Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201410398/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:5940, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de burgemeester geweigerd [bedrijf A] een vergunning voor het exploiteren van [bedrijf B] aan de [locatie] te Laren alsmede een drank- en horecavergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf aldaar te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/450 met annotatie van Mr. drs. B. van der Vorm
Module Horeca 2016/2693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410398/1/A3.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Gouden Leeuw B.V., gevestigd te Soesterberg, gemeente Soest,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 november 2014 in zaak nr. 14/313 in het geding tussen:

[appellant A] en De Gouden Leeuw

en

de burgemeester van Laren.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de burgemeester geweigerd de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BeauBourg Laren B.V. een vergunning voor het exploiteren van de openbare inrichting BeauBourg aan de Brink 20 te Laren alsmede een drank- en horecavergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf aldaar te verlenen.

Bij besluit van 9 december 2013 heeft de burgemeester het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is ingediend door [appellant A] en ongegrond verklaard voor zover het is ingediend door De Gouden Leeuw.

Bij uitspraak van 12 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant A] en De Gouden Leeuw daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en De Gouden Leeuw hoger beroep ingesteld.

[appellant A] en De Gouden Leeuw hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2015, waar [appellant A] en De Gouden Leeuw, in de persoon van [appellant A] en bijgestaan door mr. J.G. Kabalt en mr. J. Nagtegaal, beiden advocaat te Breukelen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, werkzaam bij de BEL Combinatie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden: de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden: de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 27, derde lid, kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.

Ingevolge artikel 2.28, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Laren 2010 is het in Laren en Eemnes verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. [ appellant A] is bestuurder en grootaandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hege Groep Holding BV. Deze vennootschap is enig bestuurder en aandeelhouder van De Gouden Leeuw. De Gouden Leeuw was ten tijde van belang eigenaar van het bedrijfspand aan de Brink 20 te Laren. Zij heeft met BeauBourg een overeenkomst gesloten voor de verhuur van dit pand en een koopovereenkomst met betrekking tot de goodwill en roerende zaken van dit pand. BeauBourg wilde een horecabedrijf exploiteren in dit pand.

3. De burgemeester heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering van de exploitatievergunning en drank- en horecavergunning ten grondslag gelegd dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbaar voordelen te benutten. Op grond van adviezen van het Bureau Bibob van 18 januari en 21 mei 2013 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat BeauBourg in relatie staat tot door [appellant A] gepleegde strafbare feiten, nu [appellant A] door het verstrekken van een achtergestelde lening aan BeauBourg ten bedrage van € 125.000,00 vermogen heeft verschaft aan deze vennootschap. [appellant A] is bij vonnis van 6 december 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden wegens het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van gewoontewitwassen en het deelnemen aan een organisatie met als oogmerk het plegen van strafbare feiten. Voorts heeft de Financial Intelligence Unit drie transacties als verdacht aangemerkt en de indicator 'witwassen' meegegeven. Met de strafbare feiten is groot financieel voordeel behaald. Het onderzoek door het Bureau heeft zorgvuldig plaatsgevonden en de adviezen van het Bureau zijn deugdelijk onderbouwd, zodat geen aanleiding bestaat de adviezen niet te volgen, aldus de burgemeester.

De burgemeester heeft het bezwaar, voor zover het is gemaakt door [appellant A], niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [appellant A] als enig aandeelhouder van de Hege Groep Holding slechts een afgeleid belang heeft en derhalve geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij de weigering van de vergunningen.

