Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201500280/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7466, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee stallen, het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een agrarische inrichting op het perceel [locatie] te Kootwijkerbroek.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/11 met annotatie van G.A.J.M. Hoevenaars
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500280/1/A1.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2])

appellanten,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 april 2014 en de einduitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 december 2014 in zaak nr. 13/2479 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee stallen, het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een agrarische inrichting op het perceel [locatie] te Kootwijkerbroek (hierna: het perceel).

Bij tussenuitspraak van 29 april 2014 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld om binnen twee maanden na de verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 14 maart 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2014 heeft het college de rechtbank laten weten met de in deze brief opgenomen motivering en de daarbij behorende bijlagen de door de rechtbank geconstateerde gebreken te hebben hersteld.

Bij einduitspraak van 4 december 2014 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 14 maart 2013 ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2015, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. H.J.M. van Dreumel, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. de Vries, werkzaam bij de gemeente, en H. Landeweerd, werkzaam bij Omgevingsdienst De Vallei, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [vergunninghouder], bijgestaan door mr. P.A. Luschen en [gemachtigde], verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De aanvraag om omgevingsvergunning voorziet in de omschakeling van het bedrijf van [vergunninghouder] naar een vleeskalverenhouderij met acht zoogkoeien, achttien stuks vrouwelijk jongvee en 814 vleeskalveren met een leeftijd van 0 - 8 maanden. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 7, derde lid, onder zes, van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het bestemmingsplan).

Regelgeving

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit;

a. het bouwen van een bouwwerk;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan;

e. 1º het oprichten

2º het veranderen of veranderen van de werking of

3º het inwerking hebben

van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge artikel 2.14, derde lid, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, de omgevingsvergunning slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge het bestemmingplan rustte ten tijde van belang op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied I".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, mogen de gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwpercelen worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, onder 6, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het tweede lid, voor het overschrijden van de grenzen van een agrarisch bouwperceel door bebouwing als bedoeld in het tweede lid, onder b, met inachtneming van het volgende:

a. het denkbeeldig bouwperceel krijgt hierdoor geen groter oppervlak dat 1,1 hectare.

b. aangetoond dient te worden dat de overschrijding noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering.

c. aangetoond dient te worden dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen en natuur en landschapswaarden van de naburige percelen en gronden.

d. er dient gestreefd te worden naar een compacte (denkbeeldige) bouwperceelsvorm.

Afwijking bestemmingsplan

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 7, derde lid, onder 6, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat niet voldaan is aan de in dat artikel onder b opgenomen voorwaarde dat de overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] worden de inkomsten van [vergunninghouder] hoofdzakelijk verkregen op een andere wijze dan door de uitvoering van het agrarisch bedrijf op het perceel en is het niet noodzakelijk om het bouwperceel te overschrijden.

In de tweede plaats wordt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet voldaan aan de in het genoemde artikel van de planvoorschriften onder c. opgenomen voorwaarde dat aangetoond dient te worden dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen en natuur en landschapswaarden van de naburige percelen en gronden. Daartoe voeren zij aan dat een sleufsilo is geprojecteerd op korte afstand van hun woningen, als gevolg waarvan zij hinder zullen ondervinden. [appellant sub 2] voert voorts aan dat het zicht vanuit zijn woning op de Laageinderweg door de realisering van een van de stallen wordt weggenomen vanwege het ontbreken van een landschappelijke inpassing van de zijde van deze stal die hij vanuit zijn woning kan zien. Bovendien heeft [appellant sub 2] om zijn woning te bereiken een recht van overpad over de toegangsweg tot het perceel. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 2] niet onderkend dat dit recht van overpad ernstig zal worden belemmerd, omdat de doorgang van het toegangspad zal worden geblokkeerd als vrachtwagens naast de stallen worden opgesteld om kalveren te brengen of te halen.

