Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201502100/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:1077, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het college [appellant] een boete van € 12.000,00 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502100/1/A3.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2015 in de zaken nrs. 14/7835 en 14/7836 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het college [appellant] een boete van € 12.000,00 opgelegd.

Bij besluit van 7 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Ruitenberg Segall, werkzaam bij Global Legal Service, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Franke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge het tweede lid wordt onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Ingevolge artikel 85a, eerste lid, kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid. Het college is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan € 18.500,00 voor overtreding van artikel 30, eerste lid.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 kan het college een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, legt het college voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid een boete op overeenkomstig kolom A van de in bijlage 5 opgenomen tabel.

In bijlage 5 is bij "onttrekken zonder vergunning" in kolom A een bedrag van € 12.000,00 opgenomen.

2. Het college heeft [appellant] een boete opgelegd voor overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet, omdat hij zijn woning aan de [locatie 1] te [plaats] (hierna: de woning) zonder vergunning van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte heeft omgezet door die aan meer dan het aantal toegestane personen in gebruik te geven, die wezenlijke voorzieningen zoals toilet en douche met elkaar moeten delen.

Het college heeft aan het in beroep bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Op 26 februari 2014 hebben toezichthouders een bezoek aan de woning en de woning aan de [locatie 2] te [plaats] gebracht, welke twee woningen onder een kap zijn gebouwd. Ook de woning aan de [locatie 2] is eigendom van [appellant]. De woning op [locatie 1] heeft zes kamers. Ten tijde van het bezoek stonden er zeven personen ingeschreven, te weten [persoon A], zijn vrouw [persoon B] en hun zoon, [persoon C] en haar kind en twee mannen die beiden [persoon D] heten. [persoon B] heeft verklaard dat zij en [persoon A] met hun zoon in de woning wonen. Ook heeft zij verklaard dat op de eerste etage een man woont, die een kamer heeft die via de buitentrap te bereiken is, en er een mevrouw [persoon E] slaapt. Toen [persoon B] werd verteld dat er twee mannen met de naam [persoon D] stonden ingeschreven, heeft zij verklaard dat de man misschien ook [persoon D] heet en zij hem nooit ziet omdat de trap naar zijn kamer buitenom gaat. Ook de vrouw ziet zij niet vaak. [persoon C] en haar kind wonen op [locatie 2], zo heeft [persoon B] verklaard. [appellant] heeft verklaard dat hij op [locatie 2] woont en tijdelijk in de woning op [locatie 1] woont, waar zijn kamer via de buitentrap te bereiken is. Hij woont daar totdat de grootouders, die tijdelijk op [locatie 2] wonen, weer terug naar Bulgarije zijn vertrokken. [persoon A] verklaarde dat er een man op de tweede verdieping van [locatie 1] woont. [appellant] verklaarde voorts tijdelijk de kamer te delen met [persoon D] en dat de helft van de kleding in de kast van hem is. Er lag post en administratie van [appellant] in de kamer. Later bleek dat ook [persoon C] met haar kind op [locatie 2] woont, aldus het in beroep betreden besluit.

Volgens dat besluit is de conclusie dat de woning op [locatie 2] is omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte gebaseerd op de verklaring van [persoon B], die wordt bevestigd door hetgeen [appellant] daarover heeft gezegd. De woning op [locatie 1] wordt door meer personen bewoond, waarbij steeds een exclusief gebruik is van een onzelfstandige woonruimte. De bewoners zijn afhankelijk van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte. Er is aldus geen inwoning, waarbij wordt verondersteld dat er een hoofdbewoner is die tevens verhuurder is, aldus het in beroep bestreden besluit.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het in beroep bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. In dat besluit wordt er ten onrechte van uitgegaan dat zeven personen stonden ingeschreven in de woning, terwijl [persoon C] en haar kind op [locatie 2] woonden. Verder werd de woning bewoond door een huishouden, te weten [persoon A], [persoon B] en hun zoon. De rechtbank heeft verder geen waarde gehecht aan de omstandigheid dat [persoon B] de verklaring die zij op 26 februari 2014 tegenover de toezichthouders heeft afgelegd, heeft ingetrokken. Zij heeft de verklaring gemeend af te moeten leggen vanwege de inschrijving van de heren [persoon D] in de woning, omdat zij meende dat zij moest doen alsof de heren [persoon D] in de woning woonden omdat zij er waren ingeschreven, waarbij zij ook nog mevrouw [persoon E] heeft opgevoerd vanwege de bewoning. De heer [persoon D] zou ten tijde van de controle in het afgescheiden deel van de woning wonen. Dit was evenwel niet juist en dat is [persoon B] ook uitgelegd, aldus [appellant]. De heren [persoon D] zijn ten onrechte in de woning ingeschreven gebleven. Nu [persoon B] haar verklaring heeft ingetrokken, mist het proces-verbaal van haar verklaring zijn grondslag. Verder hebben de toezichthouders geen foto’s genomen van de situatie ter plekke. Hij heeft daarvan wel foto’s overgelegd, maar de rechtbank is aan die foto’s voorbij gegaan, aldus [appellant]. De rechtbank is er ook aan voorbij gegaan dat het college zich in het in beroep bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat er niet alleen sprake was van bewoning door een huishouden dan wel een gezin met kinderen. Er mogen twee personen inwonen bij een huishouden. Nu [persoon C] en haar kind ten onrechte stonden ingeschreven in de woning, blijven er nog maar vijf bewoners over, waaronder [persoon A], [persoon B] en hun zoon die een huishouden vormen.