4. [ appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester het bezwaar, voor zover dat door hem is gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1. Het besluit van 11 juni 2013 is, evenals het besluit van 9 december 2013, in belangrijke mate gebaseerd op gedragingen die [appellant A] - al dan niet als directeur of aandeelhouder van diverse vennootschappen - heeft verricht. Reeds daarom is het belang van [appellant A] rechtstreeks bij deze besluiten betrokken (uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011 in zaak nr. 201102309/1/H3; www.raadvanstate.nl). De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de burgemeester [appellant A] terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt en het bezwaar, voor zover het door [appellant A] is gemaakt, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

5. [ appellant A] en De Gouden Leeuw betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. De burgemeester heeft in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende kennis vergaard over de strafrechtelijke veroordeling van 6 december 2012, waartegen [appellant A] hoger beroep heeft ingesteld. De strafzaak zag op opbrengsten die op zichzelf legaal waren, maar waarover ten onrechte geen belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw) zou zijn betaald. Voor zover al voordelen zijn verkregen uit strafbare feiten, zijn die voordelen in elk geval tenietgegaan doordat [appellant A] op grond van een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst € 450.000,00 heeft betaald aan die dienst. Bovendien is er een aanzienlijk tijdsverloop tussen de strafbare feiten en de weigering van de vergunningen, nu de vermeende strafbare feiten dateren uit de periode 2004 tot en met 2007. Voorts zijn ten onrechte drie als verdacht aangemerkte transacties relevant geacht bij de vaststelling van de voordelen.

Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant A] en De Gouden Leeuw ten onrechte overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat BeauBourg in relatie staat tot de strafbare feiten waarvoor [appellant A] is veroordeeld. De Gouden Leeuw is niet daadwerkelijk opgetreden als financier van BeauBourg, aangezien de in de koopovereenkomst opgenomen achtergestelde lening van De Gouden Leeuw aan BeauBourg kort na het sluiten van de koopovereenkomst is kwijtgescholden. De ING-bank heeft met deze kwijtschelding ingestemd, aldus [appellant A] en De Gouden Leeuw. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat De Gouden Leeuw deel uitmaakte van de financieringsconstructie, heeft zij niet daadwerkelijk vermogen verschaft aan BeauBourg.

Verder betogen [appellant A] en De Gouden Leeuw dat bij het bepalen van de mate van gevaar in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Wet bibob moet worden meegewogen dat [appellant A] slechts voor een gedeelte van het tenlastegelegde strafrechtelijk is veroordeeld en dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk is, zodat er een minder ernstig vermoeden is in de zin van die bepaling. Daarnaast houden de strafbare feiten geen enkel verband met de activiteiten waarvoor BeauBourg vergunningen heeft aangevraagd, zodat niet valt in te zien hoe de aangevraagde vergunningen konden worden gebruikt om de verkregen voordelen te benutten. Ook wijzen zij erop dat de in het pand alsmede de bij de aankoop van de aandelen van De Gouden Leeuw geïnvesteerde bedragen inzichtelijk zijn, zodat onbegrijpelijk is hoe de voordelen via de exploitatie van het pand zouden kunnen worden benut. Zij voeren in dit verband aan dat het feit dat [appellant A] vermogen zou hebben verschaft aan BeauBourg, niet duidt op een hechte relatie tussen [appellant A] en BeauBourg. Ten slotte is van belang dat de grootte van de verkregen voordelen, in elk geval na de vaststellingsovereenkomst, heel gering is, aldus [appellant A] en De Gouden Leeuw.

5.1. Uit strafbare feiten verkregen voordeel

Vaststaat dat [appellant A] bij vonnis van 6 december 2012 is veroordeeld tot veertien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen en het deelnemen aan een organisatie die het plegen van strafbare feiten tot oogmerk heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis en de veroordeling derhalve nog niet onherroepelijk is, niet maakt dat de burgemeester niet van deze veroordeling mocht uitgaan en op basis daarvan aannemelijk mocht achten dat [appellant A] de betrokken strafbare feiten heeft begaan. In het door [appellant A] en De Gouden Leeuw aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de burgemeester onvoldoende kennis heeft vergaard over de strafrechtelijke veroordeling. [appellant A] en De Gouden Leeuw kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat de strafrechtelijke procedure in de kern slechts gaat over de vraag of op zichzelf legale leveringen terecht zijn aangemerkt als intracommunautaire leveringen waarvoor geen btw is verschuldigd. In een gedeelte van het vonnis van de strafrechter dat ook in de adviezen van het Bureau is aangehaald, is immers vermeld dat [appellant A] in georganiseerd verband gebruik heeft gemaakt van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van btw te ontlopen en gelden wit te wassen. Het uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordeel bestaat daarom ook niet slechts uit de niet-afgedragen btw, maar ook uit de witgewassen gelden.