3.1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college de Stichting Agrarische Beoordelingscommissie (hierna: stichting ABC) gevraagd een advies uit te brengen omtrent de noodzaak van de overschrijding van het bouwperceel in het kader van de doelmatige bedrijfsvoering. Stichting ABC heeft in een deskundigenrapport van 5 juni 2014 gemotiveerd uiteengezet dat het bouwplan voor twee stallen en de daarvoor benodigde vergroting en vormverandering van het bouwperceel noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering. In de brief van 13 juni 2014 heeft het college bij dit deskundigenrapport aangesloten. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college het deskundigenrapport niet aan het besluit van 14 maart 2013 ten grondslag heeft mogen leggen. In de enkele stelling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de inkomsten van [vergunninghouder] hoofdzakelijk op een andere manier worden verkregen en dat het volgens hen niet noodzakelijk is het bouwperceel te overschrijden, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7, derde lid, onder 6, onder b, van de planvoorschriften.

3.2. De bij besluit van 14 maart 2013 verleende omgevingsvergunning ziet volgens de tekst daarvan niet op de bouw van de sleufsilo. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de realisering van de sleufsilo leidt tot een onevenredige afbreuk aan de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder 6, onder c, van de planvoorschriften. Dat het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 2] op de Laageinderweg wordt weggenomen door één van de twee stallen, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het project in strijd is met het genoemde artikel uit de planvoorschriften. Daarbij is van belang dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aantasting van zijn uitzicht zodanig is dat het college hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project geen onevenredige afbreuk doet aan het recht van overpad van [appellant sub 2]. De door [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat de ruimte tussen de kalverenstallen en het toegangspad tot zijn woning op het smalste punt ongeveer zeven meter bedraagt en dat die ruimte te smal is om twee vrachtwagens ten behoeve van het verladen van kalveren naast elkaar te parkeren zonder dat het toegangspad wordt geblokkeerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Ter zitting heeft [vergunninghouder] onweersproken verklaard dat het verladen van de kalveren niet plaatsvindt met naast elkaar opgestelde vrachtwagens, maar dat gebruik wordt gemaakt van een vrachtwagen met aanhanger. Het toegangspad tot de woning van [appellant sub 2] zal daardoor niet worden geblokkeerd.

Het betoog faalt.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben eerst in hoger beroep betoogd dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de verkeersaantrekkende werking van het project. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

5. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet heeft onderzocht of de sleufsilo gelet op de afstand daarvan tot hun woningen milieutechnisch aanvaardbaar is, wordt overwogen dat de sleufsilo geen deel uitmaakt van het aangevraagde en vergunde project. De milieugevolgen van de sleufsilo kunnen om die reden in de onderhavige procedure, die betrekking heeft op de verlening van de omgevingsvergunning, niet aan de orde komen.

6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij de toepassing van de in artikel 7, derde lid, onder 6, van de planvoorschriften diende na te gaan of de afwijking van het bestemmingsplan vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is en dat het in dat kader had moeten toetsen in hoeverre het project in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" dat op 28 mei 2013 door de raad van de gemeente Barneveld is vastgesteld. Volgens hen is daarbij van belang dat het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied 2012 reeds vóór het besluit van 14 maart 2013 ter inzage is gelegd.

