Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201503974/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college zijn beslissing om op 22 december 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene plaatselijke verordening (Apv) 2014 van de gemeente Apeldoorn op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 60,00, voor rekening van [appellant A] en [appellant B] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/16 met annotatie van H.S. de Vries

Uitspraak

201503974/1/A4.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Apeldoorn,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college zijn beslissing om op 22 december 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene plaatselijke verordening (Apv) 2014 van de gemeente Apeldoorn op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 60,00, voor rekening van [appellant A] en [appellant B] komen.

Bij besluit van 13 april 2015 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2015, waar [appellant A] en [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door M.W.A. Gerritsen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:23, tweede lid, van de Apv 2014 kan het college bepalen door middel van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met gebruikmaking van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen plaatsvindt.

Ingevolge artikel 4:29, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4:23, tweede lid, een inzamelmiddel of een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met gebruikmaking van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 22 december 2014 naast dan wel in de directe omgeving van de ondergrondse afvalcontainer (hierna: ORAC), met zuilnummer AP0430-4, op de Lange Grafte ter hoogte van [locatie], is aangetroffen. Omdat in de huisvuilzak poststukken met de adresgegevens van [appellant A] en [appellant B] zijn aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat de huisvuilzak van hen afkomstig is, dat zij deze in strijd met artikel 4:29, eerste lid, van de Apv 2014 ter inzameling hebben aangeboden en dat de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op hen als overtreder kunnen worden verhaald. [appellant A] en [appellant B] hebben in beroep niet bestreden dat de huisvuilzak van hen afkomstig is.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college de kosten van spoedeisende bestuursdwang ten onrechte op hen heeft verhaald. Zij stellen dat de betreffende ORAC een storing had, waardoor zij de huisvuilzak niet op de gebruikelijke wijze konden aanbieden. Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat [appellant B] vanwege de storing bij de betreffende ORAC naar de volgende, dichtstbijzijnde ORAC is gelopen, maar dat zij deze ORAC met haar pasje niet open kon krijgen. [appellant A] en [appellant B] stellen dat [appellant B] zich er niet bewust van was dat deze andere ORAC niet de ORAC is waarnaar zij ingeval van storing moeten uitwijken. Omdat de huisvuilzak bij twee ORAC’s niet kon worden aangeboden en de huisvuilzak evenmin in huis kon blijven, heeft [appellant B] de huisvuilzak te goeder trouw naast de ORAC gezet, aldus [appellant A] en [appellant B]. Zij wijzen er voorts op dat uit de door de toezichthouder gemaakte foto’s blijkt dat nog andere huisvuilzakken naast de ORAC waren geplaatst, terwijl dit bij normaal functioneren van de container niet zou gebeuren.

3.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

3.2. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het gemeentelijk lik-op-stukbeleid is gericht op het schoonhouden van de gemeente. Een schone leefomgeving komt volgens het college ten goede aan de volksgezondheid. Bovendien is het volgens het college algemeen bekend dat het onjuist aanbieden van huishoudelijk afval een vuil aantrekkende werking heeft, ongedierte aantrekt en in algemene zin vervuiling van de openbare weg tot gevolg heeft.

3.3. Daargelaten of zich bij de ORAC met zuilnummer AP0430-4 een storing voordeed op het moment dat [appellant B] de huisvuilzak ter inzameling wilde aanbieden, is het aanbieden van een huisvuilzak naast een ORAC niet toegestaan. De omstandigheid dat [appellant B] te goeder trouw heeft gehandeld, doet hier niet aan af. Het had op de weg van [appellant B] gelegen om de huisvuilzak aan te bieden bij de ORAC waarnaartoe kan worden uitgeweken dan wel een storingsmelding te doen en af te wachten tot de storing was verholpen. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat de kosten voor de toepassing van bestuursdwang redelijkerwijze niet op [appellant A] en [appellant B] konden worden verhaald.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

457-684.