Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201503115/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2015 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij aan [appellant] geen dwangsom is verschuldigd wegens niet-tijdig beslissen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 8:75a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/202
JOM 2016/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503115/2/A3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 maart 2015 in zaak nr. 14/3603 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij aan [appellant] geen dwangsom is verschuldigd wegens niet-tijdig beslissen.

Bij besluit van 29 juli 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 24 december 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [appellant] alsnog gegrond verklaard en de hoogte van de verschuldigde dwangsom vastgesteld.

Bij brief van 16 januari 2015 heeft [appellant] het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 30 maart 2015 heeft de rechtbank de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 122,50. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het derde lid wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), wordt bij de uitspraak het bedrag ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief vastgesteld.

Ingevolge het derde lid kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.

Ingevolge de bijlage, onder C, is de wegingsfactor 1 voor een zaak met een gemiddeld gewicht en 0,25 voor een zaak met een zeer licht gewicht.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

2.1. Gelet op artikel 7:15, derde lid, van de Awb, beslist het bestuursorgaan bij de beslissing op het bezwaar op het verzoek om vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar. In het besluit op bezwaar van 24 december 2014 heeft de staatssecretaris geen vergoeding voor kosten van de behandeling van het bezwaar toegekend. [appellant] heeft het beroep tegen dat besluit op bezwaar ingetrokken en de rechtbank verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de kosten die hij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft gemaakt. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank de toegekende proceskostenvergoeding ten onrechte heeft vastgesteld op basis van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C 1 van de bijlage bij het Bpb. Daartoe voert hij aan dat de zaak zeer bewerkelijk was en hij uitvoerig met de staatssecretaris heeft gecorrespondeerd.

3.1. De behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Een situatie als aan de orde, waarin uitsluitend dient te worden beoordeeld of de beslistermijn is overschreden en een dwangsom is verbeurd, is grond om af te wijken van de wegingsfactor 1 (gemiddeld). Niet het aantal en de omvang van de door de gemachtigde opgestelde documenten zijn doorslaggevend voor het oordeel of de zaak bewerkelijk is, maar het gewicht van de zaak en de activiteiten die de gemachtigde in dat kader heeft moeten verrichten. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in dit geval de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) voor het instellen van beroep op zijn plaats is.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep van [appellant] is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2015

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

176-798.