Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3420

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201410174/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:7274, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft het college beslist op de aanvraag van de maatschap en aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een huisvestingsvergunning verstrekt voor de woning [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410174/1/A3.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam [maatschap], (hierna in enkelvoud: de maatschap),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2014 in zaak nr. 13/6967 in het geding tussen:

de maatschap

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft het college beslist op de aanvraag van de maatschap en aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een huisvestingsvergunning verstrekt voor de woning [locatie].

Bij besluit van 18 oktober 2013 heeft het college het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2014 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2015, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [beheerder] en bijstaan door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam, en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. A. Franke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. P.N.M. Commandeur, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Commandeur, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [belanghebbende A], [belanghebbende B] en [belanghebbende C] hebben met de voormalige eigenaar van de woning [locatie] een huurovereenkomst gesloten en zijn een huurprijs van € 2.050,00 per maand overeengekomen. Zij hebben de Huurcommissie verzocht deze huurprijs te toetsen. De Huurcommissie heeft onder meer het puntenaantal van de woning op 114 gesteld en bepaald dat de huurprijs 55 procent van de maximale hiervoor geldende huurprijs bedraagt, hetgeen neerkomt op € 289,27 per maand. Dit betekent dat de woning geen geliberaliseerde woonruimte is en gelet op de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (hierna: Huisvestingsverordening) een huisvestingsvergunning moet worden aangevraagd voor de huurders. De kantonrechter heeft het oordeel van de Huurcommissie bevestigd. In de tussenliggende periode is [belanghebbende C] geëmigreerd en heeft de maatschap de woning gekocht. Na de uitspraak van de kantonrechter heeft het college een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom verzonden aan de maatschap en haar gesommeerd de woning beschikbaar te melden en een huishouden voor te dragen. Hieraan heeft de maatschap op 23 mei 2013 gehoor gegeven. De maatschap is echter van mening dat de woning, anders dan thans het geval is als gevolg van de uitspraak van de kantonrechter, wel behoort tot de geliberaliseerde woonmarkt. De maatschap wil met de onderhavige procedure alsmede met een civiele procedure bereiken dat zij de huurovereenkomst met [belanghebbende A] en [belanghebbende B] kan opzeggen en de woning aan een ander tegen een hogere huurprijs kan verhuren.

1.1. Ingevolge artikel 5, eerste volzin, van de Huisvestingswet, welke wet gold ten tijde van belang, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

1.2. Ingevolge artikel 1, onder g, van de Huisvestingsverordening, die op 1 januari 2013 in werking is getreden, wordt onder huishouden verstaan een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, is het bepaalde in deze afdeling van toepassing in Amsterdam.

Ingevolge het tweede lid, worden in de gemeenten genoemd in het eerste lid als woonruimten als bedoeld in artikel 5 van de wet aangewezen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag (681,02 euro prijspeil 1 januari 2013).

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a en b, is het verboden de in artikel 2 aangewezen woonruimte zonder een huisvestingsvergunning in gebruik te nemen voor bewoning dan wel in gebruik te geven aan een huishouden.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a en b, gelden om toegelaten te worden tot de in artikel 2 genoemde woonruimten de voorwaarden dat tenminste één van de leden van het huishouden achttien jaar of ouder is en de leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld of vreemdeling zijn en rechtmatig in Nederland verblijven als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, verleent het college de huisvestingsvergunning voor het betrekken van een huurwoning, indien het huishouden voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.

Ingevolge artikel 8, derde lid, wordt per huishouden slechts één huisvestingsvergunning verleend.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, is de eigenaar van een woonruimte aangewezen in artikel 2, verplicht het ter beschikking komen van die woning binnen vijf werkdagen aan burgemeester en wethouders te melden. De melding geschiedt op een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder e, wordt een woonruimte geacht ter beschikking te zijn gekomen wanneer de woonruimte niet langer wordt bewoond door de laatste bewoner die de woonruimte als hoofdverblijf in gebruik had overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens de Huisvestingswet.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, kan de eigenaar bij de melding als bedoeld in artikel 17, eerste lid een huishouden voordragen (hierna: de voordracht).

