Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201506618/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 30 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Dijckerwaal fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506618/2/R6.

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], gevestigd te ‘s-Gravenzande, en anderen (hierna: [verzoeker sub 1] en anderen),

2. [verzoeker sub 2], gevestigd te ‘s-Gravenzande, en haar vennoten,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Dijckerwaal fase 1" vastgesteld (hierna gezamenlijk: het besluit).

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ABB Ontwikkeling BV en anderen (hierna: ABB) en [koper] en anderen (hierna: de kopers) een nader stuk ingediend.

[verzoeker sub 2], [verzoeker sub 1] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar zijn verschenen [verzoeker sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, vergezeld door [gemachtigde], [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels, voornoemd, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, E. den Hollander en O. van der Kaaij, beiden werkzaam bij de gemeente, vergezeld door H. van Zeijl, werkzaam bij Goudappel Coffeng, en ing. E. van Klaveren, werkzaam bij Waalpartners. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord ABB, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, advocaat te Rotterdam, vergezeld door [gemachtigde] en [gemachtigde], werkzaam bij Mobycon, Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland B.V., vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, voornoemd, vergezeld door [gemachtigde], en de kopers, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, voornoemd.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan maakt de bouw van maximaal 145 woningen tussen de kernen ’s-Gravenzande en Naaldwijk mogelijk. Het is bedoeling van het gemeentebestuur om tussen deze kernen uiteindelijk een woongebied met in totaal 1.200 woningen te realiseren. Dit plan betreft de eerste fase van dat woongebied.

De tijdelijke ontsluitingsweg van het plangebied is voorzien aan de westzijde van het plangebied. Daarvoor is aan een deel van de in het plangebied gelegen gronden een verkeersbestemming toegekend. Deze verkeersbestemming sluit aan op het bedrijventerrein Teylingen met de bedoeling, zo lang er geen definitieve ontsluitingsweg richting de Naaldwijkseweg is gerealiseerd, de woningen te ontsluiten via dit bedrijventerrein. [verzoeker sub 1] en anderen, die hun bedrijf hebben op dit terrein, verzetten zich tegen de voorziene ontsluiting van het plangebied via het bedrijventerrein. Zij vrezen schade en nadeel te ondervinden van een toename van particulier verkeer over het bedrijventerrein.

Voor de bouw van de woningen dient een deel van de in het plangebied gelegen watergangen te worden gedempt en dienen nieuwe watergangen te worden gegraven. [verzoeker sub 2] grenst met zijn bedrijf aan de noordzijde van het plangebied. Hij verzet zich tegen het plan omdat hij vreest dat hij in de nieuwe situatie en als gevolg van de vergravingen geen voor zijn kassenteelt bruikbaar water meer zal kunnen oppompen uit een waterlichaam, omdat niet is verzekerd dat de nieuwe watergang voldoende doorstromend water zal kennen.

Spoedeisend belang

3. Voor zover de raad de spoedeisendheid van het verzoek aan de orde stelt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De inwerkingtreding van het bestreden plan heeft tot gevolg dat omgevingsvergunningen voor de aanleg van de ontsluitingsweg en de bouw van de woningen op grondslag van dit plan kunnen worden verleend. De kopers van de woningen hebben ter zitting ook te kennen gegeven dat zij vanwege de door hen aangegane financiële verplichtingen jegens derden een spoedeisend belang hebben bij de inwerkingtreding van het plan en het op grondslag hiervan verlenen van de omgevingsvergunningen. De voorziene woningen kunnen vooralsnog enkel ontsloten worden over de voorziene ontsluitingsweg over het bedrijventerrein. Aannemelijk is dat [verzoeker sub 1] en anderen de feitelijke gevolgen hiervan zullen ondervinden. Verder is van de zijde van de raad ter zitting toegelicht dat de eerste grondwerkzaamheden in het gebied al kort na de inwerkingtreding van het plan zullen beginnen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang aanwezig is.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

