Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201502306/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:594, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blauwdruk B.V. omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een lift aan de buitenzijde van het gebouw op het perceel [locatie] te Den Helder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502306/1/A1.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Den Helder,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2015 in zaak nr. 14/127 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Blauwdruk B.V. omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een lift aan de buitenzijde van het gebouw op het perceel [locatie] te Den Helder (hierna: het gebouw).

Bij besluit van 9 december 2013 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2015, waar [appellant B], bijgestaan door mr. D. Pool, en het college, vertegenwoordigd door ing. A. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Blauwdruk B.V., vertegenwoordigd door haar [directeur] en bijgestaan door mr. G. Creutzberg, ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Blauwdruk B.V. heeft een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een lift aan de buitenzijde van het gebouw ter ontsluiting van de derde verdieping van het gebouw. In het gebouw zijn zes appartementen gecreëerd. [appellant A] en [appellant B] wonen op de eerste verdieping van het gebouw. Om medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan heeft het college met toepassing van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend.

2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat, nu de Vereniging van Eigenaren van het gebouw geen toestemming heeft verleend voor het bouwen van de lift. Voorts betogen [appellant A] en [appellant B] dat zij als eigenaar van een van de zes appartementen ook geen toestemming zullen verlenen voor het bouwen van de lift.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 april 2015 in zaak nrs. 201501897/1/A1 en 201501897/2/A1), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, slechts aanleiding, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. Dat de Vereniging van Eigenaren ten tijde van het besluit van 9 december 2013 nog geen definitief standpunt had ingenomen ten aanzien van het bouwen van de lift op het perceel dat in gebruik is als gezamenlijke tuin, betekent nog niet dat daarmee een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat, nu niet is uitgesloten dat de toestemming alsnog zal worden gegeven. Ter zitting is gebleken dat de vergadering van de Vereniging van Eigenaren tot op heden nog geen besluit heeft genomen. Anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen levert ook de omstandigheid dat zij door middel van de Vereniging van Eigenaren mede-eigenaar zijn van het perceel geen evidente privaatrechtelijke belemmering op omdat dit onverlet laat dat de Vereniging van Eigenaren rechtsgeldig tot de bouw van de lift kan besluiten.

Het betoog faalt.

3. Verder betogen [appellant A] en [appellant B] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat de noodzaak om een lift te bouwen ontbreekt. Zij voeren hiertoe aan dat de lift slechts een appartement ontsluit door toegang te geven tot de tuin terwijl alle appartementen te bereiken zijn via de hoofdentree en het trappenhuis.

3.1. De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

3.2. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de noodzaak van de te bouwen lift terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat Blauwdruk B.V. te kennen heeft gegeven dat zij een lift wenst te realiseren zodat het nog te verkopen appartement ook geschikt is voor minder valide personen. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de belangen van Blauwdruk B.V. bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant A] en [appellant B] bij weigering daarvan. Dat reeds een trappenhuis aanwezig is betekent nog niet, anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, dat het college niet in redelijkheid medewerking heeft kunnen verlenen na afweging van alle betrokken belangen.

Het betoog faalt.

4. Voorts betogen [appellant A] en [appellant B] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand omdat de wederopbouwkarakteristiek van het gebouw wordt aangetast. Zij verwijzen in dit verband naar een door hen overgelegd advies van Van Breugel van 23 september 2015.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met redelijke eisen van welstand of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

4.2. In het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Den Helder (hierna: de welstandscommissie) van 4 juli 2013 niet aan het bij besluit van 9 december 2013 gehandhaafde besluit van 22 juli 2013 ten grondslag mocht leggen. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de welstandscommissie gereageerd heeft op het door [appellant A] en [appellant B] ingenomen standpunt, dat zij hebben onderbouwd met een door hen overgelegd rapport van Van Breugel van september 2014, en dat de welstandscommissie te kennen heeft gegeven dit standpunt niet te delen. Volgens de welstandscommissie wordt de wederopbouwkarakteristiek niet zodanig geweld aangedaan dat het bouwplan vanuit een oogpunt van redelijke eisen van welstand onaanvaardbaar zou zijn. Dat het gebouw in aanmerking zou komen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst, zoals [appellant A] en [appellant B] betogen, betekent, wat daar verder van zij, nog niet dat het college zich, onder verwijzing naar het advies van de welstandscommissie, niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Dat in het advies van Van Breugel alternatieven worden aangedragen betekent evenmin dat de welstandscommissie een onjuist welstandsadvies heeft gegeven. Voorts heeft de welstandscommissie, anders dan [appellant A] en [appellant B] onder verwijzing naar het advies van Van Breugel van 23 september 2015 stellen, onderkend dat een bijzonder welstandsregime van toepassing is. Dat de welstandscommissie een andere visie op het bouwplan heeft dan die van Van Breugel brengt niet mee dat het bouwplan in strijd is met de geldende welstandscriteria. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de welstandscriteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

700.