In de adviezen van het Bureau is vermeld dat het uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordeel ongeveer € 1.500.000,00 is. Bij de bepaling van de omvang van het voordeel is rekening gehouden met het feit dat [appellant A] reeds een gedeelte van het op grond van de vaststellingsovereenkomst aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag van € 450.000,00 had voldaan. Met de betaling van dit bedrag is derhalve slechts een gedeelte van het voordeel tenietgegaan. Het tijdsverloop tussen enerzijds de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd en anderzijds het besluit van 9 december 2013 is voorts - mede gezien de grootte van de verkregen voordelen - niet zodanig lang dat de rechtbank had moeten oordelen dat de burgemeester ervan uit diende te gaan dat het verkregen voordeel ten tijde van het besluit niet meer kon worden benut.

5.2. Relatie tussen [appellant A] en BeauBourg

In de tussen De Gouden Leeuw en BeauBourg op 13 augustus 2012 gesloten koopovereenkomst is vermeld: "De koopsom van de goodwill en roerende zaken is door partijen in zorgvuldig onderling overleg vastgesteld op € 450.000,-- […], waarvan € 125.000,-- […] als achtergestelde lening wordt verstrekt in een apart op te stellen akte door verkoper." Voorts is in de eveneens op 13 augustus 2012 ondertekende kredietverleningsovereenkomst tussen de ING-bank en BeauBourg vermeld dat diverse zekerheden dienen te worden gevestigd, waaronder achterstelling door De Gouden Leeuw van een lening van € 125.000,00. Op dezelfde datum zijn de overeenkomsten en aktes van achterstelling van de lening van € 125.000,00 ondertekend. Bij overeenkomst van 28 september 2012 heeft De Gouden Leeuw de achtergestelde lening kwijtgescholden. Gedurende de procedure hebben [appellant A] en De Gouden Leeuw omstandig uiteengezet dat de koopprijs na onderhandelingen aanvankelijk was bepaald op € 450.000,00, voor dit bedrag krediet was aangevraagd bij de ING-bank, na verdere onderhandelingen de koopprijs is vastgesteld op € 325.000,00, ter spoedige verkrijging van het krediet bij de ING-bank op papier - en in strijd met de waarheid - is vastgehouden aan een koopprijs van € 450.000,00 waarvan € 125.000,00 als achtergestelde lening werd verstrekt, deze lening op zeer korte termijn na het sluiten van de overeenkomst - in overeenstemming met de bedoeling van partijen - is kwijtgescholden en dat de ING-bank met deze kwijtschelding heeft ingestemd.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hebben [appellant A] en De Gouden Leeuw gedurende deze procedure verschillende lezingen gegeven van de wijze van totstandkoming van voormelde overeenkomsten en de bedoelingen die partijen daarmee zouden hebben gehad. Daargelaten wat de daadwerkelijke gang van zaken en de daadwerkelijke bedoeling van partijen is geweest, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester niet - in navolging van de adviezen van het Bureau - mocht uitgaan van hetgeen in de tussen partijen gesloten en nadien nimmer gewijzigde overeenkomsten is vermeld. Het komt voor rekening en risico van [appellant A] en De Gouden Leeuw dat deze overeenkomsten, naar gesteld, in strijd met de werkelijke situatie en bedoelingen zijn. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester zich op grond van de overeenkomsten op het standpunt mocht stellen dat [appellant A] deel uitmaakte van de financieringsconstructie tussen de ING-bank en BeauBourg en aldus via de Hege Groep Holding en De Gouden Leeuw aan BeauBourg vermogen heeft verschaft in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob. Dat De Gouden Leeuw geen vermogen heeft verschaft door bijvoorbeeld een geldbedrag over te maken op een bankrekening van BeauBourg, doet hier niet aan af.