4. [verzoeker sub 2] voert aan dat het bedrijf afhankelijk is van het kunnen oppompen van gietwater uit doorstromend water en dat dit water momenteel wordt gehaald uit een watergang achter het bedrijf die in verbinding staat met de Poelwatering. Ter uitvoering van het plan zullen de bestaande sloten rondom het bedrijf worden gedempt en zal de waterinlaat van het bedrijf aan een nieuw te graven doodlopende aansluiting op het stilstaande water van de Nieuwe Vaart komen te liggen, aldus [verzoeker sub 2]. Hierdoor heeft het bedrijf na realisatie van het plan geen aansluiting meer op doorstromend water dat in verbinding staat met de Poelwatering, hetgeen gevolgen heeft voor de kwaliteit van het gietwater. Daartoe voert [verzoeker sub 2] aan dat het bedrijf ligt in een gebied dat gevoelig is voor zoute kwel, zodat bij stilstaand water door verdamping van water verzilting plaatsvindt. Gebruik van dergelijk gietwater leidt tot schade aan de geteelde planten. [verzoeker sub 2] heeft er dan ook belang bij dat de verbinding met de Poelwatering ter hoogte van de waterinlaat gehandhaafd blijft.

4.1. De raad heeft onder verwijzing naar het door Waalpartners civil engineering opgestelde rapport "Reactie beroepschrift BP Dijckerwaal" van 7 oktober 2015 (hierna: Waalpartners-rapport) toegelicht dat zowel tijdens de aanleg van de nieuwe watergang achter het bedrijf van [verzoeker sub 2] als na realisatie van deze nieuwe watergang de door [verzoeker sub 2] gewenste verbinding met de Poelwatering in stand blijft. Ter zitting is naar voren gekomen dat het plan niet in de weg staat aan de in het Waalpartners-rapport gepresenteerde wijze van uitvoering. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoeker sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat met het betreffende plandeel en de voorziene wijze van uitvoering onvoldoende aan zijn belangen tegemoet wordt gekomen. [verzoeker sub 2] heeft zich naar aanleiding van het Waalpartners-rapport weliswaar nog op het standpunt gesteld dat in de voorziene wijze van uitvoering duikers worden aangelegd waardoor de doorstroming van het water zal verminderen, maar uit het Waalpartners-rapport volgt dat de doorstroming van het water in de nieuwe situatie niet verslechtert ten opzichte van de huidige situatie omdat duikers met een voldoende breedte zullen worden gebruikt. [verzoeker sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop heeft de raad zich voorshands in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat binnen de gegeven planologische kaders een zodanige wijze van uitvoering van de grondwerkzaamheden mogelijk is dat voldoende aan de belangen van [verzoeker sub 2] wordt tegemoetgekomen.

Het verzoek van [verzoeker sub 1] en anderen

Ladder duurzame verstedelijking

5. [verzoeker sub 1] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en het provinciaal en gemeentelijk beleid is vastgesteld, aangezien niet is onderbouwd dat behoefte bestaat aan een reguliere woonwijk met een hoge woningdichtheid. Verder blijkt niet dat is onderzocht of de realisatie van de woningen binnen bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, aldus [verzoeker sub 1] en anderen.

5.1. In het vorige voor de gronden geldende bestemmingsplan "Het Nieuwe Water", vastgesteld door de raad op 26 mei 2009, was aan de gronden de bestemming "Woongebied, park en water (uit te werken)" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.2.1.1 moet het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder b, van de Wro deze bestemming uitwerken met inachtneming van de in dit artikel geformuleerde regels. Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder a, geldt daarbij het programmatische uitgangspunt dat binnen de bestemming ten minste 1000 zullen en ten hoogste 1200 woningen mogen worden gebouwd.

5.2. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad in paragraaf 3.1 van de plantoelichting onder verwijzing naar diverse regionale beleidsdocumenten, waaronder het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020, en gemeentelijke beleidsdocumenten, waaronder de Structuurvisie Westland 2025, uiteen heeft gezet dat sprake is van een actuele regionale behoefte aan de voorziene woningen en dat aan deze behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Daargelaten of in dit geval sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling - het vorige plan voorziet voor een groter gebied reeds in een uitwerkingsplicht voor de bouw van 1.000 tot 1.200 woningen en biedt daarmee een planologisch onbenutte mogelijkheid (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, zaak nr. 201401417/1/R1, r.o. 5.5) - ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de uiteenzetting in paragraaf 3.1 van de plantoelichting niet voldoet aan de hieraan in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro gestelde eisen. Wat betreft het betoog dat de kwalitatieve behoefte aan de voorziene woningen ontbreekt, neemt de voorzieningenrechter hierbij in aanmerking dat in paragraaf 2.2.2 staat dat binnen de regio Haaglanden afspraken zijn gemaakt over de verdeling van woonmilieus en dat voor het plangebied geldt dat nieuwbouw voornamelijk gezocht moet worden binnen het woonmilieu ‘Dorps’. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat inmiddels 87% van de te realiseren 143 woningen is verkocht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, of provinciaal of gemeentelijk beleid van dezelfde strekking is vastgesteld.

