Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3385

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201410412/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlenging van een voorrangsverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201410412/1/A3.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2014 in zaak nr. 14/7333 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlenging van een voorrangsverklaring afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. L. Orie, juridisch adviseur te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 31, vierde lid, onder c, van de Regionale Huisvestingsverordening van het stadsgewest Haaglanden 2012

(hierna: Huisvestingsverordening) kan de duur van de voorrangsverklaring ten hoogste één maal worden verlengd, indien de woningzoekende na advies van de toetsingscommissie kan aantonen dat de voorrangsverklaring niet binnen de termijn waarvoor de voorrangsverklaring geldt kon worden benut én er niet sprake is van een (of meer) weigeringen van een passende woningaanbieding.

Ingevolge het bepaalde onder d dient een verzoek tot verlenging als bedoeld in het bepaalde onder c door de woningzoekende binnen twee weken na afloop van de geldigheidstermijn van de voorrangsverklaring te worden aangevraagd.

Ingevolge het vijfde lid kan het dagelijks bestuur uitvoeringsregels vaststellen voor het verlenen van een voorrangsverklaring aan woningzoekenden door het college.

Ingevolge artikel 60, tweede lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Volgens paragraaf 5.2 van de Uitvoeringsregels voorrangsbepaling stadsgewest Haaglanden 2014 moet de woningzoekende aantonen dat de voorrangspositie niet binnen de gestelde termijn kon worden benut.

De aanvrager van de verlenging verklaart/geeft aan dat in de regio voor hem geen passend woningaanbod is geadverteerd in de periode dat hij een voorrangspositie had. Wanneer de aanvrager (in het geheel) niet gereageerd heeft op het in de voorrangsperiode beschikbaar gekomen passende woningaanbod zonder dat er sprake is van overmacht in juridische zin, dan zal de voorrangspositie niet worden verlengd.

2. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 17 februari 2014 ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de voorrangsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, onder c, van de Huisvestingsverordening nu [appellant] van 29 juli 2013 tot 29 oktober 2013, de periode waarvoor de aan hem verleende voorrangsverklaring gold, niet heeft gereageerd op passend woningaanbod in de regio Haaglanden. Het college heeft aan dat besluit voorts ten grondslag gelegd dat [appellant] het verzoek om verlenging van de voorrangsverklaring niet binnen twee weken na afloop van de geldigheidstermijn van de voorrangsverklaring heeft aangevraagd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op dat standpunt mocht stellen. Hij voert daartoe aan dat hij wel degelijk heeft gereageerd op passend woningaanbod, maar dat hij slechts twee woningen per week hoefde te kiezen waarvan een aantal woningen achteraf ongeschikt bleek te zijn. Volgens [appellant] is voorts onvoldoende gemotiveerd dat hij niet optimaal heeft gereageerd op het woningaanbod. De door het college genoemde woningen waarop hij volgens het college had moeten reageren voldoen niet aan zijn zoekprofiel en zijn daarom niet passend. Volgens [appellant] zijn veel woningen uit medisch oogpunt niet geschikt en/of zijn deze te klein. [appellant] voert verder aan dat hij en zijn gezin zich in een zeer schrijnende situatie bevonden en dat persoonlijke omstandigheden eraan in de weg stonden om het verzoek om verlenging binnen twee weken na afloop van de geldigheidstermijn van de voorrangsverklaring in te dienen. Het college heeft in dat verband ten onrechte de hardheidsclausule uit de Huisvestingsverordening niet toegepast, aldus [appellant].

3.1. De Afdeling stelt voorop dat het aan de woningzoekende is om aan te tonen dat de voorrangsverklaring niet binnen de termijn waarvoor de voorrangsverklaring gold kon worden benut.

Het college heeft ter motivering van zijn standpunt dat [appellant] niet heeft gereageerd op passend woningaanbod erop gewezen dat tijdens de periode van voorrang passende woningen zijn geadverteerd, zoals de woningen aan de ’s-Gravenzandelaan 51, Vlierboomstraat 47, Valkenboslaan 199 en de Katerstraat 31, alle te Den Haag.

Vaststaat dat [appellant] niet op deze woningen heeft gereageerd. [appellant] heeft niet aangetoond dat deze woningen niet passend waren. De niet nader gemotiveerde stelling dat een aantal van deze woningen uit medisch oogpunt niet geschikt is, is daartoe onvoldoende. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de voorrangsverklaring reeds rekening gehouden is met de medische achtergronden van [appellant] door daarin expliciet op te nemen op welke woningtypen hij kon reageren. Voorts is de enkele stelling van [appellant] dat bij een aantal van deze woningen de inkomenseis niet duidelijk was en hij daarom niet op deze woningen heeft gereageerd daartoe eveneens onvoldoende, nu in de voorrangsverklaring duidelijk is opgenomen onder welke voorwaarden hij op welke woningtypen kon reageren.

De omstandigheid dat [appellant] slechts op twee woningen per week mocht reageren, kan geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat hij niet op deze woningen heeft gereageerd. Daartoe is van belang dat het college een lijst met woningen waarop [appellant] heeft gereageerd, heeft overgelegd en dat uit deze lijst volgt dat hij op andere woningen heeft gereageerd dan waarop de voorrangsverklaring ziet.

Aldus heeft [appellant] niet aangetoond dat de voorrangsverklaring niet binnen de termijn waarvoor deze gold kon worden benut. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college de verlenging van de voorrangsverklaring terecht heeft geweigerd, omdat [appellant] niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de voorrangsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, onder c, van de Huisvestingsverordening.

Nu het college reeds hierom de verlenging van de voorrangsverklaring mocht weigeren, behoeft het betoog dat het college ten onrechte in het kader van de termijnoverschrijding de hardheidsclausule uit de Huisvestingsverordening niet heeft toegepast geen bespreking.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

317-818.