Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201409236/2/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:10003, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college aan Schutterij St. Sebastianus een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee schietbomen met kogelvangers aan de Rietstraat ongenummerd te Weert.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1097

Uitspraak

201409236/2/A4.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 oktober 2014 in zaak nr. 13/1471 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college aan Schutterij St. Sebastianus een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee schietbomen met kogelvangers aan de Rietstraat ongenummerd te Weert.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het college de bij besluit van 5 maart 2013 verleende vergunning gewijzigd.

Bij uitspraak van 7 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 maart 2013 en het besluit van 27 juni 2013 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans, ing. C.H.M. van de Water en J.M.M. Truijen, en [wederpartij] en anderen, vertegenwoordigd door [drie gemachtigden], zijn verschenen. Voorts is ter zitting Schutterij St. Sebastianus, vertegenwoordigd door mr. M. van Hoorne en [gemachtigde], gehoord.

Bij tussenuitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201409236/1/A4) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overweging 8 het gebrek in het besluit van 5 maart 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 27 juni 2013, te herstellen.

Bij brief van 11 juni 2015 heeft het college te kennen gegeven het gebrek te hebben hersteld door het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing.

[wederpartij] en anderen en Schutterij St. Sebastianus hebben een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans, ing. C.H.M. van de Water en J.M.M. Truijen, en [wederpartij] en anderen, vertegenwoordigd door [wederpartij], zijn verschenen. Voorts is ter zitting Schutterij St. Sebastianus, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 5 maart 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 27 juni 2013, in strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is genomen, omdat het geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De Afdeling heeft het college opgedragen het besluit alsnog te voorzien van een ruimtelijke onderbouwing waarin het toereikend motiveert dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college in te gaan op de gevolgen van het project voor de woon- en leefomgeving ten opzichte van hetgeen op grond van het bestemmingsplan "Laar-Hushoven 2010" reeds mogelijk is. In zijn motivering dient het college uit te gaan van zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de in het akoestisch rapport gehanteerde typering van de omgeving van het perceel als omgevingstype 'woonwijk/verkeer' volgens de Handreiking Limburgs traditioneel schieten van 19 mei 2009 (hierna: de HLTS), niet van belang is voor zijn besluit dat het project niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.

2. Het college heeft ter voldoening aan de opdracht van de Afdeling een ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

3. [wederpartij] en anderen betogen dat uit de ruimtelijke onderbouwing niet volgt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, nu toetsing aan een concrete richtwaarde voor geluid, bijvoorbeeld conform de HLTS, achterwege is gebleven.

3.1. Het college heeft overeenkomstig de opdracht van de Afdeling in de ruimtelijke onderbouwing een vergelijking gemaakt tussen hetgeen rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan is toegestaan en hetgeen met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt. Bij die beoordeling is de HLTS niet van doorslaggevend belang geweest. De HLTS is uitsluitend gebruikt bij de berekening van de geluidwaarden die optreden door het gebruik van de schietbomen. Het college was niet verplicht een verdergaande betekenis aan de HLTS toe te kennen, aangezien de HLTS slechts een beoordelingskader voor de verlening van vergunningen op grond van de Wet milieubeheer biedt en het college een afweging over de goede ruimtelijke ordening diende te maken aan de hand van hetgeen reeds op grond van het bestemmingsplan was toegestaan.

Het betoog faalt.

4. [wederpartij] en anderen betogen voorts dat de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte is gebaseerd op het akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek schietlawaai (HLTS 2009)" van HMB B.V. van 29 oktober 2012. Volgens hen volgt uit het rapport "Akoestisch onderzoek naar het schietgeluid van Schutterij St. Sebastianus te Laar, gemeente Weert" van G.F.C. van Grunsven van 29 juni 2015 dat de geluidbelasting als gevolg van het gebruik van de schietbomen hoger is dan waarvan het college is uitgegaan.

[wederpartij] en anderen voeren voorts aan dat HMB niet de akoestisch meest ongunstige locaties heeft berekend en dat de geluidwaarden voor de woningen [locatie 1, 2, 3 en 4] in de ruimtelijke onderbouwing afwijken van de door HMB berekende waarden.

Ten slotte voeren [wederpartij] en anderen aan dat de geluidwaarden die optreden door het gebruik van de schietbomen ruimschoots hoger zijn dan in de HLTS aanvaardbaar wordt geacht.

4.1. In het rapport van Van Grunsven is ter hoogte van de woning op het perceel [locatie 5] de geluidbelasting als gevolg van de schietactiviteiten gemeten. Die woning is volgens dat rapport akoestisch ongunstig gelegen. In het rapport wordt geconcludeerd dat de volgens de HLTS aanvaardbare grenswaarden voor de dag- en avondperiode ruimschoots worden overschreden.

