Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3400

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201505777/1/R4 en 201505777/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied - [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505777/1/R4 en 201505777/2/R4.

Datum uitspraak: 27 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied - [locatie]" vastgesteld.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] (hierna: de maatschap) een omgevingsvergunning verleend voor het verlengen van een bestaande ligboxenstal, het bouwen van een afleverplaats voor dieren, het verplaatsen van een mestplaat en het realiseren van een aantal sleufsilo's.

De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar [appellant] en anderen, bij monde van [twee gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door J. Kleefstra, werkzaam bij RHO-adviseurs, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.J. Spoelstra, gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de situering van het bouwvlak voor het perceel [locatie] (hierna: het perceel). De wijziging van de situering van het bouwvlak maakt onder meer de door de maatschap gewenste verlenging van de bestaande ligboxenstal mogelijk.

[appellant] en anderen wonen allen in de kern Oude Leije. De bewoners aan de Arjen Roelswei hebben vrij zicht op de bedrijfsbebouwing op het perceel. De kortste afstand tussen de woningen en het nieuwe bouwvlak is ongeveer 100 meter. Het perceel wordt via de Arjen Roelswei ontsloten. [appellant] en anderen kunnen zich niet met het wijzigingsplan verenigen. Zij vrezen dat de uitbreiding van het bedrijf een negatieve invloed zal hebben op hun woonomgeving.

3. Het wijzigingsplan vindt zijn grondslag in het door de raad van de gemeente Het Bildt bij besluit van 12 mei 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied". Blijkens de verbeelding van het bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan kan het college het plan wijzigen in dié zin dat een aangegeven bouwperceel, bij gelijkblijvende oppervlakte, qua situering wordt gewijzigd, met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak, mits:

1. er een bedrijfstechnische noodzaak is om ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, of het opslaan van mest, hooibalen en/of andere agrarische producten, de situering van het bouwperceel/-vlak te wijzigen;

2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Procedureel bezwaar

5. [appellant] en anderen betogen dat de geboden mogelijkheid tot inspraak betekenisloos was, omdat de informatieavond pas na het nemen en het bekendmaken van de besluiten is georganiseerd. Daarnaast is de maatschap niet in gesprek gegaan met omwonenden.

5.1. Het college heeft op grond van de coördinatieregeling in artikel 3.30 en 3.31 van de Wro de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd. In dat kader zijn verzoekers in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen over de ontwerpbesluiten. Van die mogelijkheid hebben zij ook gebruik gemaakt. Het college heeft aldus de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd. De omstandigheid dat eerst na het nemen van de besluiten een informatieavond is georganiseerd, heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat, zoals [appellant] en anderen stellen, tussen de maatschap en omwonenden tijdens de procedure geen overleg heeft plaatsgevonden, heeft evenmin gevolgen voor de rechtmatigheid van de besluiten. Het plegen van overleg door een initiatiefnemer met omwonenden maakt immers geen deel uit van de wettelijk voorgeschreven procedure. Het komt er op neer dat inspraak en overleg mochten, maar niet moesten. Daarom faalt het betoog.

Bedrijfstechnische noodzaak

6. [appellant] en anderen betogen dat niet wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat een bedrijfstechnische noodzaak aanwezig moet zijn voor de wijziging van het bouwvlak. Een uitbreiding ten behoeve van de opslag van stro zien zij niet als bedrijfstechnische noodzaak. Een keuze voor een uitbreiding met een geringere hoogte binnen het bestaande bestemmingsplan en bouwvlak is bovendien goedkoper. Bij recent uitgevoerde bouwplannen had het bedrijf qua inrichting al rekening kunnen houden met een toekomstige uitbreiding, aldus [appellant] en anderen.

6.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bedrijfstechnische noodzaak aanwezig is om ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen en het opslaan van agrarische producten de situering van het bouwvlak te wijzigen. Aan de besluiten ligt ten grondslag dat in de loop van de tijd het aantal op het perceel gehuisveste dieren is toegenomen tot het op grond van de in 2007 verleende milieuvergunning maximaal toegelaten aantal van 150 stuks jongvee en 250 stuks melkvee. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college feitelijk onjuist is. Dit rundvee is momenteel verspreid over het perceel gehuisvest. Aannemelijk is dat door herhuisvesting van deze dieren in één ligboxenstal logistiek een verbeterde bedrijfssituatie wordt gecreëerd. Daartoe dient de bestaande ligboxenstal te worden verlengd, welke uitbreiding niet kan worden gerealiseerd binnen het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak. In de nieuwe situatie is aan de gehele oostzijde van de ligboxenstal het melkvee en de melkput voorzien en aan de westzijde van de ligboxenstal het jongvee en de opslag van stro. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding van het oordeel dat het wijzigingsplan in strijd met artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder c, sub 1, van de regels van het bestemmingsplan is vastgesteld. Het betoog faalt.

