Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201501686/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:178, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend aan de stichting Stichting Accolade voor een woon-zorgcomplex op het perceel Lauwers 16 te Drachten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501686/1/A4.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Drachten, gemeente Smallingerland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 20 januari 2015 in zaak nrs. 14/4981 en 14/4982 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend aan de stichting Stichting Accolade voor een woon-zorgcomplex op het perceel Lauwers 16 te Drachten (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 20 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J. Boersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Accolade, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Deckers, advocaat te Leeuwarden, en ing. D. Slatman, gehoord.

Overwegingen

1. Het college heeft aan Stichting Accolade een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woon-zorgcomplex met 38 woningen op het perceel. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, met het bestemmingsplan strijdig gebruik van gronden of bouwwerken en brandveilig gebruiken. [appellant] woont nabij het perceel.

2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college zich niet mocht baseren op de door de gemeenteraad afgegeven verklaring van geen bedenkingen. Hij stelt dat de gemeenteraad niet erover is geïnformeerd dat de verlening van de omgevingsvergunning bij hem zal leiden tot privacyverlies en geen standpunt in heeft kunnen nemen over de vraag of de omgevingsvergunning voldoet aan de volgens [appellant] door het college gedane toezeggingen aan hem. Daarbij wijst hij erop dat de verklaring is afgegeven zonder dat de gemeenteraad kennis heeft genomen van bepaalde stukken, waaronder de over het ontwerpbesluit uitgebrachte zienswijzen en de daarop betrekking hebbende reactienota.

2.1. In artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, is bepaald dat, indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet wordt verleend, dan nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben.

2.2. Het college heeft de gemeenteraad gevraagd een standpunt in te nemen over het voornemen van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisering van het woon-zorgcomplex op het perceel. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 21 januari 2014 met dit voornemen ingestemd. Het college heeft vervolgens een ontwerpbesluit opgesteld en de gemeenteraad gevraagd overeenkomstig zijn standpunt van 21 januari 2014 een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, welke verklaring de gemeenteraad op 7 oktober 2014 heeft verleend.

Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad voorafgaande aan zijn vergadering van 21 januari 2014 kennis heeft genomen van het bouwplan, van de onderdelen van het bouwplan die in strijd zijn met het bestemmingsplan, van de bezwaren van [appellant] en van de reactie van het college daarop. Vast staat dat de gemeenteraad niet beschikte over onder meer de over het ontwerpbesluit uitgebrachte zienswijzen en de reactienota. Met de voorzieningenrechter overweegt de Afdeling dat dit echter geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de afgegeven verklaring van geen bedenkingen ondeugdelijk is. De stukken die niet aan de gemeenteraad zijn verstrekt, bevatten geen informatie of bezwaren die wezenlijk anders zijn dan wat bij de gemeenteraad bekend was. De Afdeling merkt daarbij op dat in de brief van het college aan de gemeenteraad van 21 januari 2014 onder meer aandacht wordt besteed aan de bezwaren van [appellant] met betrekking tot privacy en zijn verwachtingen over de herprofilering van de sloot. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de gemeenteraad over genoeg informatie beschikte om een verklaring van geen bedenkingen te kunnen verlenen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn besluit niet op de verleende verklaring van geen bedenkingen mocht baseren.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vergunning had kunnen verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan, omdat de bouw van het woon-zorgcomplex zal leiden tot privacyverlies, aangezien de bewoners van het complex vanuit de ramen in zijn tuin zullen kunnen kijken. Hij wijst erop dat het bouwplan voorziet in een tweede bouwlaag terwijl het bestemmingsplan geen tweede bouwlaag toestaat.

3.1. Het bestemmingsplan "Drachten - Woon- en zorglocatie De Lauwers" staat een goothoogte van 4 m en een nokhoogte van 8 m toe. Anders dan [appellant] stelt, kent het bestemmingsplan geen beperkingen van het aantal bouwlagen. De oprichting van een bouwwerk met twee bouwlagen is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan.

