Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3435

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201500901/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:6454, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college [wederpartijen] onder oplegging van bestuursdwang gelast de stacaravan en de woonunit op het perceel achter het perceel [locatie 1] te Kolderwolde te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500901/1/A1.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2014 in zaak nr. 14/2018 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend te Kolderwolde, gemeente De Friese Meren

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college [wederpartijen] onder oplegging van bestuursdwang gelast de stacaravan en de woonunit op het perceel achter het perceel [locatie 1] te Kolderwolde (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 mei 2014 vernietigd en het besluit van 1 oktober 2013 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2015, waar het college, vertegenwoordigd door P.J.H. Karseboom, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartijen], vertegenwoordigd door mr. J.J. Jaspers, advocaat te Gilze-Rijen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 3 november 2000 is aan [wederpartijen] bouwvergunning verleend voor het herbouwen van de woning op het perceel [locatie 1] te Kolderwolde. In 2001 is de aannemer gestart met de bouwwerkzaamheden. [wederpartijen] zijn tijdelijk gaan wonen in een stacaravan en woonunit op gronden achter het hun woonperceel en deels achter het perceel [locatie 2]. Op deze gronden rust de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap". Voor de stacaravan en woonunit is bij besluiten van 19 november 2002 respectievelijk 4 augustus 2004 tijdelijk vrijstelling verleend tot 31 december 2003 respectievelijk 31 december 2006.

Tijdens een controle door medewerkers van de afdeling Ontwikkeling van de voormalige gemeente Gaasterlân-Sleat is vastgesteld dat een gedeelte van de fundering van de woning niet overeenkomstig de bouwvergunning is uitgevoerd. Uit een onderzoeksrapport van TNO Bouw & Ondergrond van 16 januari 2006 is gebleken dat het betreffende gedeelte van de fundering ook niet voldoet aan de minimale bouwtechnische eisen.

Vanaf 2004 heeft de voormalige gemeente Gaasterlân-Sleat met [wederpartijen] overlegd met als doel er voor te zorgen dat herstelwerkzaamheden plaatsvinden aan de woning zodat deze weer bewoonbaar is. Dit overleg heeft geleid tot een overeenkomst van 7 november 2012, door [wederpartijen] ondertekend op 22 november 2012, waaruit volgt dat de gemeente bouwbedrijf Heeringa opdracht geeft om op kosten van de gemeente de herstelwerkzaamheden aan de woning uit te voeren die zijn omschreven in bijlage 1 bij de overeenkomst.

2. Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college [wederpartijen] onder oplegging van bestuursdwang gelast vóór 12 december 2013 de stacaravan en woonunit van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. In reactie op de zienswijze, die door [wederpartijen] naar aanleiding van de vooraankondiging is ingediend, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat op 12 maart 2013 de werkzaamheden zoals afgesproken in de overeenkomst zijn opgeleverd, omdat nagenoeg alle werkzaamheden door bouwbedrijf Heeringa zijn uitgevoerd en steeds de bereidheid is gevonden om de resterende werkzaamheden alsnog uit te voeren. Er bestaat volgens het college geen aanleiding om de stacaravan en woonunit nog langer op het perceel te laten staan, omdat de woning voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Volgens het college bestaan er geen bijzondere omstandigheden die maken dat nog langer van handhavend optreden moet worden afgezien.

Bij besluit van 16 mei 2014 tot handhaving van het primaire besluit heeft het college zich, onder verwijzing naar het advies van de algemene kamer van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat van de bijzondere omstandigheid op grond waarvan eerder van handhavend optreden is afgezien, te weten het binnen afzienbare tijd afbouwen van de woning, niet langer sprake is en dat het bestaan van de overeenkomsten van 7 november 2012 en 10 december 2012 niet tot een ander standpunt leidt.

3. Vaststaat dat het college bevoegd is handhavend op te treden nu de stacaravan en woonunit in strijd met de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het perceel aanwezig zijn.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de conclusie dat er geen bijzondere omstandigheden meer zijn om van handhavend optreden tegen de aanwezigheid van de stacaravan en woonunit achter het perceel af te zien, niet op een toereikende grondslag berust. Volgens het college betreft het geen onevenredige situatie en gaat het algemeen belang van handhavend optreden tegen een illegale situatie, gelet op de lange voorgeschiedenis, voor het belang van [wederpartijen] bij een nog langere aanwezigheid van de stacaravan en woonunit achter het perceel. De rechtbank heeft bij haar oordeel ten onrechte betrokken of de woning op het perceel bewoonbaar is, aldus het college. Volgens het college is het onwenselijk dat [wederpartijen] in de stacaravan en woonunit wonen, mede gezien het feit dat deze bouwwerken niet zijn aangesloten op de riolering. Voorts wordt de gemeente benaderd door derden met vragen over de lengte van de periode waarin het college de illegale stacaravan en woonunit nog langer achter het perceel toestaat, aldus het college.