Ingevolge het tweede lid, draagt de eigenaar in ieder geval binnen vier weken na de melding van beschikbaar komen van de woning een huishouden voor.

Ingevolge het derde lid, verleent het college een huisvestingsvergunning indien het voorgedragen huishouden voldoet aan de criteria genoemd in artikel 8.

Ingevolge artikel 64, eerste lid, worden aanvragen voor een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 5, die vóór de dag van inwerkingtreding van onderhavige verordening zijn ingediend, behandeld volgens de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010.

2. De maatschap betoogt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het college als beoordelingsmoment van de voordracht 1 januari 2011 had moeten hanteren, zijnde het moment waarop [belanghebbende C], [belanghebbende A] en [belanghebbende B] de huurovereenkomst voor de woning hebben gesloten. In dit kader wijst de maatschap erop dat gelet op artikel 17, derde lid aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening de woonruimte op dat moment reeds geacht moet worden ter beschikking te zijn gekomen. Voorts betoogt de maatschap dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het overgangsrecht uit artikel 64 van de Huisvestingsverordening in dit geval van toepassing is.

2.1. Vast staat dat voornoemde woning een woonruimte als bedoeld in artikel 2 van de Huisvestingsverordening is.

2.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de voordracht, die is gedaan op 23 mei 2013, had moeten beoordelen naar een eerder tijdstip dan de besluiten van 28 mei 2013 en 18 oktober 2013 tot verlening van de huisvestingsvergunning en ongegrondverklaring van het daartegen ingediende bezwaar. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de beoordeling door het bestuursorgaan in de regel plaatsvindt naar het recht en de feiten op het tijdstip dat het besluit wordt genomen, tenzij uit de toepasselijke wettelijke voorschriften, het beleid en de aard van het besluit een ander tijdstip voortvloeit. Uit de Huisvestingswet, de Huisvestingsverordening noch de aard van het besluit omtrent het verlenen van een huisvestingsvergunning en het besluit tot ongegrondverklaring van het daartegen ingediend bezwaar vloeit een ander tijdstip voort. Dat de voordracht op grond van de Huisvestingsverordening veel eerder had moeten worden gedaan, betekent volgens deze verordening immers niet dat een alsnog gedane voordracht moet worden beoordeeld als ware deze op dat eerdere tijdstip gedaan. Bovendien is, zoals niet in geschil is, de woning niet pas na de voordracht beschikbaar gemeld als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. Gelet op het voorgaande is, anders dan de maatschap meent, voor het beoordelingsmoment van het college niet relevant of de beschikbaar melding tegelijkertijd met dan wel geruime tijd voor de voordracht heeft plaatsgevonden. Dat een procedure is gevoerd over de hoogte van de huurprijs en dat voor deze situatie in de toepasselijke regelgeving dan wel het beleid geen bepaling is opgenomen, is evenmin relevant reeds omdat deze procedure voorafgaand aan de voordracht was afgerond door een in rechte onaantastbaar vonnis van de kantonrechter.

2.3. Nu vast staat dat de voordracht is gedaan na inwerkingtreding van de Huisvestingsverordening en nu hiervoor reeds is overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de voordracht had moeten worden beoordeeld naar een eerder tijdstip dan de besluiten van 28 mei 2013 en 18 oktober 2013, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat artikel 64 van de Huisvestingsverordening niet van toepassing is.

3. De maatschap stelt dat bij de voordracht een aanvraag is gedaan tot verlening van een huisvestingsvergunning en dat de aanvraag bestaat uit de brief van 23 mei 2013 alsmede het daarbij gevoegde formulier als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. De kandidaat-bewoners van de huisvestingsvergunning zijn derhalve niet alleen [belanghebbende A] en [belanghebbende B], die op het formulier zijn ingevuld, maar ook [belanghebbende C], die als derde kandidaat-bewoner in de brief is vermeld. Nu in het bestuursrecht in de regel de aanvraag leidend is voor de daarop volgende beslissing heeft het college ten onrechte een huisvestingsvergunning verleend aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B]. Dat alleen zij zijn vermeld op het vastgestelde formulier maakt dit niet anders nu het vaststellen van een formulier alleen een administratief belang dient en het niet gebruiken van een vastgesteld formulier voor het doen van een aanvraag er niet automatisch toe mag leiden dat het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling stelt, aldus de maatschap.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat werd voldaan aan de voorwaarden zodat de huisvestingsvergunning moest worden verleend. Alleen [belanghebbende A] en [belanghebbende B] zijn immers vermeld op het formulier. Bovendien waren ten tijde van de aanvraag alleen [belanghebbende A] en [belanghebbende B] en niet [belanghebbende C] in de gemeentelijke basisadministratie op het desbetreffende adres ingeschreven.

