Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201400745/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Buitengebied De Wolden, wijzigingsplan viaduct N377" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/754
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400745/1/R4.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Drogteropslagen, gemeente De Wolden,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Drogteropslagen, gemeente De Wolden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van De Wolden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Buitengebied De Wolden, wijzigingsplan viaduct N377" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] en het college van gedeputeerde staten van Overijssel hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2014, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. P. van Rossum, advocaat te Emmen, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2B], en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Overijssel, vertegenwoordigd door ing. V. Berk, werkzaam bij de provincie, en mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in de realisatie van een viaduct in de N377 ter plaatse van de kruising van de N377 met de weg Drogteropslagen, voor zover deze over het grondgebied van de gemeente De Wolden loopt.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2. [appellanten sub 1] voeren, naar de Afdeling begrijpt, aan dat in het plan ten onrechte niet is gewaarborgd dat het voorziene viaduct landschappelijk wordt ingepast. Zij wijzen op de omstandigheid dat zij vanuit hun woning aan de [locatie] te Drogteropslagen zicht hebben op het voorziene viaduct. In verband daarmee is het voor hun belangrijk dat het voorziene viaduct landschappelijk wordt ingepast.

2.1. Blijkens de verbeelding is aan het plangebied de bestemming "Verkeersdoeleinden" toegekend.

2.2. Ingevolge artikel 2 van de planregels zijn onverminderd het bij het plan bepaalde, de voorschriften bij het moederplan, te weten het bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden / artikel 30 WRO-herziening", van overeenkomstige toepassing op het plan. De voor "Verkeersdoeleinden" aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 27, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden / artikel 30 WRO-herziening" naast wegen bestemd voor onder meer sloten, bermen, beplanting en groenvoorzieningen. In de plantoelichting staat dat de N377 buiten de kernen loopt door een veenkoloniaal landschap met rechtlijnige en rationele verkavelingen. Het college van burgemeester en wethouders heeft toegelicht dat rekening is gehouden met die landschappelijke structuur door het voorziene viaduct te laten aansluiten bij de bestaande verkavelingsstructuur. Hiermee is het in het plan voorziene viaduct in ruimtelijk opzicht voldoende ingepast in het landschap, aldus het college van burgemeester en wethouders. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in het plan voorziene situering het viaduct vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voldoende landschappelijk wordt ingepast. Dat laat overigens onverlet dat het plan ruimte laat voor een verdergaande inpassing van het voorziene viaduct.

Het betoog faalt.

3. [appellanten sub 1] betogen dat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd dat op de N377 over een lengte van ongeveer 1000 m geluidreducerende wegdekverharding zal worden toegepast met een geluidreductie van minimaal 4 dB. Onduidelijk is derhalve of een hogere waarde voor hun woning moet worden vastgesteld en welke gevolgen het plan ten aanzien van het aspect geluid voor hen heeft, aldus [appellanten sub 1]. Tevens is volgens [appellanten sub 1] onduidelijk, indien een hogere waarde voor hun woning moet worden vastgesteld, welke maatregelen zullen worden getroffen als niet aan de maximale binnenwaarde kan worden voldaan. Volgens [appellanten sub 1] dient de heersende geluidbelasting te worden gehandhaafd. In dit verband voeren zij aan dat anders dan in de notitie ‘Beantwoording overlegreacties en zienswijzen Buitengebied De Wolden, wijzigingsplan viaduct N377’ is vermeld, in de plantoelichting niet is opgenomen dat de provincie Overijssel heeft gekozen voor het aanbrengen van stil asfalt.

3.1. Voor zover [appellanten sub 1] aanvoeren dat niet overeenkomstig de notitie ‘Beantwoording overlegreacties en zienswijzen Buitengebied De Wolden, wijzigingsplan viaduct N377’ in de plantoelichting is opgenomen dat de provincie Overijssel heeft gekozen voor het aanbrengen van stil asfalt, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 5.3 van de plantoelichting staat dat de provincie Overijssel er voor kiest om een geluidreducerende wegdekverharding aan te leggen over een lengte van ongeveer 1000 m en dat hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) en er geen hogere waarden hoeven te worden vastgesteld. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