Gevolgen voor de omgeving

7. [appellant] en anderen betogen dat de uitbreiding van het bedrijf een negatieve invloed heeft op de woonomgeving rondom het bedrijf. Zij voeren aan dat de uitbreiding van de ligboxenstal tot meer verkeersbewegingen zal leiden omdat na de uitbreiding meer dieren op het perceel kunnen worden gehuisvest. Hierdoor zal de ontsluitingsroute van het perceel, die via de dorpskern loopt, zwaarder worden belast. Zij stellen voor dat het bedrijf gebruik gaat maken van eigen terrein en alternatieve in- en uitritten zodat de dorpskern wordt ontlast van zwaar landbouwverkeer. Verder voeren zij aan dat het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak de historische lijnen volgt van het voormalige fiets- en voetpad van Oude Leije naar Oude Bildtzijl; met het wijzigingsplan wordt hieraan afbreuk gedaan. Voorts wordt door de uitbreiding van de ligboxenstal het uitzicht vanuit hun woningen verder beperkt en leidt deze uitbreiding tot een toename van de reeds ervaren geurhinder. Ten slotte voeren zij aan dat de in de uitbreiding voorziene 80 dakramen zullen leiden tot extra lichthinder.

7.1. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor onder 6.1 heeft overwogen, ligt aan de besluiten ten grondslag dat op het perceel reeds het op grond van de verleende milieuvergunning maximaal toegelaten aantal van 150 stuks jongvee en 250 stuks melkvee aanwezig is en dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit standpunt van het college feitelijk onjuist is. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de ligboxenstal niet zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de oppervlakte van het bouwvlak en de maximaal toegelaten bedrijfsbebouwing niet wijzigt ten opzichte van het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding hoeven zien om, zoals [appellant] en anderen hebben voorgesteld, het gebruik van de huidige ontsluitingsweg te beperken of te voorzien in een alternatieve ontsluiting.

7.2. Wat betreft het voormalige fiets- en voetpad hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat dit een beschermingswaardige cultuurhistorische waarde betreft. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat ter zitting is gebleken dat dit fiets- en voetpad in de huidige situatie al wordt onderbroken door het bedrijf van de maatschap. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit voormalige fiets- en voetpad niet aan de vaststelling van het plan in de weg staat.

7.3. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de mogelijk gemaakte uitbreiding van de ligboxenstal weliswaar zal leiden tot een beperking van het bestaande uitzicht van [appellant] en anderen, maar dat deze beperking, gelet op de lengte van de uitbreiding van ongeveer 40 meter en de kortste afstand tussen de woningen in de kern Oude Leije en het nieuwe bouwvlak van ongeveer 100 meter, niet onaanvaardbaar is. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat ingevolge artikel 2 van de regels van het wijzigingsplan binnen één jaar na gereedmelding van de gebouwen er sprake dient te zijn van realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing, zoals weergegeven in bijlage 4 bij de toelichting. Verder bestaat evenmin aanleiding voor de verwachting dat de geurhinder als gevolg van de verlenging van de stal zodanig zal toenemen dat onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie van [appellant] en anderen.

7.4. Wat betreft de door [appellant] en anderen gestelde extra overlast van nachtverlichting heeft het college toegelicht dat in het bestemmingsplan al een gebruiksregel is opgenomen ten aanzien van de lichtuitstraling vanuit de gevels in de nachtelijke uren waaraan in ieder geval voldaan moet worden. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder q, van de regels van bestemmingsplan wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend: het gebruik van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, zodanig dat, indien de lichtsterkte in de bedrijfsgebouwen meer dan 150 lux bedraagt, de lichtuitstraling vanuit de gevels van de bedrijfsgebouwen tussen 20.00 uur en 6.00 uur met minder dan 90% wordt gereduceerd. Aangezien de beperking van de lichtuitstraling vanuit de gevels ook gevolgen heeft voor de lichtuitstraling vanuit de dakramen bieden de planregels een voldoende waarborg dat lichthinder tot een minimum beperkt blijft, aldus het college. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op grond van artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder q, van de regels van bestemmingsplan op het standpunt heeft kunnen stellen dat de extra lichthinder als gevolg van het wijzigingsplan beperkt zal zijn.

7.5. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onevenredige afbreuk zal doen aan de in artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder c, sub 2, van de regels van het bestemmingsplan genoemde waarden. Het aangevoerde geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college zich, na afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wijziging van het bouwvlak uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd is. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

8. [appellant] en anderen betogen dat niet blijkt dat in de nieuwe situatie kan worden voldaan aan het grondgebondenheidsuitgangspunt in relatie tot de afzet van mest op eigen grond.

8.1. Het betoog is niet feitelijk onderbouwd en bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college op voorhand had moeten inzien dat het bedrijf in de nieuwe situatie niet aan de toepasselijke meststoffenregelgeving zal kunnen voldoen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat aan de besluiten ten grondslag ligt dat het op grond van de verleende milieuvergunning maximaal toegelaten aantal van 400 stuks rundvee reeds op het perceel aanwezig is. Het betoog faalt.

Overige bezwaren

9. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de uitbreiding ertoe zal leiden dat de verkoopbaarheid van de twee te koop staande kavels aan de Arjen Roelswei negatief wordt beïnvloed, overweegt de voorzieningenrechter dat geen grond bestaat voor de verwachting dat de waardevermindering van die kavels zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt. Met dit oordeel heeft de voorzieningenrechter zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb van toepassing is.

10. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat buiten het bouwvlak reeds een nieuwe silo is gerealiseerd, overweegt de voorzieningenrechte dat dit een kwestie van handhaving betreft, dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

11. Het beroep is ongegrond.

12. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Boer

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015

745.