Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201503268/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/769
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503268/1/V6.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2015 in zaak nr. 14/4097 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 2 september 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. Catak, advocaat te Zaandam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I. Boon, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) wijst de staatssecretaris een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde af, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatietermijn) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De staatssecretaris wijst een verzoek voorts af indien de verzoeker zich in een aan een voorwaardelijk sepot verbonden proeftijd bevindt.

Volgens de Handleiding is het in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat de staatssecretaris een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet inwilligen. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat de staatssecretaris niet snel van het beleid afwijkt en zeer grote terughoudendheid betracht. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien de verzoeker wel een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan de staatssecretaris niet met toepassing van artikel 10 van de RWN afwijken.

De Handleiding vermeldt voorts dat omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf niet bijzonder zijn, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken.

2. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar oplevert voor de openbare orde. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] zich ten tijde van het verzoek in een aan een voorwaardelijk sepot verbonden proeftijd bevond en dat in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek jegens hem een sanctie ter zake van een misdrijf ten uitvoer is gelegd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ten tijde van het verzoek geen gevaar opleverde voor de openbare orde. Hij voert aan dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RWN volgt dat in het verleden begane strafbare feiten op zichzelf onvoldoende zijn voor afwijzing van een naturalisatieverzoek en dat de staatssecretaris dus vooral gewicht had moeten toekennen aan zijn huidige en verwachte toekomstige gedrag. In dit verband wijst [appellant] erop dat zijn psychiatrisch ziektebeeld een belangrijke rol heeft gespeeld bij de door hem begane strafbare feiten, dat hij daarvoor onder behandeling staat en dat, zolang die behandeling voortduurt, hij geen gevaar oplevert voor de openbare orde.

3.1. De Handleiding vermeldt, in lijn met de totstandkomingsgeschiedenis van de RWN, dat de verwachtingen over het toekomstige gedrag van een verzoeker centraal staan bij beantwoording van de vraag of deze een gevaar oplevert voor de openbare orde. Volgens de Handleiding baseert de staatssecretaris deze verwachtingen evenwel op het gedrag van de verzoeker in het heden én het recente verleden. Daarbij geldt dat, zoals de staatssecretaris in het besluit van 2 september 2014 heeft toegelicht, een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde, niet wordt gebaseerd op elke willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest, hetgeen tot uiting komt in het feit dat de staatssecretaris alleen misdrijven in aanmerking neemt en dat de daarvoor opgelegde sanctie voldoende zwaar moet zijn. Nu aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden geen conclusies kunnen worden verbonden over diens toekomstige gedrag, geldt voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek als maatstaf dat de verzoeker gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop geen misdrijf mag hebben begaan en niet onderworpen is geweest aan de sanctionering daarvan of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie, aldus de staatssecretaris in het besluit van 2 september 2014.

Gelet op het vorenstaande wordt [appellant] niet gevolgd in zijn betoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het verzoek ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de onder 2 bedoelde proeftijd en sanctie. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht, onder verwijzing naar die sanctie en proeftijd, op het standpunt heeft gesteld dat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar oplevert voor de openbare orde. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat hij ten tijde van het verzoek werd behandeld voor zijn psychische klachten, laat dat de hiervoor bedoelde vermoedens, die zijn gebaseerd op de door hem in het verleden begane strafbare feiten, onverlet. Die enkele omstandigheid is derhalve onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant], onder verwijzing naar zijn psychische klachten, betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft meegewogen dat zich ten tijde van de door hem begane strafbare feiten verzachtende omstandigheden voordeden, kan hem dat niet baten. Uit de Handleiding volgt immers dat, nu de strafrechter deze omstandigheden bij zijn oordeel heeft betrokken, dit geen bijzondere omstandigheden zijn die de staatssecretaris ertoe noopte om [appellant], in afwijking van de Handleiding, het Nederlanderschap te verlenen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

670.