Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201400346/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:16239, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400346/2/A1.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2013 in zaak nr. 13/5245 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, en het college, vertegenwoordigd door M.C.N.M. Bootsma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Aan de zijde van [appellant] is tevens verschenen mr. T.A.P. Langhout. Aan de zijde van het college is voorts verschenen mr. D.S. Krijgsman.

Bij tussenuitspraak van 22 oktober 2014 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 21 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 november 2014 heeft het college [appellant] een planschade toegekend van € 15.000,00, verhoogd met de wettelijke rente.

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 4, zevende lid, en artikel 19 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Sijtwende" opgenomen vrijstellingsbevoegdheden bij de planvergelijking buiten beschouwing moeten worden gelaten als volgt overwogen.

De aanvraag van [appellant] is ingediend op 25 augustus 2010 en de zogenoemde peildatum, zijnde de dag van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, is vóór 1 september 2005 gelegen. In het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van oktober 2012 is dan ook terecht vermeld dat uit artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening volgt dat artikel 49 van de Wet Ruimtelijke Ordening op de aanvraag van toepassing is. Dit brengt met zich dat de oude maatstaven voor vergoeding van planschade op de aanvraag van toepassing zijn. Gelet hierop zijn in het advies ten onrechte bij de vergelijking tussen het nieuwe bestemmingsplan en de daarvoor geldende Bebouwingsverordening 1940 en het daarvoor geldende uitbreidingsplan "Plan I en II tot herziening van het uitbreidingsplan "Binnen- en Bovenveenpolder c.a." de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsbevoegdheden buiten beschouwing gelaten. Het college heeft daarom in zoverre het advies niet aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen.

2. De Afdeling zal eerst ingaan op het nog niet beoordeelde betoog van [appellant] in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat er door de SAOZ bij de planvergelijking aan voorbij wordt gegaan dat in het bestemmingsplan "Sijtwende" op gronden met de bestemming "Groen en plantsoen" geluidwerende voorzieningen met een hoogte van 8 m kunnen worden opgericht en zij er derhalve ten onrechte van uit is gegaan dat ten opzichte van het voorheen geldende plan aanzienlijke bebouwingsmogelijkheden zijn komen te vervallen.

2.1. In het bestemmingsplan "Sijtwende" rust op gronden ten noordwesten van het perceel de bestemming "Groen en plantsoen". Op deze gronden is het, zoals in onder meer het advies van de SAOZ is vermeld, onder meer toegestaan geluidsafschermende voorzieningen te realiseren met een hoogte van maximaal 8 m. Onder het voorheen op die gronden en de gronden gelegen direct achter het perceel geldende uitwerkingsplan was, zoals onder 7.1 en 7.2 van de tussenuitspraak van 22 oktober 2014 is overwogen, bebouwing toegestaan ten behoeve van de bestemming "Sportvelden of speelvelden". Volgens het advies van de SAOZ kon direct achter het perceel omvangrijke bebouwing voor sportdoeleinden worden opgericht. Gelet op de omvang van het gebied kon worden gedacht aan clubgebouwen met kantines en kleedruimten, maar ook aan een grote tribune of sporthal alsmede bijbehorende lichtmasten en dergelijke, aldus het advies.

