Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201407389/3/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:9358, Overig
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407389/3/V1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2014 in zaak nr. 14/2741 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter eerder verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij gedurende het hoger beroep moet worden behandeld als ware zij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 19 oktober 2015 in zaak nr. 201407389/2/V1 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.

2. Een herhaald verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kan slechts aanleiding geven tot een hernieuwde rechterlijke beoordeling van het verzoek, indien de vreemdeling nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren brengt die een dergelijke beoordeling rechtvaardigen.

3. Het thans voorliggende verzoek verschilt slechts in zoverre van het verzoek waarop de voorzieningenrechter bij voormelde uitspraak van 19 oktober 2015 heeft beslist, dat de vreemdeling thans aanvoert dat zij beoogt te bewerkstellingen dat haar wordt toegestaan arbeid te verrichten om in het levensonderhoud van haar en haar kinderen te kunnen voorzien.

4. De vreemdeling heeft met haar stelling dat er mogelijkheden voor haar bestaan om te werken en dat er aanbiedingen zijn waarvan zij gebruik kan maken, niet gestaafd dat zij op korte termijn in staat is arbeid te verrichten. Reeds daarom doet zich in dit opzicht geen spoedeisend belang voor als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

5. Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding thans tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 19 oktober 2015.

6. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Borman w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2015

488-787.