Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201403144/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Boomawatering" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403144/2/R4.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Poeldijk, gemeente Westland,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Boomawatering" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2015, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door Z.M. Nasir, advocaat te Naaldwijk, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door B.E. Schuit en S. Westerduin, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 24 juni 2015, in zaak nr. 201403144/1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 28 januari 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 12 oktober 2015 heeft de raad om verlenging van de termijn van 16 weken verzocht.

Bij brief van 16 oktober 2015 is dit verzoek afgewezen.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51d, in samenhang bezien met artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, de gebreken te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn, die liep tot 14 oktober 2015, is ongebruikt verstreken, zodat niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De in de tussenuitspraak omschreven gebreken in het besluit van 28 januari 2014 zijn derhalve niet hersteld.

2. Gezien overweging 16.1 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" voor het perceel [locatie] te Poeldijk niet berust op een ingevolge artikel 3:46 van de Awb vereiste deugdelijke motivering

Gezien overwegingen 18.3 en 20.2 , van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.2.2, onder g, van de planregels niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en voorts dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels in strijd is met de rechtszekerheid.

3. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie] te Poeldijk wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. Voorts dient het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels wegens strijd met de rechtszekerheid en wat betreft artikel 3, lid 3.2.2, onder g, van de planregels wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

4. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze te worden veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten.

Ten aanzien van [appellante sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. De door [appellante sub 2] opgegeven kosten voor het uitbrengen van een deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat een dergelijk rapport niet is ingebracht. Voor zover [appellante sub 2] een vergoeding wenst voor een ter zitting meegebrachte deskundige in de persoon van [gemachtigde], komen deze kosten evenmin voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat hij niet als zodanig is aangemeld overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb. [gemachtigde] kan voorts niet worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Westland van 28 januari 2014, waarbij het bestemmingsplan "Boomawatering" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" voor zover dit het perceel [locatie] te Poeldijk betreft en voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1, onder j, en artikel 3, lid 3.2.2, onder g, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Westland op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder II genoemde plandelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. treft de voorlopige voorziening dat de voor "Agrarisch-Glastuinbouw" (A-GT) aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "(sa-vta)" mogen worden gebruikt voor een verblijf voor maximaal 120 tijdelijke arbeidsmigranten;

V. bepaalt dat de onder IV. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan zoals bedoeld onder III.;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Westland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Westland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

w.g. Van Sloten

voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

433.