In het uitwerkingsplan waren geen bouwvoorschriften over de maximale hoogte opgenomen, zodat voor de hoogte de gemeentelijke bouwverordening van belang was. De bouwverordening stond bebouwing toe tot een hoogte van 15 m. Gelet op de hoogte en aard van de voorheen toegestane bebouwing op de door [appellant] bedoelde gronden en op de thans onder het bestemmingsplan "Sijtwende" op die gronden toegestane geluidsafschermende voorzieningen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de SAOZ in haar advisering er niet van heeft mogen uitgaan dat onder het bestemmingsplan "Sijtwende" aanzienlijke bebouwingsmogelijkheden zijn komen te vervallen. Het betoog faalt.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college de SAOZ opdracht gegeven nader advies uit te brengen. De SAOZ heeft met inachtneming van vorenstaande overweging van de Afdeling op 31 oktober 2014 advies uitgebracht. Zij heeft opnieuw een vergelijking gemaakt tussen de voorheen geldende "Bebouwingsverordening 1940" en het voorheen geldende uitbreidingsplan "Plan I en II tot herziening van het uitbreidingsplan "Binnen- en Bovenveenpolder c.a." enerzijds en het bestemmingsplan "Sijtwende" anderzijds. Bij deze planvergelijking heeft zij betrokken dat geenszins ondenkbaar is dat toepassing wordt gegeven aan de in het bestemmingsplan "Sijtwende" opgenomen vrijstellingsmogelijkheden. Volgens de SAOZ laat de direct aan het voormalige perceel van [appellant] grenzende bestemming "Water" de inrichting van die gronden als groenvoorziening en gebruik als beperkte recreatieve doeleinden toe. Het is volgens de SAOZ niet uit te sluiten dat met gebruikmaking van de in het plan opgenomen vrijstellingsmogelijkheden op die gronden een kiosk en een zendmast worden geprojecteerd.

Volgens de SAOZ is door de direct achter de bebouwingsstrook langs het Oosteinde mogelijk gemaakte woningbouw en de grotere bouwdiepte en kortere afstand van de woonbebouwing naast het object van de aanvrager sprake van een beperking van het licht en een verdergaande aantasting van de privacy. Deze nadelen worden beperkt door belangrijke voordelen met onder meer de aspecten zicht, hinder en privacy door het vervallen van de aanzienlijke bebouwingsmogelijkheden op de gronden direct achter het object. Daar waar de gronden thans immers zijn bestemd voor water, kon onder meer een omvangrijke sporthal met kantine worden opgericht waardoor het zicht in vergaande mate kon worden beperkt en de nodige hinder en privacyaantasting kon worden ondervonden, aldus de SAOZ. Mede rekening houdend met het gegeven dat de gronden met de nieuwe bestemming "Water" ook als groenvoorziening met recreatieve functie en de voornoemde bebouwing ingericht kunnen worden, zijn voornoemde voordelen echter niet toereikend om de planologische nadelen geheel te compenseren. Volgens de SAOZ is als gevolg van de wijziging van de bestemming van de gronden direct achter en deels naast het object [locatie] per saldo een beperkt planologisch nadeel voor dat object ontstaan. De woning wordt in de oude planologische situatie door de SAOZ op de peildatum juli 2002 getaxeerd op € 810.000,00. Rekening houdend met de aard en zwaarte van de planologische inbreuk die door de SAOZ als beperkt wordt ingeschat, wordt de woning na de planologische verandering door de SAOZ getaxeerd op € 795.000,00, zodat de door het bestemmingsplan "Sijtwende" veroorzaakte waardedaling € 15.000,00 bedraagt.

Het college heeft dit advies aan zijn besluit van 25 november 2014 ten grondslag gelegd en aan [appellant] een planschadevergoeding toegekend van € 15.000,00 verhoogd met de wettelijke rente.

4. [appellant] heeft naar aanleiding van het besluit van het college van 25 november 2014 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat hij geen bezwaren heeft tegen dit besluit.

5. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 8.2 is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] tegen de aangevallen uitspraak gegrond. Die uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 mei 2013 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 25 november 2014 is, gelet op hetgeen onder 4 is overwogen, ongegrond.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft de door [appellant] gevraagde vergoeding van kosten van het deskundigenrapport van Langhout&Wiarda, is van belang dat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Voor het antwoord op de vraag of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals in dit geval aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.

Het inroepen van deskundige bijstand in beroep is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval redelijk. De Afdeling acht het aantal van tien uren dat, zoals op het proceskostenformulier is vermeld, aan het opstellen van het rapport is besteed niet onredelijk. Voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van een deskundigenrapport hanteert de Afdeling een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van deze deskundigenrapporten bedraagt derhalve € 750,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2013 in zaak nr. 13/5245;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg van 21 mei 2013, kenmerk 805221/858777;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 november 2014, kenmerk RO/LO/2014/805221/858777/ ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.710,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderdtien euro, waarvan € 1.960,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Pieters

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

473.