Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201506076/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding Makado Schagen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506076/2/R1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Schagen,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding Makado Schagen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 oktober 2015, waar de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Mooij,

M. Bes, E. Franke en J. Kaandorp, allen werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een uitbreiding van het winkelcentrum Makado in het centrum van Schagen. Deze uitbreiding bedraagt 3600 m² aan bedrijfsvloeroppervlak. Het bedrijfsvloeroppervlak aan supermarkt mag niet meer dan 800 m² bedragen.

3. De raad betoogt dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. [verzoeker] is weliswaar eigenaar en verhuurder van twee winkelpanden, maar nu de panden voor meerdere doeleinden kunnen worden verhuurd en de huurders van het pand niet hebben aangegeven zich in het plangebied te willen vestigen, is dit volgens de raad onvoldoende om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

3.1. [verzoeker] is eigenaar en verhuurder van een winkelpand aan de [locatie 1]. In dit pand is een supermarkt gevestigd. Hij is tevens eigenaar en verhuurder van een winkelpand aan de [locatie 2]. In dit pand is een fietsenwinkel gevestigd. Beide panden worden derhalve verhuurd ten behoeve van detailhandel. Daarnaast liggen beide panden op een afstand van ruim 300 m van het plangebied. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de activiteiten van [verzoeker] betrekking hebben op hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als de in het plan voorziene bedrijvigheid. Weliswaar hebben de huurders van de panden niet te kennen gegeven zich in het plangebied te willen vestigen, maar nu zij in hetzelfde marksegment en verzorgingsgebied werkzaam zijn, is het niet uitgesloten dat het plan de verhuurbaarheid van de panden nadelig zal beïnvloeden. Voor zover de raad naar voren heeft gebracht dat [verzoeker] geen belanghebbende is, omdat de winkelpanden ook voor andere doeleinden dan detailhandel kunnen worden gebruikt, overweegt de voorzieningenrechter dat dit onverlet laat dat de voorziene uitbreiding van het winkelcentrum nadelige gevolgen kan hebben voor de verhuurbaarheid van de panden. Gelet op het vorenstaande verwacht de voorzieningenrechter niet dat het beroep van [verzoeker] in de bodemzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het plan. Hij betoogt dat het plan is gebaseerd op verouderde onderzoeken naar de behoefte aan de uitbreiding van het winkelcentrum. Volgens [verzoeker] zijn actuele trends in de bevolkingsgroei en het toenemend internetgebruik door consumenten niet bij het onderzoek betrokken. Hij vreest dat het plan zal leiden tot leegstand in het centrum van Schagen. In dit verband wijst [verzoeker] erop dat uit een rapport van het Bureau stedelijke planning van de provincie volgt dat er geen ruimte bestaat voor uitbreiding van het winkelbestand. Hij heeft verder aangevoerd dat het plan ten onrechte niet is voorgelegd aan de Regionale Adviescommissie (hierna: RAC). [verzoeker] vreest onomkeerbare gevolgen als het plan in werking treedt en verzoekt om het treffen van een voorlopige voorziening.

4.1. Ten behoeve van het plan is ruimtelijk-economisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Ruimtelijk-economisch onderzoek Makado Schagen" van 25 juni 2014 (hierna: het ruimtelijk-economisch onderzoek). Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van CBS-cijfers uit 2014, cijfers van Locatus uit 2014, cijfers van het hoofdbedrijfschap Detailhandel uit 2013 en het Koopstromenonderzoek Randstad uit 2011. In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de raad het ruimtelijk-economisch onderzoek niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De raad heeft uiteengezet dat de ontwikkelingen ten aanzien van internetverkoop en de demografische ontwikkelingen bij de in het onderzoek gehanteerde cijfers zijn betrokken.

4.2. Uit het ruimtelijk-economisch onderzoek volgt dat er in het centrum van Schagen een indicatieve uitbreidingsruimte is van ongeveer 8400 m² voor niet-dagelijkse goederen. [verzoeker] heeft dit niet bestreden. Ten aanzien van de dagelijkse goederen staat in het ruimtelijk-economisch onderzoek vermeld dat maximaal 800 m² aan uitbreiding van een supermarkt niet zal leiden tot onaanvaardbare leegstand. In het onderzoek van het Bureau stedelijke planning van de provincie, waar [verzoeker] naar verwijst, staat vermeld dat er voor dagelijkse goederen geen uitbreidingsruimte is. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat met de uitbreiding van de supermarkt wordt beoogd door schaalvergroting meer ruimte te bieden aan de bestaande winkels. De uitbreiding van de bestaande supermarkt is daarmee volgens de raad hoofdzakelijk kwalitatief van aard. Met de uitbreiding wordt door het realiseren van onder andere bredere gangpaden en een groter aantal kassa's ingespeeld op de behoefte van consumenten aan meer comfort. Bovendien betekent de enkele omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling eventueel zal leiden tot overaanbod in een bepaalde branche niet dat deze ontwikkeling onaanvaardbare leegstand tot gevolg zal hebben. De raad stelt zich in dit verband op het standpunt dat ook in het geval het plan zal leiden tot een dusdanig overaanbod van supermarkten dat één van de supermarkten failliet zal gaan, hetgeen volgens hem niet het geval is, dit geen onaanvaardbare leegstand tot gevolg zal hebben. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de raad onjuist is.

4.3. Ten aanzien van het betoog omtrent de RAC stelt de voorzieningenrechter vast dat in het "Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020" staat vermeld dat bij de grote hoofdwinkelcentra, waartoe het centrum van Schagen volgens dit beleid behoort, detailhandelsplannen groter dan 3000 m² netto winkelvloeroppervlak (hierna: wvo) voor advisering aan de RAC dienen te worden voorgelegd. Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat hij dit beleid als zijn eigen beleid toepast. Het plan voorziet in maximaal 3600 m² bedrijfsvloeroppervlak. Uit het rapport "Ruimtelijk-economisch onderzoek Makado Schagen" volgt dat het wvo ongeveer 80% van het bedrijfsvloeroppervlak bedraagt. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat dit een standaardformule betreft waarmee het wvo wordt berekend. Op grond van deze formule voorziet het plan in 2880 m² wvo. Nu het voorziene wvo onder de in het beleid opgenomen grens van 3000 m² blijft, ziet de voorzieningenrechter hierin geen grond voor het oordeel dat het plan aan de RAC diende te worden voorgelegd.

5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, griffier.

w.g. Koeman w.g. Brand

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015

575.