Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
201410504/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college een verzoek om informatie van [appellant] gedeeltelijk ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/48

Uitspraak

201410504/1/A3.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college een verzoek om informatie van [appellant] gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 19 december 2013 (lees: 2014) heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar en dat ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M.C. Niederer, werkzaam bij Legal Control, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 19 april 2013 heeft [appellant] het college verzocht documenten over wachtgelden die zijn uitgekeerd aan oud-bestuurders en oud-raadsleden over de periode 2000 tot en met 19 april 2013 openbaar te maken. Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college een overzicht verstrekt waarin over de periode van 2005 tot en met 2011 een jaarlijks totaalbedrag aan wachtgeld is vermeld dat aan oud-wethouders van de gemeente is uitgekeerd. Daarbij heeft het college medegedeeld dat het niet beschikt over een overzicht van de uitgekeerde wachtgelden per oud-wethouder in die periode. Het college heeft voorts een overzicht verstrekt van de bedragen die in 2012 en 2013 aan wachtgeld aan zes oud-wethouders, geanonimiseerd aangeduid met de letters A tot en met F, zijn uitgekeerd. Het college heeft voorts medegedeeld dat in de periode 2000 tot en met 2004 geen wachtgeld aan oud-wethouders is verstrekt en dat gedurende de gehele periode evenmin wachtgeld is verstrekt aan oud-raadsleden.

Gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014 in zaak nr. 201311813/1/A3 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2013. Het heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Het heeft [appellant] bij brief van 20 november 2014 nadere informatie verstrekt en hem bij brief van 24 november 2014 onder meer de namen van de oud-wethouders verstrekt aan wie wachtgeld is betaald in de periode die [appellant] heeft genoemd. Het overzicht dat [appellant] bij brief van 20 november 2014 is verstrekt is nieuw vervaardigd om antwoord te geven op zijn vragen. Ook een aantal andere vragen van [appellant] is bij voormelde brieven beantwoord. Nu uitsluitend informatieve vragen zijn beantwoord, is het verzoek van [appellant] in zoverre geen verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), zodat het beantwoorden van die vragen niet onder die wet valt. Er berusten verder geen andere documenten bij het college dan die reeds openbaar zijn gemaakt. Het college heeft het bezwaar van [appellant] daarom kennelijk ongegrond verklaard.

2. [appellant] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en het college hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaar mondeling toe te lichten. Gelet op hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd en de daarin overgelegde stukken, kan niet staande worden gehouden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de vraag of zijn bezwaar ongegrond was, temeer nu het college zich op het standpunt heeft gesteld dat hij op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er andere documenten onder hem berusten over wachtgeld dat aan oud-wethouders is verstrekt.

2.1. [appellant] heeft in bezwaar onder meer aangevoerd dat zijn verzoek om openbaarmaking ziet op informatie die bij het college berust in bestaande documenten, bijvoorbeeld loonstaten en jaaropgaven, hij niet heeft verzocht om het opstellen van een nieuw document en het overzicht dat het college openbaar heeft gemaakt geen inzicht geeft in de aard van de bedragen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 maart 2015 in zaak nr. 201403381/1/A3) kan het in bezwaar door [appellant] kenbaar gemaakte verzoek om de door hem verzochte informatie te verstrekken in de vorm van bestaande documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven, als nadere invulling van het oorspronkelijk verzoek worden beschouwd. Het college had het bezwaar in zoverre als een verduidelijking van het verzoek moeten opvatten. Te meer nu in de bezwaarfase een heroverweging plaatsvindt en de specificering geen verruiming van het oorspronkelijke verzoek behelst. Gelet daarop heeft het college ten onrechte afgezien van het horen van [appellant] in bezwaar en heeft het zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de vraag of zijn bezwaar ongegrond was.

Dit betoogt slaagt.

3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte niet zijn bezwaar gegrond heeft verklaard en het besluit van 7 mei 2013 heeft herroepen, nadat het alsnog de namen van de oud-wethouders en de bedragen per persoon en per jaar bij brieven van 20 en 24 november 2014 openbaar heeft gemaakt. Hij had daar immers om verzocht en aan dat verzoek is pas hangende bezwaar voldaan.

3.1. [appellant] heeft in zijn verzoek om openbaarmaking van 19 april 2013 verzocht om openbaarmaking van de namen van oud-bestuurders en oud-raadsleden aan wie over de periode 2000 tot en met 19 april 2013 wachtgeld is uitgekeerd. Gelet op de omstandigheid dat het college aanvankelijk de namen van de desbetreffende oud-wethouders had geanonimiseerd en die namen alsnog bij brieven van 20 en 24 november 2014 openbaar heeft gemaakt, heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond was. Voor het standpunt van het college dat het verstrekken van de namen van de oud-wethouders geen openbaarmaking is als bedoeld in artikel 3 van de Wob, omdat [appellant] informatieve vragen heeft gesteld, bestaat geen grond. Anders dan in de uitspraak van 7 augustus 2013 in zaak nr. 201209981/1/A3, waarnaar het college ter toelichting van dat standpunt in het besluit van 19 december 2014 heeft verwezen, heeft [appellant] verzocht om documenten.