6.1. Niet in geschil is dat ten tijde van het besluit van 14 maart 2013 het bestemmingsplan Buitengebied 2000 gold, zodat de in dat bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid van toepassing is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juni 2014 in zaak nr. 201308719/1/R2), moet met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid in beginsel planologisch aanvaardbaar worden geacht. Dit brengt met zich dat reeds bij de vaststelling van een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient te zijn afgewogen of de situatie die kan ontstaan bij de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen, voldoet het project aan de afwijkingsvoorwaarden van het bestemmingsplan, zodat het in beginsel planologisch aanvaardbaar moet worden geacht. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd over de strijd van het project met het bestemmingsplan Buitengebied 2012, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project desondanks planologisch niet aanvaardbaar is. Dat in de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is opgenomen dat de oppervlakte waarmee een bouwvlak mag worden overschreden niet meer mag bedragen dan 750 m² leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft zich in het besluit van 13 maart 2014 op het standpunt gesteld dat het denkbeeldige bouwperceel na realisering een totale oppervlakte van 3600 m² zal hebben en daarmee ruim onder het in artikel 7, derde lid, onder 6, onder a, van die planvoorschriften genoemde maximum van 1,1 hectare blijft. Voorts blijkt uit het stedenbouwkundig advies van 25 september 2012 dat er geen stedenbouwkundige bezwaren zijn, onder meer omdat het bouwperceel, ook na realisering van het project, een van de kleinste bouwpercelen in de gemeente Barneveld blijft. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project in zoverre niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende onderzoek naar de verkeersaantrekkende werking van het project heeft verricht, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderzocht of realisering van het project vanwege de situering van de sleufsilo op een afstand van 44 meter van het perceel van [appellant sub 2] en 24,96 meter van het perceel van [appellant sub 1] leidt tot een onevenredige aantasting van de milieusituatie, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen.

Het betoog faalt.

Milieueffectrapport

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend zonder dat een milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt. Zij voeren daartoe aan dat niet is uitgesloten dat het project significante nadelige gevolgen zal hebben voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied "de Veluwe". Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is de op de door het college van gedeputeerde staten van Gelderland bij besluit van 28 september 2011 vastgestelde beleidsregels Stikstof en Natura 2000 Gelderland (hierna: de beleidsregels) gebaseerde veronderstelling van het college dat significante nadelige gevolgen zijn uitgesloten wegens een lagere ammoniakdepositie dan 0,5% van de kritische depositiewaarde, onjuist. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 29 januari 2014 in zaak nr. 201309845/2/R2). [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren voorts aan dat het college een eigen besluit dient te nemen op de vormvrije m.e.r.-beoordeling en niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleende vergunning (hierna: de NBW-vergunning). Temeer nu de NBW-vergunning is gebaseerd op de beleidsregels en deze om die reden ten onrechte is verleend, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

7.1. In de ten behoeve van het project door Agrifirm Exlan opgestelde vormvrij m.e.r.-beoordeling [locatie] - Kootwijkerbroek van 7 november 2012 is opgenomen dat een ammoniakdepositieberekening is gemaakt. Uit de resultaten daarvan is gebleken dat de depositie lager is dan 0,5% van de kritische depositiewaarde. Geconcludeerd is dat uitgesloten kan worden dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, zodat er geen aanleiding is om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ter zitting heeft het college verduidelijkt dat in de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gekeken naar de aanvraag om de NBW-vergunning en de daar weergegeven ammoniakdepositie. Dat gaf volgens het college geen aanleiding om in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling te concluderen dat een MER moest worden opgesteld. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in de beperkte toename van de ammoniakdepositie in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om een MER verplicht te achten.

Het betoog faalt.

Geur

8. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project in strijd is met artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv). In dat verband voert hij aan dat het college de staldeuren, waarvan de dichtstbijzijnde op 35 meter van zijn woning is gesitueerd, ten onrechte niet als emissiepunten heeft aangemerkt. Volgens [appellant sub 1] is niet uitgesloten dat ook vanuit de deuropeningen een relevante hoeveelheid geur wordt uitgestoten, omdat de omgevingsvergunning en de beantwoording van de ingediende zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit op dit punt tegenstrijdig zijn. [appellant sub 1] merkt voorts op dat in paragraaf 10.2.1 van de omgevingsvergunning is opgenomen dat de technische onderbouwing van de ventilatiespecialist niet in overeenstemming is met de aanvulling van Exlan Consultants B.V. van 6 februari 2012 en dat niet blijkt welke onderbouwing het college heeft gevolgd. Dat is volgens [appellant sub 1] van belang, omdat in voorschrift 1.5.1 van de omgevingsvergunning wordt verwezen naar "de toepassing van de beschreven apparatuur", terwijl niet duidelijk is welke toepassing bedoeld wordt. Bovendien is in voorschrift 1.5.1 verwezen naar technische informatie van Boon Agrosystems B.V. van 5 maart 2012. Volgens [appellant sub 1] is niet duidelijk of het college deze informatie heeft beoordeeld op de juistheid daarvan. [appellant sub 1] voert ten slotte aan dat onduidelijk is waarom voor de twee stallen in totaal 22 deuren zijn vergund.