3.2. In de plantoelichting staat dat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de gevolgen voor de directe omgeving van de aanleg van het viaduct in de N377 ter plaatse van de kruising van de N377 met de weg Drogteropslagen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport ‘Duurzaam Veiliger N377 Lichtmis - Slagharen; Akoestisch onderzoek’ van september 2013 van Royal HaskoningDHV. Uit het rapport volgt dat de heersende geluidbelastingen bij de woning op het perceel aan de [locatie] te Drogteropslagen vanwege de N377 in 2014 54,05 dB op 1,5 m en 55,59 dB op 4,5 m bedragen. Door de aanleg van het viaduct zullen de geluidbelastingen bij de woning toenemen met 3,42 dB op 1,5 m tot 57,47 dB en met 3,95 dB op 4,5 m tot 59,54 dB. In het rapport wordt geconcludeerd dat uit de berekeningen volgt dat sprake is van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Teneinde de overschrijding van de grenswaarden, die worden gevormd door de heersende waarden, in zijn geheel op te lossen wordt over een lengte van ongeveer 1000 m geluidreducerende wegdekverharding aangelegd met een geluidreductie van minimaal 4 dB. Berekend is dat deze maatregel erin resulteert dat ter plaatse van de woning geen overschrijding optreedt van de grenswaarden die op grond van de Wgh in acht moeten worden genomen. [appellanten sub 1] hebben dit niet bestreden.

Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 1] dat het gebruik van geluidreducerende wegdekverharding over een lengte van ongeveer 1000 m met een geluidreductie van minimaal 4 dB ten onrechte niet in het plan is vastgelegd, wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel ter zitting heeft toegezegd dat deze maatregel zal worden getroffen en in stand zal worden gehouden. Nu het provinciebestuur het voorts in zijn macht heeft bedoelde maatregel te doen treffen en niet is gebleken van belemmeringen die zich daartegen verzetten, is de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 augustus 2014 in zaak nr. 201206568/1/R1 van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een verplichting daartoe in het wijzigingsplan.

Nu de geluidbelastingen bij de woning van [appellanten sub 1] als gevolg van de aanleg van het viaduct in de N377 ter plaatse van de kruising van de N377 met de weg Drogteropslagen vanwege het toepassen van geluidreducerende wegdekverharding de grenswaarden die op grond van de Wgh in acht moeten worden genomen niet overschrijden, stelt het college van burgemeester en wethouders zich op het standpunt dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat bij de woning. Hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

4. [appellanten sub 1] voeren aan dat ten onrechte geen aandacht is besteed aan de schade die zij zullen leiden als gevolg van het plan en de vergoeding van deze schade.

4.1. De Afdeling overweegt dat [appellanten sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat als gevolg van de aanleg van het voorziene viaduct in de N377 ter plaatse van de kruising van de N377 met de weg Drogteropslagen zodanige schade zal optreden dat het college van burgemeester en wethouders niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met de aanleg van het voorziene viaduct.

Het betoog faalt.

5. Voor zover [appellanten sub 1] aanvoeren dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe het viaduct zal worden vormgegeven, overweegt de Afdeling dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

7. [appellant sub 2] richt zich tegen het plan voor zover dat loopt over zijn gronden. Hij voert aan dat onzeker is of de realisatie van het viaduct doorgang zal vinden. Voorts voert hij aan dat nog geen overeenstemming bestaat met de provincie Overijssel over de aankoop van zijn voor het realiseren van het viaduct benodigde gronden. Volgens hem had het college van burgemeester en wethouders om die redenen het plan niet mogen vaststellen.

7.1. In het kader van een beroep tegen een wijzigingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college van burgemeester en wethouders op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

7.2. De Afdeling overweegt dat de door [appellant sub 2] gestelde onzekerheid niet betekent dat op voorhand vaststaat dat het viaduct niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

7.3. Uit de plantoelichting volgt dat de gronden in het plangebied vrijwel allemaal in eigendom van de provincie Overijssel zijn. Niet in geschil is dat een deel van de gronden die toebehoren aan [appellant sub 2], ook benodigd zijn voor het realiseren van het voorziene viaduct. Ter zitting is gebleken dat met [appellant sub 2] nog geen overeenstemming is bereikt over de aankoop van deze gronden. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft toegelicht te streven naar overeenstemming met [appellant sub 2] over de aankoop daarvan. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft tevens toegelicht dat in het geval geen overeenstemming met [appellant sub 2] wordt bereikt, tot onteigening zal worden overgegaan. Vooralsnog is niet gebleken van beletselen die aan een dergelijke onteigening in de weg zouden staan.

7.4. Het aangevoerde geeft de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

7.5. Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

625.