Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201501514/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over een strafrechtelijk onderzoek naar de burgemeester van Helmond afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501514/1/A3.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de tussenuitspraak van 16 mei 2014 en de uitspraak van 16 januari 2015 van de rechtbank Amsterdam in zaak nr. 13/2021 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over een strafrechtelijk onderzoek naar de burgemeester van Helmond afgewezen.

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en een deel van de gevraagde informatie alsnog openbaar gemaakt.

Bij tussenuitspraak van 16 mei 2014 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om gebreken in het besluit van 28 maart 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft de minister het besluit van 28 maart 2013 gewijzigd door meer informatie openbaar te maken.

Bij uitspraak van 16 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 28 maart 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het de bij het besluit van 10 juli 2014 alsnog openbaar gemaakte informatie betreft. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen voormelde uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2015, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en mr. S. Bolte, werkzaam bij het College van procureurs-generaal, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge het tweede lid verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens, blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover dit strafrechtelijke persoonsgegevens betreft, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2. In het besluit van 28 maart 2013 heeft de minister medegedeeld dat de rijksrecherche onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket van 1 april 2011 tot en met 1 mei 2012 een strafrechtelijk onderzoek heeft verricht naar ambtelijke corruptie waaraan de burgemeester zich mogelijk schuldig zou hebben gemaakt. Volgens door de politie ontvangen informatie zou deze ambtelijke corruptie verband houden met de verlening van een vergunning aan een tweede coffeeshop in Helmond. Het openbaar ministerie heeft de zaak tegen de burgemeester op 12 november 2012 geseponeerd, omdat de resultaten van het opsporingsonderzoek tot de conclusie leiden dat aannemelijk is dat de burgemeester onschuldig is, aldus het besluit.

Bij het besluit is openbaarmaking van de stukken van het rijksrechercheonderzoek geweigerd, primair op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob en subsidiair op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

In het besluit heeft de minister tevens medegedeeld dat de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal bij ambtsbericht van 30 oktober 2012, onderscheidenlijk 1 november 2012 het College, onderscheidenlijk de minister heeft geïnformeerd over de uitkomst van het rijksrechercheonderzoek en de genomen afdoeningsbeslissing. Bij het besluit is openbaarmaking van deze ambtsberichten geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob. In het besluit heeft de minister verder medegedeeld dat de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant bij ambtsbericht van 23 januari 2013 het College heeft geïnformeerd over de berichtgeving in de media over de mogelijke vervolging van de burgemeester en dat in dit ambtsbericht is vermeld dat de aangifte in de zaak, in overleg met de officier van justitie, is geseponeerd wegens het ontbreken van een begin van bewijs van enig strafbaar feit. Bij het besluit is openbaarmaking van dit ambtsbericht geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en g, van de Wob.

3. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de weigering om de stukken van het rijksrechercheonderzoek en de ambtsberichten openbaar te maken, rechtmatig geacht.

4. [appellant] bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Hij voert daartoe aan dat de aangevoerde weigeringsgronden niet van toepassing kunnen zijn op de gehele documenten. Ten onrechte is nagelaten om per document of onderdeel daarvan af te wegen of openbaarmaking achterwege dient te blijven. Het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten is niet meer aan de orde, nu de strafzaak is geseponeerd en het daarover gedane beklag is afgewezen. Wat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer betreft, is van belang dat de - inmiddels voormalige - burgemeester mogelijk wil verklaren dat hij zelf openbaarmaking van de documenten wenst, aldus [appellant].

4.1. Na met toestemming van [appellant] overeenkomstig artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de documenten, wordt als volgt overwogen.

4.2. De stukken van het rijksrechercheonderzoek geven inzicht in de door de rijksrecherche toegepaste onderzoeksstrategieën en -methoden. Openbaarmaking van de stukken zou daarom de opsporing en vervolging van strafbare feiten kunnen frustreren. Derhalve is de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob neergelegde weigeringsgrond van toepassing. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat die bepaling, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2008 in zaak nr. 200707974/1), niet alleen betrekking heeft op de bescherming van de daarin vermelde belangen in een individueel geval, maar ook op de bescherming van de opsporingsstrategie van de politie in het algemeen, waaronder ook de middelen waarmee of de functionarissen door wie die strategie wordt uitgevoerd, zijn begrepen. Wat dit specifieke geval betreft, is voorts van belang dat, zoals in het besluit van 28 maart 2013 is vermeld, aanslagen zijn gepleegd op de tweede coffeeshop in Helmond en bedreigingen zijn geuit jegens de oud-burgemeester en dat deze strafbare feiten nog niet zijn opgehelderd. Daarmee is niet uitgesloten dat informatie uit het rijksrechercheonderzoek van belang kan zijn voor lopende of toekomstige strafrechtelijke onderzoeken. In dit specifieke geval was ten tijde van het besluit van 28 maart 2013 het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten temeer aanwezig doordat toen nog een beklagprocedure over de seponering van de strafzaak tegen de oud-burgemeester aanhangig was. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de minister in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten dan aan het belang van openbaarmaking.

4.3. De stukken van het rijksrechercheonderzoek bevatten ook strafrechtelijke persoonsgegevens die ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob niet openbaar gemaakt mogen worden, aangezien dat inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer. De stukken bevatten tevens andere persoonsgegevens van diverse personen, zodat ook de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob neergelegde weigeringsgrond van toepassing is. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen dan aan het belang van openbaarmaking. Wat de persoonsgegevens van de oud-burgemeester betreft, wordt daaraan niet afgedaan doordat, naar [appellant] stelt, de oud-burgemeester mogelijk wil verklaren dat hij zelf openbaarmaking wenst. Nog daargelaten dat met openbaarmaking van die gegevens ook het hiervoor besproken belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c van de Wob in geding is, heeft [appellant] een dergelijke verklaring niet overgelegd.

4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 februari 2014 in zaak nr. 201209646/1/A3), moet in beginsel per document of onderdeel daarvan worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten. Als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen, kan daarvan worden afgezien. In dat licht mocht de minister volstaan met één motivering voor alle stukken van het rijksrechercheonderzoek. Bovendien zou reeds met het aanduiden van de soorten documenten die in het onderzoek zijn opgenomen, inzicht worden verschaft in de door de rijksrecherche toegepaste onderzoeksstrategieën en -methoden. Voorts is het, gelet op de aard van de documenten, niet mogelijk om door het weglakken van bepaalde passages de bezwaren uit het oogpunt van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer weg te nemen.

4.5. Ten aanzien van de ambtsberichten heeft de minister wel voor elk document afzonderlijk gemotiveerd waarom openbaarmaking achterwege moet blijven. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de minister mocht volstaan met het openbaar maken van de in het besluit van 28 maart 2013 opgenomen zakelijke weergave van de inhoud van de ambtsberichten. Gezien de nadere informatie over het rijksrechercheonderzoek die in de ambtsberichten is weergegeven, mocht openbaarmaking van de ambtsberichten om de hiervoor onder 4.2 en 4.3 vermelde redenen op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, aanhef en onder c en e, van de Wob worden geweigerd.

4.6. Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank de weigering om de stukken van het rijksrechercheonderzoek en de ambtsberichten openbaar te maken, terecht rechtmatig geacht. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank dienen, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. De Vries

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

582-798.