Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201502528/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:1841, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [wederpartij] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden € 547,00 per maand terugbetaalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 26
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 28
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/217

Uitspraak

201502528/1/A2.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2015 in zaak nr. 14/7611 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Gouda,

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [wederpartij] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden € 547,00 per maand terugbetaalt.

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2014 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2015, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.G.P. Glas, advocaat te Gouda, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij beschikkingen van 15 september 2012 en 18 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] toe te kennen kinderopvangtoeslag definitief op nihil gesteld. Derhalve dient [wederpartij] het bedrag aan ontvangen kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 terug te betalen. In verband daarmede heeft zij aan de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is de terugvordering te wijten aan grove schuld van [wederpartij] en daarom heeft de dienst een betalingsregeling vastgesteld waarbij de volledige schuld in 24 maandelijkse termijnen van € 547,00 dient te worden terugbetaald. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen allereerst in aanmerking genomen dat [wederpartij] desgevraagd geen bewijs heeft overgelegd dat zij in de desbetreffende jaren gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en voorts dat zij in reactie op verzoeken om informatie van de Belastingdienst/Toeslagen heeft aangegeven dat zij geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in hoger beroep op het nadere standpunt gesteld dat [wederpartij] vanaf het moment dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet, op 2 april 2010, geen grove schuld kan worden tegengeworpen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft toegezegd dat voor zover de schuld betrekking heeft op na die datum uitgekeerde voorschotten, een persoonlijke betalingsregeling zal worden vastgesteld.

2. Ingevolge de artikelen 26 en 28 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) moet, indien een herziening van een tegemoetkoming of van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zes weken terugbetalen. In artikel 31 van de Awir wordt de mogelijkheid gegeven om nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. De mogelijkheid tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling is volgens het zesde lid van deze bepaling echter niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner. In een zodanig geval kan een belanghebbende alleen een beroep doen op de regeling van artikel 79.8a van de Leidraad Invordering 2008 en kan de Belastingdienst/Toeslagen onder omstandigheden een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan. In die periode dient de volledige schuld te worden voldaan. Bij de uitleg van de begrippen opzet en grove schuld zoekt de Belastingdienst/Toeslagen aansluiting bij de tekst van paragraaf 2, eerste en tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, waarin het volgende staat:

"1. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

2. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan."

3. De rechtbank heeft ten aanzien van toeslagjaar 2009 geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank heeft daarbij - samengevat weergegeven - overwogen dat [wederpartij] onweersproken heeft gesteld dat een maatschappelijk werkster, die werkzaam was voor een instantie die door de gemeente van haar woonplaats was aangewezen om haar te begeleiden in een door die gemeente verplicht gesteld reïntegratietraject, misbruik heeft gemaakt van haar DigiD-code. Volgens de rechtbank hoefde [wederpartij], gezien de situatie waarin zij verkeerde, geen rekening te houden met misbruik van haar DigiD. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de voorschotten niet aan [wederpartij] zijn uitbetaald en dat zij er ook geen wetenschap van had dat voorschotten werden uitbetaald. Ten aanzien van toeslagjaar 2010 heeft de rechtbank overwogen dat dit jaar niet meer in geschil is, omdat de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 15 mei 2014 een persoonlijke betalingsregeling heeft getroffen.

4. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt allereerst terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek van [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over 2010 niet meer in geschil is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 15 mei 2014 geen persoonlijke betalingsregeling getroffen voor de kinderopvangtoeslag over 2010.

Hoewel het betoog terecht is voorgedragen, kan het niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] geen grove schuld aan het ontstaan van de schuld kan worden tegengeworpen. De Belastingdienst/Toeslagen stelt zich op het standpunt dat [wederpartij] wel grove schuld kan worden tegengeworpen, omdat [wederpartij] kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd terwijl zij geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is het door [wederpartij] gestelde misbruik van haar DigiD door een maatschappelijk werkster, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet van belang. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2014 in zaak nr. 201308898/1/A2) volgt dat indien een aanvraag om kinderopvangtoeslag met DigiD is ondertekend, de Belastingdienst/Toeslagen het er voor mag houden dat de aanvraag is ingediend door de aanvrager of door iemand aan wie hij zijn DigiD ter beschikking heeft gesteld. Aangezien de gebruikersnaam en het wachtwoord voor DigiD strikt persoonlijk zijn, is de aanvraag ook in het laatste geval aan de aanvrager toe te rekenen. Gelet daarop kan de aanvraag, ook als [wederpartij] deze niet heeft gedaan, aan haar worden toegerekend. Bovendien kon zij ervan op de hoogte zijn dat zij kinderopvangtoeslag ontving doordat besluiten daarover aan haar zijn toegezonden, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

5.1. In geval de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling afwijst vanwege opzet of grove schuld, is het aan de Belastingdienst/Toeslagen om aannemelijk te maken dat de belanghebbende opzet of grove schuld aan het ontstaan van de terugvordering kan worden tegengeworpen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen daarin niet is geslaagd. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

De Belastingdienst/Toeslagen wijst er op zichzelf terecht op dat de aanvraag in het onderhavige geval met de DigiD van [wederpartij] is ondertekend en daarom aan haar kan worden toegerekend. Dat dient in deze procedure, die slechts ziet op het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling, als vaststaand te worden aangenomen. Dit doet er niet aan af dat de omstandigheden van het geval waaronder [wederpartij] haar DigiD aan een ander heeft verschaft van belang zijn voor de beoordeling of haar opzet of grove schuld kan worden tegengeworpen.

[wederpartij] heeft gesteld dat zij in 2008 een reïntegratietraject volgde en dat haar dochter daarom kinderopvang genoot bij [kindercentrum]. Het door de gemeente ingeschakelde reïntegratiebureau heeft [wederpartij] over kinderopvang geadviseerd en heeft voor haar een DigiD-code aangevraagd om een aanvraag om kinderopvangtoeslag over 2008 te kunnen indienen. In december 2008 is [wederpartij] in verband met een zwangerschap gestopt met het reïntegratietraject en is ook de kinderopvang gestopt. Ter zitting heeft [wederpartij] desgevraagd te kennen gegeven dat de aanvraag om kinderopvangtoeslag over 2009 niet door haar is ingediend en dat zij daar ook geen weet van had. Nu de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting desgevraagd te kennen heeft gegeven dat uit onderzoek blijkt dat het rekeningnummer waarnaar de voorschotten zijn overgemaakt met grote waarschijnlijkheid dat van [kindercentrum] is en ter zitting bovendien is komen vast te staan dat in elk geval een aan [wederpartij] gericht besluit van 16 februari 2012 is verzonden naar een onjuist adres, is niet onaannemelijk dat [wederpartij] geen weet heeft gehad van de aan haar betaalde voorschotten.

Gelet op het voorgaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [wederpartij] grove schuld heeft aan het ontstaan van de terugvordering.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Van Dokkum

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

480-799.