat de ORAC recht voor zijn woning zal worden geplaatst, zodat de ORAC ten onrechte niet buiten de zichtlijnen van de woning is gesitueerd.

6.1. In de nota is over randvoorwaarde G onder meer het volgende vermeld: "De situering van de ondergrondse containers moet in beginsel passen binnen het straatbeeld. In het bijzonder indien het een historische omgeving of een architectonisch belangrijke locatie betreft. Bij het uitzoeken van locaties moet rekening gehouden worden met objecten in de openbare ruimte, die niet onder een van de andere randvoorwaarden vallen. De containers worden bijvoorbeeld zoveel mogelijk buiten eventuele zichtlijnen met woningen geplaatst, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn. Het algemeen belang gaat ook hier uiteindelijk voor op het individuele belang. Met betrekking tot de afstand tussen een container en de gevel (lees: voorzijde!) van een woning wordt in ieder geval een minimumafstand gehanteerd van drie meter. Voor andere zijden van een woning geldt dat de minimumafstand minder dan drie meter kan bedragen, bijvoorbeeld als er geen (direct) uitzicht op de container is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een blinde muur. (…)

Containers nabij parkeervakken worden, vanwege het straatbeeld, in beginsel in lijn met de parkeervakken geplaatst."

6.2. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat locatie FH04 is gelegen binnen het beschermd stadsgezicht niet zonder meer tot gevolg heeft dat deze locatie niet geschikt is voor een ORAC. Voorts moet een ORAC volgens de in de nota opgenomen randvoorwaarde G zoveel mogelijk buiten zichtlijnen van woningen worden geplaatst, maar is er in deze nota tevens op gewezen dat dit niet altijd mogelijk zal zijn. Het college heeft zich ten aanzien van locatie FH04 op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om de ORAC buiten de zichtlijnen van de woning van [appellant] te plaatsen. Het heeft het plaatsen van een ORAC binnen de zichtlijnen van een woning in dit geval toelaatbaar geacht, omdat de ORAC op ten minste 11 m afstand staat van de woning en daartussen een trottoir, parkeerplaatsen, een rijbaan en vervolgens weer een trottoir zijn gelegen. Gezien deze toelichting heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich hier geen onaanvaardbare aantasting van zichtlijnen voordoet. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college locatie FH04 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

7. [appellant] betoogt dat er alternatieven beschikbaar zijn die geschikter zijn dan locatie FH04. Hij stelt dat de T-kruising van de Schotersingel met de Berckheijdestraat een geschikte locatie is, onder meer omdat de ORAC dan niet binnen de zichtlijnen van woningen valt. Hij stelt verder dat de ORAC op die locatie in overeenstemming met randvoorwaarde G in lijn met de parkeervakken kan worden geplaatst en dat de locatie ook in overeenstemming is met de andere randvoorwaarden. Het enkele standpunt van het college dat op de betreffende alternatieve locatie de maximale loopafstand van 125 m wordt overschreden doet volgens [appellant] niet af aan de geschiktheid van deze locatie, omdat de loopafstand tussen locatie FH04 en het perceel Schotersingel 87B/C eveneens meer dan 125 m bedraagt, en deze locatie wel geschikt is bevonden door het college. Voorts stelt hij dat een overschrijding van de loopafstand van 125 m niet noodzakelijk is, indien naast de locatie op de T-kruising van de Schotersingel met de Berckheijdestraat nog een locatie wordt toegevoegd nabij de kruising van de Schotersingel met de Maerten van Heemskerckstraat.

7.1. Op grond van artikel 5, zevende lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 mag de loopafstand tussen een ORAC en een perceel maximaal 125 m bedragen. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de locatie ter hoogte van de T-kruising van de Schotersingel met de Berckheijdestraat vanwege de overschrijding van de maximale loopafstand van 125 m niet geschikt is. Het door [appellant] ingenomen standpunt dat ter plaatse van locatie FH04 evenmin wordt voldaan aan de maximale loopafstand van 125 m, hetgeen volgens hem met zich brengt dat een overschrijding van de loopafstand op de door hem voorgestelde alternatieve locatie niet kan leiden tot ongeschiktheid van die locatie, kan niet slagen, nu de maximale loopafstand bij locatie FH04 niet wordt overschreden. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plaatsen van één ORAC in dit geval de voorkeur geniet boven het plaatsen van twee ORAC’s. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze door [appellant] voorgestelde alternatieve locaties niet geschikt zijn.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt verder dat de locatie ter hoogte van Schotersingel 8 een geschikte locatie voor een ORAC is. Hij stelt dat een groot voordeel van deze locatie is dat de ORAC niet pal voor de ingang van het park Staten Bolwerk zal staan. Bovendien kan de ORAC op deze locatie, overeenkomstig randvoorwaarde G, in een nabijgelegen parkeervak worden geplaatst. [appellant] betoogt verder dat het college zijn stelling dat op de betreffende locatie kabels, leidingen en boomwortels liggen, en bomen staan, niet heeft onderbouwd. Hij wijst daarnaast op randvoorwaarde D, naar aanleiding waarvan volgens hem moet worden geconcludeerd dat de verlegging van leidingen of kabels mogelijk moet worden geacht. Hij stelt dat boomwortels voorts op grond van de randvoorwaarden geen obstakel vormen. Het bestreden besluit is volgens hem in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

8.1. In de nota is over randvoorwaarde D onder meer het volgende vermeld: "Bij het bepalen van locaties wordt de ondergrond onderzocht op de aanwezigheid van obstakels. Belangrijkste voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van kabels en leidingen. Het omleggen van de waterleiding of hoofdriolering - zo al technisch mogelijk en wenselijk - is over het algemeen een zeer kostbare aangelegenheid. Tot de omlegging van dergelijke leidingen wordt alleen overgegaan indien dit tegen relatief geringe kosten mogelijk is. De kosten voor het omleggen van gas, telecom- en elektriciteitskabels zijn over het algemeen geringer tot nihil (o.a. de Verlegregeling Haarlem). Idem voor het verplaatsen van straatkolken en omleggen van huisaansluitingen van de riolering. De mogelijkheid tot het omleggen van dergelijke kabels en leidingen wordt dan ook standaard meegenomen bij de locatiekeuze."

8.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op de door [appellant] voorgestelde alternatieve locatie ter hoogte van Schotersingel 8 evenmin wordt voldaan aan de maximale loopafstand van 125 m. Het heeft verder ter zitting aan de hand van kaarten toegelicht dat in de richting van Schotersingel 8 bomen aanwezig zijn dan wel dat er kabels en leidingen in de grond liggen. De aanwezigheid van bomen maakt het plaatsen van een ORAC onmogelijk, aldus het college. Het stelt verder dat een locatie zonder kabels en leidingen de voorkeur verdient boven een locatie met kabels en leidingen.

De Afdeling ziet gelet op hetgeen ter zitting is toegelicht geen aanleiding te twijfelen aan het door het college gestelde dat in de richting van Schotersingel 8 bomen staan en dat er kabels en leidingen in de grond liggen. Volgens randvoorwaarde F mogen bomen slechts bij wijze van zeer hoge uitzondering wijken voor een ORAC. Gelet hierop, de aanwezigheid van kabels en leidingen ter hoogte van Schotersingel 8 en de omstandigheid dat de maximale loopafstand van 125 m wordt overschreden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze door [appellant] voorgestelde alternatieve locatie minder geschikt is dan de door het college aangewezen locatie FH04.

Het betoog faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

457-684.