Het betoog slaagt.

4. [appellant] betoogt verder dat het college ten onrechte niet de door hem gevraagde documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven, openbaar heeft gemaakt. In bezwaar heeft hij te kennen gegeven dat zijn verzoek ziet op financiële documenten uit de administratie, zoals voornoemde documenten. Het college had dit moeten zien als een verduidelijking van zijn verzoek, nu hij daarmee concreet heeft gemaakt welke documenten hij graag openbaar gemaakt wilde. Het college had volgens [appellant] deze verduidelijking bij de behandeling van het bezwaar behoren te betrekken en de documenten in de door hem gewenste vorm dienen te verstrekken. Het had zonder nadere motivering dan ook niet mogen volstaan met de informatie waarom hij heeft gevraagd openbaar te maken in een overzicht, aldus [appellant]. Verder heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet over meer documenten beschikt dan het reeds openbaar gemaakt heeft. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verwerking van de wachtgeldbetalingen aan Loyalis heeft uitbesteed, dat alles daarbij digitaal gaat en er daarbij geen documenten aan te pas komen. Het college heeft daarmee volgens [appellant] evenwel miskend dat ook een elektronisch document een document is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob. Volgens [appellant] mag met de wijze van gegevensverwerking van het college geen afbreuk worden gedaan aan zijn aanspraken op openbaarheid. Ter toelichting verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2005 in zaak nr. 200409392/1. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat bepaalde documenten niet onder hem berusten, betoogt [appellant] dat bescheiden over de salarisadministratie bij het college zeven jaar dienen te worden bewaard. Dit volgt volgens hem uit paragraaf 3.2 van de Vaststelling selectielijst gemeentelijke en intergemeentelijke organen vanaf 1 januari 1996 actualisatie (Stcrt. 2012, 11906) en blz. 17 van de Systematische opsomming van voor bewaring en vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden die bij die selectielijst is gevoegd. Ook de administratie van de wachtgelduitkering aan oud-wethouders valt hieronder, aldus [appellant]. Nu die administratie naar het college stelt zich bij Loyalis bevindt, had het college die bij Loyalis moeten opvragen. Het college had namelijk al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is moeten doen om die documenten alsnog te achterhalen, aldus [appellant] onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2009 in zaak nr. 200809495/1/H3.

4.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, heeft het college het bezwaar van [appellant] ten onechte niet als nadere invulling van zijn verzoek beschouwd.

4.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in zaak nr. 200409392/1 valt ook een computerbestand waarin gegevens worden bijgehouden aan te merken als een document in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob waarop het bepaalde in artikel 3 van de Wob van toepassing is.

Het college heeft in het verweerschrift in hoger beroep niet toegelicht op welke wijze de digitale communicatie met Loyalis verloopt. Het is evenmin ter zitting verschenen. Aldus heeft het college zijn standpunt dat van de digitale communicatie met Loyalis geen documenten bestaan, niet gemotiveerd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat van de communicatie met Loyalis wel digitale documenten bestaan.

Voor zover het college zich in het thans bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de gegevens waarom [appellant] heeft verzocht digitaal worden verwerkt en daarom niet onder de Wob vallen, geldt dat dit gelet op de uitspraak in zaak nr. 200409392/1 geen stand kan houden.

[appellant] betoogt verder terecht dat de desbetreffende documenten onder het college behoren te berusten. Uit paragraaf 3.2 van de Vaststelling selectielijst voor archiefbescheiden van gemeentelijke en intergemeentelijke organen opgemaakt of ontvangen vanaf 1 januari 1996 (Stcrt. 2005, 247), paragraaf 3.2 van de Vaststelling selectielijst gemeentelijke en intergemeentelijke organen vanaf 1 januari 1996 actualisatie en blz. 17 van de Systematische opsomming van voor bewaring en vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden die bij die selectielijst is gevoegd, volgt dat documenten over de salarisadministratie zeven jaar dienen te worden bewaard. Hieronder vallen ook documenten die zien op de betaling van wachtgeld aan oud-wethouders.

Het college heeft de digitale documenten ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van het verzoek om openbaarmaking van [appellant].

Het betoog slaagt.

5. Het beroep is gegrond. Het besluit van het college van 19 december 2014 komt wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:3, 7:11, tweede lid, en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 19 december 2013 (lees: 2014), kenmerk BZ/PB verzoek dhr. [appellant];

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

IV. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

622.