5.3. Mate van gevaar

De strafrechtelijke veroordeling van [appellant A] behoort niet tot de in artikel 3, tweede lid, onder a, van de Wet bibob bedoelde feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, maar tot de daarin bedoelde feiten en omstandigheden die erop wijzen dat dit het geval is. Omdat wegens de strafrechtelijke veroordeling geen vermoeden voorligt, is de rechtbank in navolging van de burgemeester in zoverre terecht niet ingegaan op de ernst van het vermoeden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b. Dat [appellant A] in de strafrechtelijke procedure gedeeltelijk is vrijgesproken, is voor de mate van gevaar ook overigens niet bepalend, aangezien in deze procedure slechts de strafbare feiten zijn betrokken waarvoor hij is veroordeeld.

Bij de vaststelling van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, dient ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, te worden bezien of de strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd. Ingevolge het tweede lid is een dergelijk verband tussen de strafbare feiten en de activiteiten waarvoor de beschikking is aangevraagd, niet vereist bij de vaststelling van de mate van gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder a. Het met strafbare feiten verkregen voordeel kan in beginsel bij alle activiteiten worden benut. Aangezien in deze zaak artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is toegepast, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester ten onrechte niet heeft bezien hoe het uit strafbare feiten verkregen voordeel in dit geval kan worden benut door het exploiteren van een horecaonderneming door BeauBourg.

In de omstandigheid dat de burgemeester voor de relatie tussen [appellant A] en BeauBourg slechts de verschaffing van vermogen bepalend heeft geacht, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester heeft miskend dat tussen [appellant A] en BeauBourg slechts een zeer indirecte relatie bestaat. Daartoe is niet alleen van belang dat de achtergestelde lening een tamelijk groot bedrag betreft, maar tevens dat de overgelegde e-mails en gespreksverslagen er blijk van geven dat [appellant A] en de vertegenwoordigers van BeauBourg in nauw onderling overleg de wijze van financiering hebben vormgegeven. [appellant A] en De Gouden Leeuw kunnen daarom niet worden gevolgd in hun stelling dat [appellant A] nauwelijks bij BeauBourg en bij de exploitatie van het horecabedrijf door BeauBourg was betrokken.

Zoals reeds onder 5.1 is overwogen, bedraagt het met de strafbare feiten verkregen voordeel volgens het advies van het Bureau ongeveer € 1.500.000,00 en is daarbij rekening gehouden met het bedrag dat op grond van de vaststellingsovereenkomst aan de Belastingdienst was betaald. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester dit voordeel groot mocht achten.

5.4. Conclusie ten aanzien van ernstig gevaar

Gelet op al hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om voordeel te benutten dat is verkregen uit strafbare feiten waarvoor [appellant A] bij vonnis van 6 december 2012 is veroordeeld. Hetgeen [appellant A] en De Gouden Leeuw over de drie als verdacht aangemerkte transacties hebben aangevoerd, kan buiten beschouwing blijven, aangezien deze niet aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag zijn gelegd.

De betogen falen.

6. Verder betogen [appellant A] en De Gouden Leeuw dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van de vergunningen niet evenredig is met de ernst van de strafbare feiten en daarom in strijd is met artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob. Voorts betogen zij dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel, omdat zij door de weigering onevenredig zwaar worden getroffen. In dat verband voeren zij aan dat met de burgemeester altijd goed contact is onderhouden over de eerdere exploitatie van een horecagelegenheid in het pand aan de Brink 20. Ook toen de strafbare feiten reeds waren begaan, had de burgemeester geen bezwaren tegen de exploitatie van de horecagelegenheid. Mede gezien de grote financiële gevolgen van de weigering van de vergunning, had de burgemeester slechts minder verstrekkende maatregelen - zoals het vragen van waarborgen op financieel terrein - mogen nemen, aldus [appellant A] en De Gouden Leeuw.