4.2. Het perceel [locatie 5] was geen rekenpunt in het rapport van HMB. Omdat hierdoor geen vergelijking kan worden gemaakt met het rapport van HMB biedt het rapport van Van Grunsven in zoverre geen grond voor het oordeel dat de geluidbelasting als gevolg van het gebruik van de schietbomen hoger is dan waarvan HMB is uitgegaan.

In het rapport van Van Grunsven is voorts uitsluitend de vergunde situatie beoordeeld. Aldus gaat dat rapport eraan voorbij dat er planologisch gezien geen sprake is van een geheel nieuwe situatie. Het bestemmingsplan laat ter plaatse al veel activiteiten toe, waaronder het gebruik van één schietboom met kogelvanger, zonder beperkingen. Om die reden heeft de Afdeling het college in de tussenuitspraak opgedragen in te gaan op de gevolgen van het project voor de woon- en leefomgeving ten opzichte van hetgeen op grond van het bestemmingsplan reeds mogelijk is. Nu in het rapport van Van Grunsven geen vergelijking is gemaakt tussen de vergunde situatie op het perceel [locatie 5] en de aldaar reeds toegestane situatie, biedt dat rapport geen grond voor het oordeel dat HMB ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidbelasting in de vergunde situatie lager is dan in de reeds toegestane situatie.

4.3. De stelling van [wederpartij] en anderen dat HMB niet de akoestisch meest ongunstige locaties heeft berekend, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het rapport van HMB niet aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag had mogen worden gelegd. Gelet op de geluidbelasting op de door HMB berekende punten is niet aannemelijk dat op de door [wederpartij] en anderen bedoelde punten de geluidbelasting in de vergunde situatie hoger zou zijn dan in de op grond van het bestemmingsplan toegestane situatie.

Anders dan [wederpartij] en anderen voorts aanvoeren, wijken de geluidwaarden voor de woningen [locatie 1, 2, 3 en 4] in de ruimtelijke onderbouwing niet af van de door HMB berekende waarden. De in de ruimtelijke onderbouwing vermelde geluidwaarden komen overeen met de bij de tweede schietboom met kogelvanger behorende geluidwaarden, als opgenomen in bijlage 4 van het rapport van HMB. Zoals het college ter zitting nader heeft toegelicht, is het college er in de ruimtelijke onderbouwing van uitgegaan dat de rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan toegestane schietboom het dichtst bij de woningen staat en de tweede schietboom het verst van de woningen af. Omdat het bestemmingsplan een schietboom nabij de woningen toestaat, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college dat niet had mogen doen.

Gelet op het voorgaande, biedt hetgeen [wederpartij] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het rapport van HMB niet juist dan wel onvolledig is. Het college heeft dat rapport dan ook aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag mogen leggen.

4.4. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college zich onder verwijzing naar het rapport van HMB op het standpunt gesteld dat de geluidbelasting als gevolg van het vergunde project lager is dan de geluidbelasting die op grond van het bestemmingsplan maximaal mogelijk is. Het college heeft er voorts op gewezen dat in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften beperkingen zijn gesteld aan het aantal schoten per uur en de periode en de tijden dat van de schietinstallatie gebruik mag worden gemaakt. Die beperkingen hadden niet kunnen worden gesteld indien een omgevingsvergunning was gevraagd voor één schietboom met kogelvanger, omdat het bestemmingsplan die reeds toelaat. Volgens het college ontstaat er dan ook als gevolg van het feit dat er twee schietbomen met kogelvanger onder stringente voorwaarden zijn vergund een veel beter woon- een leefklimaat dan wanneer er conform het bestemmingsplan één schietboom met kogelvanger zou zijn vergund.

Gezien deze in de ruimtelijke onderbouwing gegeven uiteenzetting heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De betogen falen.

5. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van het college gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 5 maart 2013, zoals gewijzigd bij het besluit van 27 juni 2013, is gegrond en die besluiten dienen te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen, is er nu een ruimtelijke onderbouwing waaruit kan worden afgeleid dat de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling ziet dan ook aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven. Dit betekent dat Schutterij St. Sebastianus de schietbomen met kogelvangers mag plaatsen.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 oktober 2014 in zaak nr. 13/1471;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Weert van 5 maart 2013 en 27 juni 2013, kenmerk 2010/0222/81/04;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Weert tot vergoeding van bij [wederpartij] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 973,84 (zegge: negenhonderddrieënzeventig euro en vierentachtig cent), met dien verstande dat vergoeding aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Weert aan [wederpartij] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat vergoeding aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

457.