Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201407671/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de minister het verzoek van [appellant] tot kennisneming van gegevens over de op 23 januari 1950 gepleegde staatsgreep tegen Soekarno gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407671/1/A3.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de minister het verzoek van [appellant] tot kennisneming van gegevens over de op 23 januari 1950 gepleegde staatsgreep tegen Soekarno gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2013 heeft de rechtbank Den Haag het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201310644/1/A3 heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd, het door [appellant] tegen het besluit van 12 februari 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat tegen het door de minister nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [appellant] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv), verleend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2015, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.Z.J. Coret, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d en e, van de Wiv, wordt in de Wiv en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

d. gegevens: persoonsgegevens en andere gegevens;

e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 45 kan van de gegevens, verwerkt door of ten behoeve van een dienst, onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 (artikel 45 tot en met 56).

Ingevolge artikel 47, eerste lid, deelt de minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, is artikel 47 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, deelt de minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid.

Ingevolge het tweede lid stelt de minister, voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, de aanvrager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in kennis van de desbetreffende gegevens.

2. [appellant] heeft bij brief van 16 augustus 2012 de minister verzocht om alle bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst berustende gegevens over de staatsgreep tegen Soekarno in 1950 aan hem te verstrekken. Ter toelichting op dit verzoek heeft hij vermeld dat [persoon] op 23 januari 1950 een staatsgreep pleegde tegen de pas aangetreden regering en hierbij gebruik maakte van gedeserteerde soldaten van het Regiment Speciale Troepen en zijn eigen militie, beter bekend onder de afkorting APRA.

De minister heeft in het besluit van 13 november 2012 uiteen gezet dat na grondig archiefonderzoek, waarbij is uitgegaan van de in het verzoek vermelde bestuurlijke aangelegenheid "de staatsgreep tegen Soekarno in 1950", één daarop betrekking hebbend document is aangetroffen. Behoudens de gegevens die de nationale veiligheid kunnen schaden en persoonsgegevens van derden kan [appellant] kennis nemen van de gegevens in dit document. Met verstrekking van dit document in bewerkte vorm is aan het verzoek van [appellant] tot kennisneming van de gegevens voldaan, aldus de minister.

In het besluit van 12 februari 2013 staat vermeld dat naar aanleiding van het door [appellant] ingediende bezwaar nogmaals een grondig archiefonderzoek heeft plaatsgevonden, dat geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd.

3. In de uitspraak van 30 juli 2014 heeft de Afdeling overwogen dat de mededeling van de minister, dat niet meer documenten over de staatsgreep onder hem berusten, niet geloofwaardig voorkomt. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen dat de minister ter zitting op 7 juli 2014 heeft verklaard dat hij het verzoek van [appellant] aldus heeft opgevat dat uitsluitend bij de zaaksdossiers is gezocht naar een map met de titel "de staatsgreep tegen Soekarno in 1950". Voorts heeft de minister erkend dat meer gegevens over de staatsgreep tegen Soekarno in 1950 zijn te vinden, maar dat deze zich hoogstwaarschijnlijk in het persoonsdossier van [persoon] bevinden. Tot slot heeft de minister verklaard niet in persoonsdossiers te hebben gekeken of zich daarin ook andere gegevens dan persoonsgegevens in de zin van de Wiv bevinden. Volgens de Afdeling valt niet uit te sluiten dat zich in het persoonsdossier van [persoon] en andere bij de staatsgreep betrokken personen andere gegevens bevinden dan persoonsgegevens, op kennisneming waarvan [appellant] aanspraak kan maken. Daarnaast is het niet uitgesloten dat gegevens over de staatsgreep zich bevinden in een mapje van een zaaksdossier dat via een andere titel of zoekterm wordt ontsloten, aldus de Afdeling.

4. De minister heeft zich bij het thans bestreden besluit van 26 augustus 2014 op het standpunt gesteld dat hij geen op de staatsgreep betrekking hebbende gegevens anders dan persoonsgegevens heeft aangetroffen in zaaksdossiers, noch in de persoonsdossiers van [persoon] en andere bij de staatsgreep betrokken personen.

5. [appellant] betoogt dat de mededeling van de minister, dat niet meer documenten over de staatsgreep onder hem berusten, niet geloofwaardig voorkomt. Hiertoe voert hij aan dat de minister ten onrechte, want in weerwil van hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 juli 2014, zijn zoekvraag wederom heeft beperkt tot het onderwerps- of zaaksdossier "de staatsgreep tegen Soekarno in 1950". Voorts heeft de minister niet gemotiveerd waarom hij uitsluitend heeft gezocht in gegevens over de periode 1945 tot en met 1952. Een langere periode had voor de hand gelegen, aangezien [persoon] pas in 1952 in Nederland aankwam en sindsdien constant in de gaten werd gehouden door de Binnenlandse Veiligheidsdienst, aldus [appellant].

Voorts heeft de minister weliswaar te kennen gegeven dat hij in persoonsdossiers van [persoon] en andere bij de staatsgreep betrokken personen heeft gezocht, maar daarbij miskend dat die persoonsdossiers andere gegevens bevatten dan persoonsgegevens en dat die andere gegevens ingevolge de Wiv aan hem verstrekt dienen te worden. Bovendien heeft de minister nagelaten te vermelden in de persoonsdossiers van welke personen is gezocht, aldus [appellant].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juli 2014), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.