Artikel 3.2 van de Wro

6. [verzoeker sub 1] en anderen betogen dat de tijdelijke ontsluitingsweg in strijd met artikel 3.2 van de Wro is, aangezien niet aan de vereiste tijdelijkheid wordt voldaan. Onduidelijk is immers welk tracé de definitieve ontsluiting zal hebben, zodat de in artikel 3.2 van de Wro genoemde termijn van 5 jaar onhaalbaar is.

6.1. Ingevolge artikel 3.2 van de Wro kunnen bij een bestemmingsplan voorlopige bestemmingen worden aangewezen en met het oog hierop voorlopige regels worden gegeven. Een voorlopige bestemming geldt voor een daarbij te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar.

6.2. De ontsluitingsweg is in het bestemmingsplan niet aangewezen als voorlopige bestemming en de raad heeft toegelicht dat hij ook niet heeft beoogd een voorlopige bestemming toe te kennen aan de gronden waarop de ontsluitingsweg is voorzien. De gestelde strijd met artikel 3.2 van de Wro doet zich dan ook niet voor.

De Bedrijventerreinenvisie 2013-2020

7. [verzoeker sub 1] en anderen betogen dat het plan in strijd met de Bedrijventerreinenvisie 2013-2020, in het bijzonder hoofdstuk 4, is vastgesteld. Daarin is immers vastgelegd dat particulier verkeer zoveel mogelijk moet worden weggehouden van bedrijventerreinen. In dit plan wordt juist alle particulier verkeer uit de woonwijk over het bedrijventerrein geleid.

7.1. Op pagina 15 van de Bedrijventerreinenvisie staat dat een planologisch kader wordt gesteld voor de inpassing van publieksfuncties op bedrijventerreinen zonder dat hinder ontstaat voor bedrijfsfuncties. Bedrijventerreinvreemde functies worden in drie stappen beoordeeld. Eerst wordt gekeken of de functie in aanmerking komt. Vervolgens wordt bezien of het bedrijventerrein in aanmerking komt. De laatste stap is de inpassing op het bedrijventerrein. De stappen worden alle drie in de Bedrijventerreinenvisie tot een hoog detailniveau uitgewerkt.

7.2. Nu uit de Bedrijventerreinenvisie volgt dat deze betrekking heeft op de vestiging van publieksfuncties op bedrijventerreinen, is deze naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet van toepassing op het voorliggende plan. Dit plan voorziet immers niet in de vestiging van publieksfuncties op een bedrijventerrein. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Bedrijventerreinenvisie is vastgesteld.

Verkeersaspecten

7.3. [verzoeker sub 1] en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft laten doen naar de gevolgen van ontsluiting van het plangebied over het bedrijventerrein. Volgens hen bevat het door de raad aan zijn besluit ten grondslag gelegde door Goudappel Coffeng opgestelde rapport "Bedrijventerrein Teylingen, definitieve en tijdelijke ontsluiting" van 7 april 2015 (hierna: GC1-rapport) onjuistheden en leemten in kennis. Ter onderbouwing van hun betoog hebben zij het door BVA Verkeersadviezen opgestelde rapport "Second opinion verkeersstructuur bedrijventerrein Teylingen" van augustus 2015 (hierna: BVA1-rapport) overgelegd. In reactie hierop heeft raad het door Goudappel Coffeng opgestelde rapport "Reactie op second opinion verkeersstructuur BVA verkeersadviezen" van 9 oktober 2015 (hierna: GC2-rapport) overgelegd en hebben ABB en de kopers het door Mobycon opgestelde memo "Dijckerwaal fase 1 en Teylingen VI" van 9 oktober 2015 overgelegd. Vervolgens hebben [verzoeker sub 1] en anderen het door BVA Verkeersadviezen opgestelde rapport "Reactie op Mobycon en Goudappel Coffeng" van 12 oktober 2015 (hierna: BVA2-rapport) in het geding gebracht.

