Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201410611/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9266, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 3 december 2013, heeft het college een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) vastgesteld voor de inrichting (metaalhandel) van [appellant] aan de [locatie] te Hardinxveld-Giessendam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410611/1/A4.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hardinxveld-Giessendam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2014 in zaak nr. 14/549 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam.

Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 3 december 2013, heeft het college een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) vastgesteld voor de inrichting (metaalhandel) van [appellant] aan de [locatie] te Hardinxveld-Giessendam.

Bij uitspraak van 17 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door J. van den Berg MSc, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.G. van Tilburg, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in een inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, op de gevel van gevoelige gebouwen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur niet meer bedragen dan achtereenvolgens 50 dB(A) en 70 dB(A).

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, vaststellen.

2. Het college wil aan de Buitendams 326 te Hardinxveld-Giessendam het realiseren van een woon-zorgcomplex mogelijk maken. Bij het in beroep bestreden besluit heeft het daartoe, gelet op de geringe afstand tot de inrichting van [appellant] (hierna: de inrichting), een maatwerkvoorschrift vastgesteld, inhoudende dat het maximale geluidniveau LAmax bij het woon-zorgcomplex in de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur ten hoogste 75 dB(A) mag bedragen op 1,5 m hoogte. Het college heeft geen aanleiding gezien om een maatwerkvoorschrift te stellen dat ziet op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, omdat dit volgens het college, mede gelet op het te realiseren geluidsscherm, 47 dB(A) op de gevel op de begane grond zal bedragen en daarmee in overeenstemming is met artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het akoestisch onderzoek dat het college aan het besluit tot het vaststellen van het maatwerkvoorschrift ten grondslag heeft gelegd, onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvolledig is. [appellant] betoogt dat de in dit onderzoek gehanteerde bronvermogens van een heftruck van 101 dB(A) en van het vallen van staal op staal van 120 dB(A) in de praktijk hoger kunnen zijn, en voert aan dat uit het onderzoek niet blijkt welke geluidbronnen op welke locaties op het terrein van de inrichting (hierna: het terrein) zijn betrokken.

3.1. Het college heeft aan zijn besluit het rapport "Akoestisch onderzoek inrichtingslawaai Metaalhandel [appellant]" van Kuiper Compagnons van 28 maart 2013 (hierna: het akoestisch onderzoek) ten grondslag gelegd.

In het akoestisch onderzoek is voor de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) van een dieselheftruck uitgegaan van een equivalent geluidsbronvermogen LAwr van 101 dB(A), en wat het maximaal geluidsniveau LAmax betreft van een geluidsbronvermogen van 108 dB(A). In bijlage 1 bij het akoestisch onderzoek is vermeld dat de aanname voor het totale bronvermogen van een dieselheftruck is gebaseerd op artikel 4 van de Regeling geluidsemissie buitenmaterieel. Het college heeft voorts toegelicht dat bij het bepalen van het equivalente geluidsbronvermogen LAwr van 101 dB(A) voor de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) betekenis toekomt aan de omstandigheid dat het langer dan noodzakelijk op een zekere positie stilstaan van de dieselheftruck niet in overeenstemming is met de door [appellant] toe te passen beste beschikbare technieken.

In het akoestisch onderzoek is voor de berekening van de geluidemissie van het sorteren van metalen (het vallen van metaal op metaal) wat het maximaal geluidsniveau LAmax betreft uitgegaan van een geluidsbronvermogen van 120 dB(A). In bijlage 1 bij het akoestisch onderzoek is vermeld dat het maximaal geluidsniveau LAmax van deze bron is gebaseerd op een ervaringscijfer. Het college heeft voorts toegelicht dat bij het bepalen van dit bronvermogen in acht is genomen dat volgens de beste beschikbare technieken bij het sorteren van metaal de valhoogte zo veel mogelijk moet worden beperkt.

In bijlage 2 van het akoestisch rapport is weergegeven van welke puntbronnen is uitgegaan.

3.2. Gelet op de toelichting op de gehanteerde uitgangspunten in het akoestisch rapport en de toelichting die het college daarop heeft gegeven, biedt het betoog van [appellant] geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch rapport van onjuiste bronvermogens is uitgegaan en het akoestisch onderzoek om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] de uitgangspunten uit het akoestisch onderzoek niet met concrete gegevens heeft bestreden. Voorts blijkt uit het akoestisch rapport en de daarbij behorende stukken genoegzaam van welke geluidbronnen en welke puntbronnen in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het akoestisch onderzoek aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] voert verder aan dat de activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein ten onrechte niet in het akoestisch onderzoek zijn betrokken.

4.1. Het betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De Afdeling stelt vast dat tussen partijen de juistheid van dit betoog niet in geschil is en dat ook de rechtbank daarvan is uitgegaan. Het college heeft om deze reden aan het op 3 december 2013 verzonden besluit een aanvullende indicatieve berekening ten grondslag gelegd. De geluidbelasting als gevolg van de activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein van de inrichting zijn bij dat besluit dan ook in aanmerking genomen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het nemen van het op 3 december 2013 verzonden besluit, wat betreft de geluidbelasting als gevolg van activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein, ten onrechte heeft volstaan met een indicatieve berekening. De indicatieve berekening is volgens [appellant] niet controleerbaar. Voorts voert hij aan dat, doordat in de indicatieve berekening slechts is uitgegaan van de geluidsproductie van een vrachtwagen, overige activiteiten ten onrechte buiten beschouwing zijn gebleven. Daartoe wijst hij erop dat ter plaatse overslag van metaal plaatsvindt, er een heftruck wordt gebruikt en vier parkeerplaatsen aanwezig zijn waar wordt gemanoeuvreerd met voertuigen.