Het bouwplan is met de bouwregels van het bestemmingsplan in strijd, omdat het bouwwerk een goothoogte van 6 m heeft en niet geheel binnen het bouwvlak valt. Het bouwwerk wordt niet hoger dan ingevolge het bestemmingsplan zonder meer is toegestaan. Wat betreft de ten opzichte van het bouwvlak afwijkende ligging wordt overwogen dat het bouwwerk aan de oostzijde en aan de zuidzijde het bouwvlak in zeer geringe mate overschrijdt. Deze overschrijdingen hebben niet tot gevolg dat het bouwwerk op kortere afstand van het perceel van [appellant] wordt opgericht. De afstand van de woning van [appellant] tot het voorziene bouwwerk bedraagt meer dan 28 m. De Afdeling ziet onder genoemde omstandigheden dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat afwijking van het bestemmingsplan tot zodanig privacyverlies voor [appellant] zal leiden, dat het college om die reden niet in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op de betrokken belangen, de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Hij voert hiertoe aan dat hij vreest voor problemen met betrekking tot ont- en afwatering van zijn perceel op de sloot, gelegen tussen zijn perceel en het perceel, en dat het college hem heeft toegezegd dat de sloot geherprofileerd zal worden en zal worden onderhouden vanaf de kant van het perceel. Voorts stelt hij dat hem is toegezegd dat eerst op 10 m afstand van de sloot zou worden gebouwd. [appellant] acht het niet juist dat het college geen overleg heeft gevoerd met hem over de wijze van ont- en afwatering van zijn perceel.

4.1. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Volgens [appellant] is het bouwwerk op ongeveer 3,6 m van de sloot voorzien. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze afstand onvoldoende is om onderhoud aan de sloot vanaf het perceel te verrichten.

Volgens het college houdt de leemhoudende bovenlaag van de bodem op het perceel van [appellant] het water zodanig vast, dat van een natuurlijke afvoer van water vanaf dat perceel op de sloot vrijwel geen sprake zal zijn. De ligging van de sloot en de afstand van het voorziene bouwwerk tot de sloot is dan ook niet van betekenis voor de ont- en afwatering van het perceel, aldus het college. Dit is door [appellant] als zodanig niet betwist, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de stellingen. Gelet hierop, is niet aannemelijk geworden dat de realisering van het woon-zorgcomplex vanwege de ligging nabij de sloot nadelige gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op het perceel van [appellant]. Wat het betoog van [appellant] betreft dat het college in dit verband met hem had moeten overleggen over de manier waarop de ont- en afwatering geregeld wordt, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel bestaat die daartoe verplicht.

Nu geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding op het perceel van [appellant] zijn te verwachten, bestaat in het feit dat het college in een brief van 11 december 2007 aan [appellant] te kennen heeft gegeven dat aan de projectontwikkelaar van het perceel als eis zal worden meegegeven dat de sloot moet worden geherprofileerd en dat deze herprofilering niet heeft plaatsgevonden, en dat zou zijn toegezegd dat op 10 m afstand van de sloot gebouwd zou worden, wat daar overigens ook van zij, geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwwerk beter op grotere afstand van zijn perceel kan worden opgericht. Hij voert aan dat het door hem aangedragen alternatief, bestaande uit het enkele meters opschuiven van het complex in zuidelijke en westelijke richting, tot hetzelfde resultaat zal leiden en dat hier aanmerkelijk minder bezwaren tegen bestaan. [appellant] stelt dat daardoor voldaan kan worden aan de volgens [appellant] bij hem gewekte verwachtingen omtrent herprofilering van de sloot en daarnaast veel minder sprake zal zijn van privacyverlies.

5.1. De Afdeling stelt voorop dat het college heeft te beslissen omtrent de aanvraag zoals die is ingediend. Indien het ingediende bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [appellant] voorgestelde plaats van het woon-zorgcomplex niet wenselijk is, omdat daarmee de afstand tussen het bouwwerk en de weg te klein wordt en ten koste gaat van de aanwezige groenstrook. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze stellingen onjuist zijn. Anders dan [appellant] betoogt, is dan ook niet reeds op voorhand duidelijk dat tegen het alternatief aanmerkelijk minder bezwaren bestaan. De voorzieningenrechter heeft daarom terecht overwogen dat het door [appellant] voorgestelde alternatief er niet toe leidt dat het college de vergunning niet in redelijkheid heeft mogen verlenen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

163-811.