3.2. Bij brief van 2 mei 2013 heeft het college de maatschap gesommeerd - onder vooraankondiging van de oplegging van een last onder dwangsom - om binnen vier weken voornoemde woning beschikbaar te melden en een huishouden voor te dragen. Bij brief van 23 mei 2013 heeft de maatschap hierop gereageerd. Bij deze brief heeft de maatschap als bijlage een volledig ingevuld formulier als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Huisvestingsverordening gevoegd. Op dit formulier zijn [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als kandidaat-bewoners vermeld. In de brief heeft de maatschap onder meer gesteld dat ook [belanghebbende C] als kandidaat-bewoner dient te worden aangemerkt. Voorts staat in deze brief dat de maatschap niet akkoord gaat met het voorstel van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] dat alleen zij worden aangemerkt als kandidaat-bewoners.

3.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de Huisvestingswet noch uit de Huisvestingsverordening volgt dat een huisvestingsvergunning moet worden geweigerd wegens de omstandigheid dat betrokkenen een woning enige tijd in strijd met de wet- en regelgeving zonder huisvestingsvergunning hebben bewoond. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het betoog dat [belanghebbende A] en [belanghebbende B] geen recht hebben op een huisvestingsvergunning omdat zij enige tijd zonder huisvestingsvergunning in de desbetreffende woning hebben gewoond, niet slaagt. Derhalve behoeft het betoog van de maatschap dat de rechtbank bij haar oordeel ten onrechte heeft betrokken dat de maatschap zelf [belanghebbende A] en [belanghebbende B] heeft voorgedragen met het daartoe bestemde formulier, geen bespreking.

3.4. Volgens vaste jurisprudentie dient het bestuursorgaan te beslissen op grondslag van de aanvraag zoals door de aanvrager ingediend en eventueel aangepast op zijn verzoek. Nu in beginsel de aanvrager de omvang van de aanvraag bepaalt en uit de aanvraag uitdrukkelijk blijkt dat niet alleen het formulier als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Huisvestingsverordening maar ook de bijbehorende brief hiervan deel uitmaken, heeft de rechtbank ten onrechte geen grond gezien voor het oordeel dat de brief en het formulier tezamen de aanvraag vormen. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het college gelet op de omstandigheden van dit geval bij zijn beoordeling terecht als uitgangspunt heeft genomen de feitelijke situatie, zoals deze volgt uit de aanvraag en is bevestigd in nader onderzoek van het college, en niet de omstandigheid dat in de aanvraag drie personen zijn vermeld. Op grond van onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie heeft het college immers vastgesteld dat ten tijde van de besluiten van 28 mei 2013 en 18 oktober 2013, welke momenten het college - zoals hiervoor is overwogen - terecht als beoordelingsmomenten heeft gehanteerd, alleen [belanghebbende A] en [belanghebbende B] in de woning waren ingeschreven en dat [belanghebbende C] op 26 mei 2011 was vertrokken met onbekende bestemming. Ook stond op die momenten vast dat alleen [belanghebbende A] en [belanghebbende B] feitelijk in de woning woonden. Bovendien voldeden, zoals niet in geschil is, [belanghebbende A] en [belanghebbende B] aan de vereisten voor toekenning van een huisvestingsvergunning. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college terecht aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een huisvestingsvergunning heeft verleend. Dat in de aanvraag uitdrukkelijk staat dat de maatschap niet akkoord gaat met het voorstel dat aan alleen [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een huisvestingsvergunning wordt verleend, geeft geen grond voor een ander oordeel omdat deze omstandigheid niet afdoet aan de feitelijke situatie die het college, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, terecht als uitgangspunt heeft gehanteerd bij zijn beoordeling.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

5. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een hoger beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

559.