8.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv bedraagt, in afwijking van het eerste lid, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij, wordt in deze regeling onder "emissiepunt" verstaan: punt waar een relevante hoeveelheid geur buiten:

a. het geheel overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht; of

b. het overdekte gedeelte van het gedeeltelijk overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt de afstand, bedoeld in de artikelen 3, tweede en derde lid, en 4, eerste lid, van de Wgv, gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.

8.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat ook de deuren van de stallen als emissiepunten moeten worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat in voorschrift 1.5.3 van de omgevingsvergunning is opgenomen dat ramen en deuren van de dierenverblijven gesloten dienen te blijven behoudens voor het doorlaten van personen, dieren of goederen en dat de toegangsdeuren naar de vleeskalverenstallen voorzien dienen te zijn van goed werkende deurdrangers. Ter zitting heeft [vergunninghouder] verklaard dat de deuren nauwelijks zullen worden geopend omdat dat zal leiden tot verstoring van de voor het ventilatiesysteem benodigde onderdruk in de stal. Dit systeem zorgt er volgens de beantwoording van de ingediende zienswijze door middel van regelapparatuur voor dat in de stallen altijd een zodanige onderdruk aanwezig is dat alle lucht de stal via het emissiepunt verlaat. In het verweerschrift van het college is hierover opgemerkt dat het ventilatiesysteem volledig is geautomatiseerd en zorgt voor een constante onderdruk in de stal, waarbij afsluitbare roosters in de deuren als luchtinlaat en de ventilatoren als luchtuitlaat functioneren. Voorts is in het verweerschrift opgenomen dat het aantal deuren niet specifiek is vergund, maar dat voor het deugdelijk functioneren van het ventilatiesysteem van belang is dat voldoende luchtinlaten aanwezig zijn voor de verschillende afdelingen van de stal. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarmee voldoende is gewaarborgd dat emissie van de stallucht slechts via het emissiepunt zal plaatsvinden en niet via andere openingen. Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat niet duidelijk is van welke onderbouwing het college in de verleende omgevingsvergunning uitgaat, wordt overwogen dat het college ter zitting onweersproken heeft verklaard dat het de onderbouwing van Exlan Consultants heeft gevolgd. Ten slotte wordt in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd omtrent de in voorschrift 1.5.1 genoemde technische informatie van Boon Agrosystems B.V. geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van deze informatie heeft mogen uitgaan.

Het betoog faalt.

Geluid

9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte het eens per jaar in de avondperiode laden van de sleufsilo met ruwvoer als een incidentele bedrijfssituatie heeft aangemerkt, zodat dat bij de beoordeling van de geluidsoverlast niet is meegewogen. Volgens hen is het mogelijk het vullen van de sleufsilo in de dagperiode te laten plaatsvinden. Bovendien is volgens hen in voorschrift 5.1.5 ten onrechte geen begrenzing tot 65 dB(A) voorgeschreven in de dagperiode en is niet voorgeschreven dat het eens per jaar in de avondperiode laden van ruwvoer en het, eveneens als incidentele bedrijfssituatie aangemerkte, 10 keer per jaar verladen van vleeskalveren niet gelijktijdig mag plaatsvinden.

9.1. Het college heeft bij de beoordeling van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: de Handreiking) toegepast. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.3, van de Handreiking is vermeld dat een ontheffing kan worden verleend om maximaal twaalf keer per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning.