5.2. De minister heeft in het besluit van 26 augustus 2014 toegelicht dat hij naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2014 een grondig archiefonderzoek heeft verricht naar gegevens over de bestuurlijke aangelegenheid "de staatsgreep tegen Soekarno in 1950". Om na te gaan of die gegevens zich bevinden in een mapje van een zaaksdossier dat via een andere titel of zoekterm wordt ontsloten, heeft hij alle zaaksdossiers van het Archief van de Centrale Veiligheidsdienst en de Binnenlandse Veiligheidsdienst over de periode 1945 tot en met 1952 onderzocht, aldus de minister. Daarbij heeft hij ter zitting toegelicht dat hij verschillende zoektermen heeft gebruikt, maar dat dit niet heeft geresulteerd in meer op het verzoek van [appellant] betrekking hebbende gegevens, dan reeds verstrekt. Gelet op deze toelichting bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister uitsluitend heeft gezocht in het onderwerps- of zaaksdossier "de staatsgreep tegen Soekarno in 1950". Anders dan [appellant] betoogt, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn zoekactie ten onrechte heeft beperkt tot 1952. In het verweerschrift van 7 november 2014 stelt de minister immers dat het archiefonderzoek zich voornamelijk, doch niet alleen, heeft toegespitst op de periode 1945 tot en met 1952, aangezien de staatsgreep in die periode heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat over de periode 1945 tot en met 1952 per zich in een zaaksdossier bevindend document is onderzocht of het gegevens bevat die op het verzoek van [appellant] betrekking hebben en dat over de periode na 1952 niet langer per document is gezocht naar op het verzoek betrekking hebbende gegevens, maar uitsluitend nog door middel van zoektermen.

In het licht van het vorenoverwogene is de Afdeling thans van oordeel dat de mededeling van de minister dat zich in de zaaksdossiers niet meer gegevens bevinden dan reeds verstrekt, niet ongeloofwaardig voorkomt. Wat betreft de persoonsdossiers, wordt het volgende overwogen.

Op de zitting van 7 juli 2014 heeft de toenmalige gemachtigde van de minister erkend dat meer gegevens over de staatsgreep tegen Soekarno in 1950 zijn te vinden, maar dat deze zich hoogstwaarschijnlijk in het persoonsdossier van [persoon] bevinden. De op de zitting van 25 augustus 2015 verschenen vertegenwoordiger van de minister heeft toegelicht dat de toenmalige gemachtigde aan hem te kennen heeft gegeven dat zij niet wist welke gegevens zich in het persoonsdossier van [persoon] bevonden en zij, door te erkennen dat meer gegevens over de staatsgreep te vinden zijn dan reeds verstrekt, zich te stellig heeft uitgedrukt. Voorts is ter zitting op 25 augustus 2015 toegelicht dat in de persoonsdossiers van [persoon] en bij de staatsgreep betrokken personen is gezocht naar op het verzoek van [appellant] betrekking hebbende gegevens, waarop [appellant] aanspraak kon maken, maar dat deze niet zijn aangetroffen. Wel zijn persoonsgegevens aangetroffen, maar dergelijke gegevens mag de minister op grond van de Wiv niet verstrekken, aldus de minister.

Gelet op deze toelichting is de Afdeling van oordeel dat de mededeling van de minister dat zich in de persoonsdossiers van [persoon] en andere bij de staatsgreep betrokken personen niet meer gegevens anders dan persoonsgegevens bevinden dan reeds verstrekt, niet ongeloofwaardig voorkomt. Voorts was de minister, anders dan [appellant] betoogt, niet gehouden de namen van de bij de staatsgreep betrokken personen bekend te maken, aangezien die namen persoonsgegevens zijn.

Met de enkele stelling dat zich in de zaaksdossiers en de persoonsdossiers van [persoon] en bij de staatsgreep betrokken personen toch op zijn verzoek betrekking hebbende gegevens anders dan persoonsgegevens moeten bevinden, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door de minister, die gegevens toch onder de minister berusten.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de minister ten onrechte niet de persoonsgegevens van [persoon] en andere bij de staatsgreep betrokken personen aan hem heeft verstrekt. Hij voert hiertoe aan dat de dochter van [persoon] en nabestaanden van de bij de staatsgreep betrokken personen toestemming hebben gegeven om de persoonsgegevens aan hem ter inzage te geven. Dit betoog faalt reeds omdat de minister ingevolge artikel 50, eerste lid, in verbinding gelezen met artikel 47, eerste lid, en artikel 51, eerste lid, van de Wiv geen mededelingen mag doen over persoonsgegevens aan anderen dan de in artikel 50, eerste lid, genoemde directe familieleden en [appellant] geen direct familielid is als bedoeld in die bepaling. De omstandigheid dat [appellant] toestemming heeft van directe familieleden om persoonsgegevens in te zien, laat onverlet dat [appellant] deze procedure op eigen titel voert.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. De Vries

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

582-816.