5.1. Het college is wat betreft het maximale geluidsniveau als gevolg van de activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein uitgegaan van het ontluchten van de remmen van een vrachtwagen met een bronvermogen van 108 dB(A), omdat die activiteit volgens hem de hoogste geluidbelasting veroorzaakt. Volgens het college leidt de afstand tot de gevel van het voorziene woon-zorgcomplex van 20 m ertoe dat het maximale geluidsniveau op die gevel 73 dB(A) bedraagt, waarbij het op te richten geluidsscherm, dat voor een reductie van ongeveer 10 dB(A) zal zorgen, nog buiten beschouwing is gelaten. Een relevante verhoging van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is volgens het college niet te verwachten van het ter plaatse parkeren van vrachtwagens en kortstondig rijden van een heftruck.

5.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de berekening van het maximale geluidsniveau op de gevel voldoende inzichtelijk gemaakt, onder meer door erop te wijzen dat deze is uitgevoerd met toepassing van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. De rechtbank heeft in zoverre terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat die berekening niet controleerbaar is.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het ontluchten van de remmen van vrachtwagens niet als het hoogste bronvermogen van de activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein mocht aanmerken. Het college heeft voor de beoordeling van het geluidsniveau aansluiting gezocht bij de activiteiten waarmee het college bekend was op grond van de aan [appellant] op 26 januari 2007 verleende milieuvergunning en de gedane meldingen die de inrichting betreffen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college dat niet mocht doen. Nu het overslaan van metaal van die activiteiten geen deel uitmaakt en ook overigens niet aannemelijk is gemaakt dat er activiteiten plaatsvinden met een hoger bronvermogen, mocht het college aan de hand van het ontluchten van de remmen van vrachtwagens het maximale geluidsniveau op de gevel van het voorziene woon-zorgcomplex berekenen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college daarbij niet op grond van eerder uitgevoerde metingen mocht uitgaan van een bronvermogen van 108 dB(A), zoals ook in het akoestisch onderzoek is gedaan.

[appellant] heeft verder het standpunt van het college dat een relevante verhoging van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau door de activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein niet is te verwachten, niet met concrete gegevens betwist. De aard van die activiteiten, bestaande uit het parkeren van vrachtwagens en het kortstondig rijden van een heftruck, biedt geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van het college.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de indicatieve berekening niet ten grondslag mocht leggen aan zijn standpunt dat de activiteiten op het noordwestelijke deel van het terrein bij realisering van het woon-zorgcomplex niet tot een hogere maximale geluidbelasting zullen leiden dan op grond van het maatwerkvoorschrift wordt toegestaan, en niet tot een hoger langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dan op grond van het Activiteitenbesluit is toegestaan. Dat het college niet vooraf overleg heeft gevoerd met [appellant] en ter plaatse geen geluidmetingen heeft verricht, terwijl [appellant] stelt daaraan wel medewerking te hebben willen verlenen, maakt dat niet anders.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het vaststellen van het maatwerkvoorschrift ten onrechte niet heeft betrokken dat [appellant] bij de realisering van het voorziene woon-zorgcomplex wordt beperkt in de mogelijkheden zijn bedrijfsactiviteiten in de toekomst te wijzigen of uit te breiden. [appellant] wijst daarbij tevens op de tussenuitspraak van 25 februari 2015 in zaak nr. 201407319/1/R6, die betrekking heeft op de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitendams 326", dat het woon-zorgcomplex planologisch mogelijk maakte. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan gebrekkig was, omdat met betrekking tot geluidbelasting niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor het perceel van [appellant].

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 8 december 2010 in zaak nr. 201000857/1/M2), heeft het college beleidsvrijheid bij de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.

6.2. De omstandigheid dat de Afdeling heeft overwogen dat de raad van Hardinxveld-Giessendam bij het vaststellen van het bestemmingsplan "Buitendams 326", wat de beoordeling van geluidhinder betreft, ten onrechte niet de maximale planologische mogelijkheden van het voorgaande bestemmingsplan voor het perceel van [appellant] in beeld heeft gebracht, betekent niet dat het college datzelfde had moeten doen bij het vaststellen van het maatwerkvoorschrift. Het vaststellen van een maatwerkvoorschrift voor een concrete situatie kan niet met het vaststellen van een planologisch kader zoals een bestemmingsplan op één lijn worden gesteld.

Niet gebleken is dat het maatwerkvoorschrift, bij realisering van het voorziene woon-zorgcomplex, ontoereikend is voor [appellant] om zijn huidige bedrijfsvoering, voor zover die bij het college bekend was, te kunnen voortzetten. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat [appellant] geen concrete plannen heeft om zijn bedrijfsvoering uit te breiden en daarin door het maatwerkvoorschrift en de realisering van het woon-zorgcomplex zal worden belemmerd. In aanmerking verder genomen dat realisering van het woon-zorgcomplex, hetgeen wat de geluidbelasting als gevolg van de inrichting betreft met het maatwerkvoorschrift wordt mogelijk gemaakt, ten tijde van het besluit van 3 december 2013 reeds een concreet project betrof ten behoeve waarvan een bestemmingsplan in procedure was, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het maatwerkvoorschrift heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

457-727.