Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201410471/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Lexmond afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1073

Uitspraak

201410471/1/A1.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Lexmond, gemeente Zederik,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2014 in zaak nr. 14/1653 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zederik.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Lexmond (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanpassing van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 19 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2015, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Steenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Anders dan [appellante] ter zitting heeft gesteld, ziet haar verzoek aan het college om handhavend op te treden, dat aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 augustus 2013 ten grondslag ligt, niet op het dempen van de watergang, maar alleen op de erfafscheiding op het perceel. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het geschil niet ziet op het dempen van de watergang. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het geschil niet ziet op de verbouwing van de schuur op het perceel, de huisnummertoevoeging, de watervergunning van Waterschap Rivierenland, de procedure omtrent het bestemmingsplan "Buitengebied" en allerlei privaatrechtelijke kwesties.

2. De erfafscheiding bestaat uit 21 hekken met een totale lengte van 50 m op het perceel. Het perceel is in eigendom van [belanghebbende].

[appellante] woont op het perceel [locatie 2], dat grenst aan het perceel. Zij heeft verzocht om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding, omdat deze haar uitzicht en woongenot aantast en het gebruik van haar uitrit belemmert. Het college heeft geweigerd handhavend op te treden omdat de erfafscheiding vergunningvrij is gebouwd en het geconstateerde welstandsexces kan worden weggenomen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de erfafscheiding, nu de daarvoor vereiste omgevingsvergunning ontbreekt.

3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a niet hoger dan 1 m, of

b niet hoger dan 2 m, en

1º. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2º. achter de voorgevelrooilijn, en

3º. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1 wordt onder voorgevelrooilijn verstaan: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

In artikel 1 onder 13 van de planvoorschriften van het ten tijde van de bouw van de erfafscheiding in 2013 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) is de voorgevellijn gedefinieerd als de als zodanig (al dan niet) op de kaart ingetekende lijn waarmee de uiterste bouwgrens van het - ten tijde van de ter-inzage-legging van het ontwerp van dit plan - bestaande hoofdgebouw is aangegeven.

3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de erfafscheiding voldoet aan de vereisten in artikel 2, aanhef en twaalfde lid, onder b, van het Bor. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat uit het rapport van de toezichthouder van de gemeente Zederik van 15 mei 2013 naar aanleiding van het verzoek om handhavend optreden van [appellante] volgt dat de erfafscheiding niet hoger is dan 2 meter. In dit rapport wordt vermeld dat de erfafscheiding bestaat uit 17 hekken met een hoogte van 2 m en 4 hekken met een hoogte van 1,8 m. De rechtbank heeft in dit verband voorts terecht overwogen dat de erfafscheiding zich bevindt op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee zij in functionele relatie staat en dat de erfafscheiding is gesitueerd op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied. De rechtbank heeft evenzeer terecht geoordeeld dat de erfafscheiding voldoet aan het vereiste onder 2º van voormelde bepaling, nu de erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan is gebouwd.

Uit het voorgaande volgt dat voor de bouw van de erfafscheiding geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo vereist.

Dat de erfafscheiding zich deels bevindt vóór de voorgevelrooilijn, zoals deze is gedefinieerd in het ten tijde van het besluit op bezwaar van 11 februari 2014 geldende nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Zederik", maakt niet dat daarvoor alsnog een omgevingsvergunning is vereist. Voor het antwoord op de vraag of voor de bouw van een bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist, is het recht zoals dat geldt op het moment waarop het bouwwerk wordt gebouwd bepalend.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de erfafscheiding, nu het uiterlijk daarvan in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert zij aan dat voor de erfafscheiding, die is voorzien van haaientanden en een calamiteitendoek, volgens het welstandsadvies van de welstandscommissie Stichting "Dorp, Stad & Land" van 19 januari 2013 (hierna: het welstandsadvies) een welstandsexces is, als bedoeld in de in hoofdstuk 9 van de Welstandsnota Zederik 2009 opgenomen excessenregeling.

4.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet mag het uiterlijk van een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo geen omgevingsvergunning is vereist, niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

4.2. In het welstandsadvies wordt vermeld dat de erfafscheiding door de gekozen uitvoering en uitwerking (verzinkt stalen spijlenhekwerk met daar doorheen gevlochten kunststof doek, trapsgewijs de terreinhoogte volgend geplaatst) een opzichtig en storend element vormt in de omgeving. Volgens de conclusie in het welstandsadvies is de erfafscheiding in ernstige mate strijdig is met de gebiedsgerichte welstandscriteria en maakt deze daarmee inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. Geadviseerd wordt een groene haag, een open gaaswerk als drager voor groene beplanting, bijvoorbeeld klimop, of het volledig inplanten met een bladhoudende haag, bijvoorbeeld een beukenhaag, om het welstandsexces weg te nemen.

4.3. Het college heeft zich in het besluit van 11 februari 2014 terecht op het standpunt gesteld dat de erfafscheiding ten tijde van het besluit van 22 augustus 2013 een welstandsexces vormde, zodat het bevoegd was daartegen handhavend op te treden. Nu [belanghebbende] overeenkomstig het welstandsadvies klimop tegen de erfafscheiding heeft geplant en niet aannemelijk is dat hij deze beplanting zal verwijderen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college terecht ervan heeft afgezien om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft verklaard dat controle heeft uitgewezen dat de erfafscheiding voor een belangrijk deel is begroeid.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellante] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

414-757.