9.2. Voorschrift 5.1.5 bepaalt dat, met betrekking tot de in het akoestisch rapport opgenomen incidentele bedrijfssituatie de volgende activiteiten als incidenteel worden beschouwd en de voorschriften 5.1.1. en 5.1.2 niet van toepassing zijn op grond van de twaalf-dagen regeling:

- gedurende tien keer per jaar vindt als gevolg van het verladen van vleeskalveren in de dagperiode een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau plaats van maximaal 42 dB(A) op de gevel van een nabijgelegen woning en van 35 dB(A) in de nachtperiode.

- Gedurende maximaal één dag per jaar vindt vanwege de noodzakelijke bedrijfsactiviteit waarbij de sleufsilo wordt geladen met ruwvoer een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau plaats op de gevel van de nabijgelegen woning tot 53 dB(A) in de dagperiode en tot 46 dB(A) in de avondperiode. Het maximale geluidsniveau bedraagt tijdens deze activiteit zowel in de avond- als nachtperiode 65 dB(A).

9.3. De Afdeling acht aannemelijk dat het voor de bedrijfsvoering van de inrichting noodzakelijk is om de sleufsilo gedurende één dag per jaar te laden met ruwvoer en dat het treffen van geluidreducerende maatregelen met betrekking tot deze activiteit redelijkerwijs niet mogelijk is. Onder deze omstandigheden heeft het college zich, bij afweging van de belangen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift 5.1.5 voor de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gestelde grenswaarden een toereikende bescherming bieden tegen onaanvaardbare geluidhinder. Daarbij is van belang dat volgens paragraaf 3.2 van de Handreiking maximale geluidsniveaus in de dagperiode, indien deze niet worden veroorzaakt door de hoofdactiviteit van het bedrijf, na een bestuurlijke afweging kunnen worden uitgezonderd van voorschriften. Voorbeelden daarvan zijn maximale geluidsniveaus als gevolg van niet in hoge frequentie voorkomende activiteiten, waaronder het laden en lossen van goederen op het terrein van de inrichting.

Voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte niet heeft voorgeschreven dat het verladen van de kalveren en het vullen van de sleufsilo niet gelijktijdig plaats mag vinden, wordt in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen grond gevonden. Gelet op de inrichting van het perceel en de ontsluiting daarvan, acht het college het niet goed mogelijk dat beide incidentele bedrijfssituaties gelijktijdig plaatsvinden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het door Exlan Consultants opgestelde akoestisch onderzoek [locatie], Kootwijkerbroek van 9 november 2012 (hierna: het akoestisch onderzoek) ten onrechte is uitgegaan van een toerentalreductie van de ventilatoren. Volgens hen is geen rekening gehouden met de situatie dat de ventilatoren zowel overdag, als in de avond- en nachtperiode op volle kracht draaien, bijvoorbeeld in periodes met hoge temperaturen.

10.1. In de aanvulling op het akoestisch onderzoek van Exlan Consultants van 24 april 2015 is een vergelijking gemaakt tussen de beschikbare ventilatiecapaciteit en de minimaal benodigde ventilatiecapaciteit. Uit die vergelijking blijkt dat er sprake is van overcapaciteit, waardoor ook op warme dagen voldoende ventilatiecapaciteit beschikbaar is om te voldoen aan de geldende geluidsnormen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een toerentalreductie van de ventilatoren.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de productie van geluid niet in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning. Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat in het akoestisch onderzoek bij de berekening van de geluidproductie ten onrechte geen rekening is gehouden met tonaal geluid van de ventilatoren en impulsgeluid door de achteruitrijsignalering van vrachtwagens. Volgens [appellant sub 2] heeft het college niet onderkend dat bij de verlening van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) en dat in paragraaf 2.3 van de Handleiding is opgenomen dat in geval van tonaal geluid en/of impulsgeluid een toeslag van 5 dB(A) bij het langtijdgemiddeld geluidsniveau moet worden opgeteld. In dat geval zal het langtijdgemiddeld geluidsniveau op de woning van [appellant sub 2] meer bedragen dan de toegestane grenswaarden, aldus [appellant sub 2].