6.1. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob vereist niet dat de weigering van vergunningen evenredig is met de ernst van de strafbare feiten, maar dat de weigering evenredig is met de mate van gevaar. Zoals onder 5.4 is overwogen, mocht de burgemeester zich op het standpunt stellen dat in dit geval ernstig gevaar bestaat. Met de rechtbank ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat de weigering van de vergunningen niet evenredig is met de mate van gevaar in de zin van artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob.

6.2. [appellant A] en De Gouden Leeuw hebben niet aannemelijk gemaakt dat de burgemeester reeds voorafgaand aan de zogenoemde tip van de officier van justitie op de hoogte was of had moeten zijn van de door [appellant A] gepleegde strafbare feiten en het daaruit verkregen voordeel. De stelling dat altijd goede contacten met de burgemeester zijn onderhouden en hij voorafgaand aan de nu voorliggende weigering van vergunningen nooit bezwaar heeft gehad tegen de exploitatie van een horecagelegenheid in het aan [appellant A] toebehorende pand aan de Brink 20 in Laren, is reeds daarom niet van belang bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient de weigering van de vergunningen het algemeen belang om te voorkomen dat de overheid het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordelen faciliteert. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester de grote financiële gevolgen die de weigering van de vergunningen voor [appellant A] en De Gouden Leeuw heeft niet onevenredig behoefde te achten in verhouding tot voormeld algemeen belang.

Het betoog faalt.

7. Ten slotte betogen [appellant A] en De Gouden Leeuw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weigering van de vergunningen niet in strijd is met het in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb neergelegde verbod op vooringenomenheid en het in artikel 3:3 neergelegde verbod om een bevoegdheid voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor die is verleend. Zij voeren aan dat de burgemeester reeds voorafgaand aan de totstandkoming van de adviezen van het Bureau en derhalve ook reeds voorafgaand aan het besluit van 11 juni 2013 aan BeauBourg heeft medegedeeld dat de vergunningen mogelijk zouden worden geweigerd wegens betrokkenheid van [appellant A] bij strafbare feiten. Voorts is het niet onaannemelijk dat het de burgemeester er alles aan is gelegen om te bewerkstelligen dat [appellant A] en De Gouden Leeuw niet meer bij de exploitatie van het pand aan de Brink 20 betrokken zijn, aldus [appellant A] en De Gouden Leeuw.

7.1. Over de inhoud van de door [appellant A] en De Gouden Leeuw gestelde contacten tussen de burgemeester en BeauBourg is niets vast komen te staan. Ook indien tot uitgangspunt wordt genomen dat de burgemeester, naar is gesteld, BeauBourg er reeds vroegtijdig op heeft gewezen dat de vergunningen mogelijk zouden worden geweigerd wegens betrokkenheid van [appellant A] bij strafbare feiten, heeft dat de rechtbank terecht niet geleid tot het oordeel dat de burgemeester vooringenomen was. Voorts hebben [appellant A] en De Gouden Leeuw niet aannemelijk gemaakt dat de burgemeester beoogde dat zij niet meer betrokken zouden zijn bij de exploitatie van het pand aan de Brink 20. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het onder 4.1 overwogene is het hoger beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant A], gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant A], ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de burgemeester van 9 december 2013 in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:1, eerste lid, gelezen in verbinding met de artikelen 8:1 en 1:2, eerste lid, van de Awb, voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het tegen het besluit van 11 juni 2013 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

9. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant A], gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 november 2014 in zaak nr. 14/313, voor zover daarbij het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant A], ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant A], gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Laren van 9 december 2013, kenmerk zaak-8365 / 13.0016291, voor zover daarbij het bezwaar van [appellant A] niet-ontvankelijk is verklaard;

V. verklaart het tegen het besluit van de burgemeester van Laren van 11 juni 2013, kenmerk 2013-007920/LA, gemaakte bezwaar, voor zover het is gemaakt door [appellant A], ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt de burgemeester van Laren tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de burgemeester van Laren aan [appellant A] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 811,00 (zegge: achthonderdelf euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Herweijer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

640.