Kort weergegeven houdt de kritiek van [verzoeker sub 1] en anderen in hoofdzaak in dat Goudappel Coffeng van een te lage verkeersgeneratie als gevolg van het plan is uitgegaan. Wat betreft de verkeersstructuur en verkeersafwikkeling wordt onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden op het bedrijventerrein. Verder wordt de aanwezigheid van kwetsbare verkeersdeelnemers in het gebied onderschat en is de voorgestelde herinrichting van het kruispunt Lorentzstraat - Fultonstraat onvoldoende verkeersveilig. Daarnaast leidt de voorgestelde wijziging van het parkeerregime tot een tekort aan parkeerplaatsen op het bedrijventerrein, aldus [verzoeker sub 1] en anderen.

7.4. De tijdelijke verkeersontsluiting op het bedrijventerrein Teylingen loopt via de route Wattstraat, Fultonstraat en Lorentzstraat. In het GC1-rapport wordt aanbevolen deze route aan te wijzen als wijkverzamelweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Daarnaast wordt onder meer aanbevolen het parkeren van vrachtwagens op de Lorentzstraat te verbieden en de aansluiting van de Lorentzstraat op de Fultonstraat aan te passen. De raad heeft toegelicht dat de aanbevelingen uit het GC1-rapport worden overgenomen en dat daartoe een aantal verkeersbesluiten zullen worden genomen.

7.5. Bij de beoordeling van de beroepsgronden stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 145 woningen. Dit brengt mee dat slechts ter beoordeling voorligt of deze 145 woningen op een passende wijze kunnen worden ontsloten over de voorziene tijdelijke ontsluitingsroute over het bedrijventerrein. Weliswaar is het de kennelijke bedoeling van het gemeentebestuur om in de toekomst meer woningen in het gebied te realiseren, maar bij de vaststelling van de daarvoor benodigde plannen dient steeds te worden bezien of de in die plannen voorziene woningen passend kunnen worden ontsloten. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat het voorontwerp van de volgende fase inmiddels aan de overlegpartners is gezonden en dat daarin tevens de beoogde definitieve ontsluiting van het woongebied op de Naaldwijkseweg is voorzien, waarvoor de raad bij besluit van 16 september 2015 het benodigde krediet heeft verstrekt.

7.6. In de tabel op pagina 8 van het GC1-rapport zijn de in 2030 verwachte verkeersintensiteiten op de wegen op het bedrijventerrein weergegeven. In het GC2-rapport is uiteengezet dat daarbij voor de verkeersgeneratie als gevolg van het plan is uitgegaan van 5,7 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm) per woning, derhalve in totaal 825 mvt/etm. In het BVA1-rapport wordt daarentegen berekend dat het plan zal leiden tot 1.000 tot 1.200 mvt/etm. Zowel Goudappel Coffeng als BVA hebben hun berekening gebaseerd op een publicatie van het CROW. De omstandigheid dat Goudappel Coffeng en BVA op verschillende verkeersintensiteiten uitkomen, geeft voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het GC1-rapport in redelijkheid niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de tabel op pagina 8 van het GC1-rapport volgt dat ook indien wordt uitgegaan van de door BVA berekende verkeersintensiteit het totaal aantal verkeersbewegingen ruim binnen de door Goudappel Coffeng gehanteerde norm van maximaal 6.000 mvt/etm blijft.

7.7. In het GC1-rapport staat dat bij een maximumsnelheid van 30 km/u op de ontsluitingsroute en een inrichting als wijkverzamelweg er geen verkeerskundige bezwaren bestaan tegen het toestaan van maximaal 6.000 mvt/etm, hetgeen volgens het Westlands Verkeer en vervoersplan de norm is voor wijkverzamelwegen. In de rapporten van BVA staat dat Goudappel Coffeng er, door uit te gaan van een norm van 6.000 mvt/etm, onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat op het bedrijventerrein sprake is van direct op de openbare weg ontsloten bedrijvigheid met veel bevoorradend verkeer en bijbehorende kriskrasrelaties. In reactie daarop is in het GC2-rapport uiteengezet dat de wegen op het bedrijventerrein bestaan uit rijbanen van 7 meter breed en dat parkeren en laden en lossen in het algemeen plaatsvindt op eigen terrein of naast de rijbaan. Uit het GC2-rapport volgt dat Goudappel Coffeng de door BVA gestelde omstandigheden op het bedrijventerrein in ogenschouw heeft genomen en de norm van 6.000 mvt/etm bij een maximumsnelheid van 30 km/u aanvaardbaar vindt. Het GC2-rapport bevestigt in zoverre het GC1-rapport. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat de raad zich niet op basis van het GC1-rapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbare hinder voor de bedrijven en het particulier verkeer langs de ontsluitingsroute zal ontstaan.