11.1. In de Handleiding staat dat bij het verlenen van vergunningen en de handhaving van geluidvoorschriften rekening moet worden gehouden met bijzondere geluiden die vanwege hun karakter als extra hinderlijk worden beschouwd. Het betreft tonaal geluid, geluid met een impulsachtig karakter en muziekgeluid. In de Handleiding is vastgelegd op welke wijze impulsachtig geluid moet worden vastgesteld. Daarin is dit geluid gedefinieerd als geluid met een op het beoordelingspunt (binnen het aldaar aanwezige geluid) duidelijk waarneembaar impulskarakter, waarbij de waarneembaarheid van het impulskarakter op subjectieve wijze wordt vastgesteld. Tonaal geluid is in de Handleiding gedefinieerd als geluid met een op het beoordelingspunt (binnen het aldaar aanwezige geluid) duidelijk waarneembaar tonaal karakter, waarbij de waarneembaarheid van het tonale karakter op subjectieve wijze plaatsvindt. In geval van impulsachtig en/of tonaal geluid dient er op het langtijdgemiddelde deelgeluidsniveau vanwege de gehele inrichting een toeslag van 5 dB in rekening te worden gebracht, zo vermeldt de Handleiding.

11.2. Het college stelt in zijn verweerschrift dat, indien de ventilatoren al tonaal geluid zouden veroorzaken, hetgeen volgens hem niet vast staat, dit geluid teniet zal worden gedaan door de op de ventilatoren aan te brengen dempers. Hierdoor zal het karakter van het geluid veranderen, omdat het verschil in toonhoogte zal worden afgevlakt, aldus het college. Ten aanzien van de achteruitrijsignalering heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit impulsachtig geluid alleen zal voorkomen tijdens het achteruitrijden van vrachtwagens op het perceel. De bedrijfsduur van die situatie is zo beperkt, dat het effect van dit geluid op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau volgens het college verwaarloosbaar is.

Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen toeslag van 5 dB op het langtijdgemiddelde deelgeluidsniveau in rekening heeft gebracht.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in vergunningvoorschrift 5.1.8 is opgenomen dat een reductie van 6,02 dB(A) wordt bereikt over de vier ventilatoren in de stal die op de bouwtekening is aangeduid met nummer zes. Deze stal heeft echter geen vier, maar acht ventilatoren, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Voorts is volgens hen in vergunningvoorschrift 5.1.8 ten onrechte niet voorgeschreven dat dempers moeten worden geplaatst op de ventilatoren in de stal die op de bouwtekening met nummer acht is aangeduid.

12.1. Voorschrift 5.1.8 bepaalt dat de ventilatoren die worden toegepast in overeenstemming zijn met de beschrijving zoals aangegeven in bijlage 4 van het akoestisch onderzoek. De ventilatoren in gebouw zes worden voorzien van dempers waarna na de montage een reductie van 6,02 dB(A) wordt bereikt over de vier ventilatoren.

12.2. Ter zitting heeft het college erkend dat in de tweede volzin van voorschrift 5.1.8 een fout staat, omdat de met het nummer zes aangeduide stal niet is voorzien van vier, maar van acht ventilatoren. Volgens het college betreft deze zin een kennelijke verschrijving die kan worden geschrapt. De Afdeling zal aan dat verzoek gehoor geven. Nu de tweede volzin van voorschrift 5.1.8 zal worden geschrapt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het genoemde voorschrift ten onrechte niet is opgenomen dat de ventilatoren in de met nummer acht aangeduide stal moeten worden voorzien van dempers. Het betoog slaagt.

13. De hoger beroepen zijn gegrond. De einduitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 14 maart 2013 in stand heeft gelaten ten aanzien van de tweede volzin van voorschrift 5.1.8. De aangevallen uitspraken dienen voor het overige te worden bevestigd.

14. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 december 2014 in zaak nr. 13/2479, voor zover daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders 14 maart 2013 in stand zijn gelaten ten aanzien van de tweede volzin van voorschrift 5.1.8;

III. bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Duifhuizen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

724.