5.1. Niet in geschil is dat de stacaravan en de woonunit zijn geplaatst om in een tijdelijke behoefte te voorzien en dat geen concreet zicht op legalisering van de stacaravan en de woonunit bestaat. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan verder worden afgeleid dat het college in het verleden in de omstandigheid dat de woning binnen afzienbare tijd zou worden afgebouwd aanleiding heeft gezien om een bijzondere omstandigheid aanwezig te achten op grond waarvan het college het gerechtvaardigd heeft geacht om niet op te treden tegen de illegale situatie achter het perceel. In november 2012 was een overeenkomst tussen de gemeente en [wederpartijen] tot stand gekomen, waarbij afspraken zijn gemaakt omtrent het afbouwen van de woning door het bouwbedrijf Heeringa, dat in opdracht van de gemeente deze werkzaamheden zou verrichten en waartoe [wederpartijen] toegang tot hun perceel zouden verlenen. Bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 1 oktober 2013 tot toepassing van bestuursdwang heeft het college, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, het standpunt ingenomen dat van de bijzondere omstandigheid dat de woning binnen afzienbare tijd wordt afgebouwd niet langer sprake is, nu afronding van die werkzaamheden nog altijd niet heeft kunnen plaatsvinden en geen zicht meer bestaat op beëindiging van de illegale situatie.

[wederpartijen] hebben gesteld dat er een civiel geschil over de oplevering is gerezen, dat bouwbedrijf Heeringa de werkzaamheden van hen niet meer mag uitvoeren dan wel afmaken en dat zij deze werkzaamheden in eigen beheer zullen afronden. Door [wederpartijen] is echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de woning binnen afzienbare tijd zal worden afgebouwd. Gelet hierop en gegeven het algemeen belang bij naleving van wettelijke voorschriften en de belangen van omwonenden die zijn gediend met beëindiging van de illegale situatie, was het college naar het oordeel van de Afdeling en anders dan de rechtbank niet gehouden wegens bijzondere omstandigheden van handhavend optreden af te zien.

Voor zover [wederpartijen] wijzen op de met de gemeente in november 2012 gesloten overeenkomst, over de uitvoering waarvan een civiele procedure loopt, overweegt de Afdeling dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het daaraan in de onderhavige procedure niet die betekenis behoefde toe te kennen die [wederpartijen] daaraan verbonden willen zien. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de overeenkomst het uitdrukkelijke voorbehoud staat dat wanneer [wederpartijen] zich niet houden aan de bepalingen of wanneer zij het proces tijdens de bouw tegenwerken het college zal overgaan tot handhavend optreden.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de overige bij de rechtbank tegen het besluit van 16 mei 2014 aangevoerde beroepsgronden van [wederpartijen] beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

7. [wederpartijen] betogen dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat dat de consequentie heeft dat hun gezin met kinderen op straat komt te staan, hetgeen een onredelijke situatie met zich brengt. De woning kan immers niet worden betrokken, nu deze niet bewoonbaar is gemaakt, aldus [wederpartijen]. Daarbij komt volgens hen dat in de directe omgeving geen alternatieve woningen beschikbaar zijn.

7.1. Het college heeft aan [wederpartijen] een huurwoning aangeboden, hetgeen door hen niet wordt ontkend. [wederpartijen] hebben deze woning niet geaccepteerd, onder meer omdat deze woning op 10 km van hun huidige verblijfplaats is gelegen en omdat zij bij de in aanbouw zijnde woning in de buurt wilden blijven wonen. Gelet op het door het college aan [wederpartijen] gedane aanbod bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van hun belangen en die van hun kinderen. Het komt voor risico en rekening van [wederpartijen] dat zij deze huurwoning niet hebben geaccepteerd. Dat de woning op 10 km afstand is gelegen en dat zij in de buurt van hun woning willen blijven, kan daar niet aan afdoen. Daarbij betrekt de Afdeling dat Kolderwolde een kleine gemeenschap is met weinig woningen, zodat niet van het college verlangd kan worden dat het een woning aanbiedt in de directe omgeving.

Het betoog faalt.

8. Het beroep tegen het besluit van 16 mei 2014 is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2014 in zaak nr. 14/2018;

III. verklaart het door [wederpartij A] en [wederpartij B] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

270-776.