7.8. Wat betreft de veiligheid van kwetsbare verkeersdeelnemers, wordt in het GC1-rapport geadviseerd om gebruik te maken van de reeds langs het bedrijventerrein gelegen vrijliggende fietspaden. Voorts wordt aanbevolen de fietsroute langs de Edisonstraat te verbeteren en een nieuw fietspad langs de sportvelden aan te leggen. In reactie op het BVA1-rapport, waarin staat dat de oversteekbaarheid van wegen door kwetsbare verkeersdeelnemers niet is onderzocht, is in het GC2-rapport uiteengezet dat met de ondernemers op het bedrijventerrein wordt gesproken over een aanpassing van het als onoverzichtelijk aangemerkte kruispunt Wattstraat - Stephensonstraat en dat met het nemen van aanvullende maatregelen in de toekomstige situatie geen gevaar voor de verkeersveiligheid bestaat. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op basis van het GC1-rapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontsluiting van het plangebied uit een oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is. Voor zover [verzoeker sub 1] en anderen zich nog richten tegen de voorgestelde herinrichting van de kruising Lorentzstraat - Fultonstraat overweegt de voorzieningenrechter dat uit het BVA2-rapport volgt dat hiertegen geen overwegende bezwaren meer bestaan.

7.9. In het GC1-rapport wordt geconcludeerd dat de Lorentzstraat te smal is voor een wijkverzamelweg inclusief parkeren. Uit parkeertellingen uit maart 2015 volgt echter dat er sprake is van een lage parkeerdruk van vrachtwagens op de rijbaan. In het GC1-rapport wordt daarom aanbevolen parkeren aan de Lorentzstraat te verbieden. In het GC2-rapport staat dat in reactie op het BVA1-rapport opnieuw parkeertellingen zijn gedaan in september 2015 en dat deze bevestigen dat er na het instellen van een parkeerverbod aan de Lorentzstraat voldoende parkeerruimte op het bedrijventerrein resteert. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op basis van het GC1-rapport in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de te treffen maatregelen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare parkeerdruk op het bedrijventerrein. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat de te vervallen parkeercapaciteit langs de Lorentzstraat volledig zal worden gecompenseerd.

7.10. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het GC1-rapport, zoals aangevuld in het GC2-rapport, zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat de raad dit rapport niet in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De raad heeft zich op grond daarvan op het standpunt kunnen stellen dat er zodanige maatregelen kunnen worden genomen dat het plangebied op een verkeerskundig aanvaardbare wijze, zonder onaanvaardbare hinder voor de op het terrein gevestigde bedrijven, kan worden ontsloten over het bedrijventerrein Teylingen.

Definitieve ontsluitingsweg

8. [verzoeker sub 1] en anderen betogen dat de definitieve ontsluitingsweg tevens in dit plan had moeten worden opgenomen. Nu van een integrale besluitvorming geen sprake is, heeft de raad zich geen gedegen oordeel kunnen vormen over de impact van het bestemmingsplan op de omgeving, aldus [verzoeker sub 1] en anderen.

8.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.10 is overwogen, heeft de raad zich op grond van het GC1-rapport, zoals aangevuld in het GC2-rapport, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, zo lang de definitieve ontsluitingsweg nog niet is gerealiseerd, de voorziene 145 woningen op aanvaardbare wijze over het bedrijventerrein Teylingen kunnen worden ontsloten. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het plan kunnen vaststellen zonder daarin de definitieve ontsluitingsweg op te nemen.

Procedurele aspecten

9. Voor zover [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] en anderen betogen dat de raad de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) in een te laat stadium van toepassing heeft verklaard, overweegt de voorzieningenrechter dat de toepasselijkheid van de Chw uit de wet zelf volgt en niet afhankelijk is van een besluit van de raad.

10. Wat betreft het betoog dat de raad in strijd met een bestendige gedragslijn geen mogelijkheid tot inspraak heeft geboden, overweegt de voorzieningenrechter dat het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een eventuele inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan.

Conclusie en proceskosten

11. In hetgeen [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Gelet hierop, en na afweging van alle betrokken belangen, bestaat aanleiding de verzoeken af te wijzen.

12. Ten aanzien van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van ABB bestaat evenmin aanleiding voor vergoeding van de gemaakte proceskosten, nu het verzoek wordt afgewezen en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die desondanks aanleiding geven voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Wijker-Dekker

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015

745.