3.1. De verklaring van [persoon B] is opgenomen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 juli 2015 in zaak nr. 201410327/1/A1) terecht heeft overwogen, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Dat betekent in dit geval dat het bestuursorgaan en de voorzieningenrechter er in beginsel van uit mochten gaan dat de verklaring van [persoon B] juist is weergegeven. Ook betekent dit dat het college in beginsel mocht uitgaan van de waarnemingen van de toezichthouders die een bezoek aan de woning brachten, zoals weergegeven in hetzelfde proces-verbaal. Dat zij geen foto’s in de woning hebben genomen, is daarom niet van belang.

De rechtbank heeft terecht geen waarde gehecht aan de omstandigheid dat [persoon B] haar verklaring van 26 februari 2014 nadien heeft ingetrokken. Dat zij niet op de hoogte zou zijn van de personen die in de woning woonden, terwijl zij, naar [appellant] stelt, samen met [persoon A] en hun zoon een huishouden vormt dat in de woning woont en de overige bewoners van de woning bij hen inwonen, is niet geloofwaardig. Ook is niet van belang dat [persoon B] heeft verklaard dat een mevrouw [persoon E] in de woning woont, terwijl er slechts twee mannen met de naam [persoon D] zijn ingeschreven. [appellant] heeft niet alleen niet aannemelijk gemaakt dat die inschrijving onjuist is, maar van belang is ook dat [persoon B] ten overstaan van de toezichthouders op 26 februari 2014 over haar waarnemingen in de woning heeft verklaard en heeft verklaard dat er een vrouw genaamd [persoon E] in de woning woont, die zij niet vaak ziet.

Anders dan [appellant] betoogt, is aan het in beroep bestreden besluit niet ten grondslag gelegd dat [persoon C] en haar kind in de woning woonden. Slechts is vermeld dat zij volgens de Dienst Basis Informatie in de woning staan ingeschreven. Dat die inschrijving foutief is en er daarom nog maar vijf bewoners in de woning zouden wonen, maakt niet dat de woning niet kan zijn omgezet van zelfstandige in onzelfstandige bewoning.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college geen waarde hoefde te hechten aan de foto’s die [appellant] in bezwaar heeft overgelegd. Uit die foto’s volgt niet dat de woning niet is omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat [appellant] de woning zonder vergunning van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte heeft omgezet. Hierbij heeft het met juistheid de verklaringen van [persoon B], [persoon A] en [appellant], als weergegeven hiervoor onder 2, van belang geacht.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. In vergelijkbare gevallen wordt bij constatering van een overtreding niet direct een boete opgelegd, maar een last onder dwangsom. Was hem een last opgelegd, dan had hij de mogelijkheid gehad de situatie te legaliseren, nu uit paragraaf 5.2, onder het kopje Gebieden met lage marktdruk Osdorp, Slotervaart/Overtoomse Veld, Geuzenveld/Slotermeer, Noord en Zuidoost, van de Centraal stedelijke beleidsregels woningonttrekking, -samenvoeging en -omzetting (hierna: de beleidsregels) volgt dat in Slotermeer/Geuzenveld, waar de woning is gelegen, altijd een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet wordt verleend.

4.1. [appellant] heeft geen gevallen genoemd waarin bij vaststelling van overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet geen boete is opgelegd maar een last onder dwangsom. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

622.