Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201501059/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:10518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college de aanvraag van Tashray voor een omgevingsvergunning geweigerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1059

Uitspraak

201501059/1/A2.

m uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tashray B.V., gevestigd te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2014 in zaak nr. 13/942 in het geding tussen:

Tashray

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college de aanvraag van Tashray voor een omgevingsvergunning geweigerd.

Bij besluit van 11 september 2014 heeft het college aan Tashray € 27.000,00 toegekend ter compensatie van de kosten die zij heeft gemaakt op basis van opgewekt vertrouwen.

Bij uitspraak van 23 december 2014 heeft de rechtbank het door Tashray daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 18 december 2012 en 11 september 2014 vernietigd, aan Tashray een schadevergoeding toegekend ten bedrage van € 30.000,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Tashray hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Tashray heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2015, waar Tashray, vertegenwoordigd door mr. A.P. Loo, advocaat te Nijmegen, vergezeld door [haar directeur], [gemachtigde] en [accountant], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, en mr. E. van Lunteren en S.G.J. van Reedt Dortland, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 21 april 2009 heeft het college Noorderkanaalweg 18 aangewezen als preferente ontwikkellocatie voor toekomstige feestzalen in Rotterdam.

Op 11 september 2009 is door het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat, de provincie Zuid-Holland, het Stadsgewest Haaglanden, de Stadsregio Rotterdam en de gemeente Dordrecht een samenwerkingsovereenkomst gesloten, die onder andere ziet op de aansluiting A20-Schieplein (hierna: de samenwerkingsovereenkomst).

In februari 2011 heeft Tashray haar plannen voor een feestzaal en vergaderfaciliteiten aan de Noorderkanaalweg 18 gepresenteerd aan het college. Het college heeft tijdens die presentatie positief gereageerd op de plannen en heeft Tashray medewerking toegezegd, mits overeenstemming zou worden bereikt over de grondprijs.

1.1. Op 12 mei 2011 heeft Tashray een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een feestzaal en vergaderfaciliteiten aan de Noorderkanaalweg 18.

Bij brief van 13 september 2011 heeft de politie de politie Rotterdam-Rijnmond haar oorspronkelijke positieve advies voor Noorderkanaalweg 18 als feestzaallocatie ingetrokken en een negatief advies gegeven. Aan dit advies is ten grondslag gelegd dat Rijkswaterstaat medio 2011 een oprit van de A20 heeft verlengd waarbij een viaduct over de A20 is verwijderd en de Noorderkanaalweg bij dit viaduct werd afgesloten. Als gevolg daarvan zal een toekomstige feestzaal aan de Noorderkanaalweg nog slechts van één zijde bereikbaar zijn. Uit een oogpunt van veiligheid acht de politie dit onacceptabel.

Bij brief van 25 november 2011 heeft het college Tashray medegedeeld naar aanleiding van voornoemd advies van de politie op 13 september 2011 te hebben besloten geen medewerking te verlenen aan een feestzaal aan de Noorderkanaalweg 18. Naar aanleiding van deze beslissing is besloten het legesbedrag ter grootte van € 32.366,00 niet bij Tashray in rekening te brengen.

Tashray heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan de Noorderkanaalweg 18 van 20 juni 2012.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college de omgevingsvergunning voor het project "partycentrum Noorderkanaalweg" geweigerd.

2. De rechtbank heeft het besluit van 18 december 2012 vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten te beoordelen of bij Tashray vertrouwen is gewekt dat de omgevingsvergunning voor het project feestzaal Noorderkanaalweg zou worden verleend en zo ja, of dit heeft geleid tot schade die voor compensatie in aanmerking komt.

De rechtbank heeft het besluit van 11 september 2014 vernietigd, omdat het college daarin ten onrechte de vergoeding voor eigen arbeid niet heeft gebaseerd op een periode van gewekt vertrouwen van acht maanden, van februari tot en met september 2011. De rechtbank heeft aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien en de compensatie voor de geleden schade vastgesteld op € 30.000,00. Dit bedrag bestaat uit een compensatie voor eigen arbeid van € 8000,00, een vergoeding van € 12.000,00 voor onderzoekskosten en een vergoeding van € 10.000,00 voor gemaakte advocaatkosten.

3. Tashray betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat pas in februari 2011 gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt. Daartoe stelt zij dat al vanaf de aanwijzing van de Noorderkanaalweg 18 als preferente ontwikkelingslocatie voor toekomstige feestzalen in Rotterdam bij besluit van 21 april 2009 het vertrouwen is gewekt dat de omgevingsvergunning zonder meer zou worden verleend. Vanaf dat moment kon zij erop vertrouwen dat het college daadwerkelijk een ontwerpbesluit ter inzage zou leggen en dat dat ontwerpbesluit positief zou luiden.

3.1. Er is geen grond voor het oordeel dat het college met het aanwijzingsbesluit van 21 april 2009 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de omgevingsvergunning zonder meer zou worden verleend. Dat het college in januari en april 2009 een aantal ontwikkellocaties voor partycentra in de gemeente Rotterdam heeft aangewezen, betekent niet dat indien vervolgens aanvragen voor omgevingsvergunning voor de bouw van partycentra worden ingediend, deze ook zullen worden toegewezen, ook niet indien over het indienen van een aanvraag meer dan eens contact is geweest met het college. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 in zaak nr. 201306614/1/A1 volgt dat voor het oordeel dat gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt niet voldoende is dat uit uitlatingen van het bevoegd gezag een in beginsel positieve houding over het voorgenomen project blijkt. De definitieve beslissing over de verlening van de omgevingsvergunning vindt pas plaats bij het besluit op de aanvraag, en die beslissing kan mede afhankelijk van alle in de verdere loop van de procedure naar voren gekomen feiten en omstandigheden - waaronder begrepen de mogelijke belangen van derden - anders uitvallen dan het bevoegd gezag in eerste instantie heeft ingeschat.

Met de aanwijzing van de Noorderkanaalweg 18 als preferente ontwikkellocatie voor toekomstige feestzalen, heeft het college niet zonder meer de bereidheid getoond een omgevingsvergunning te verlenen aan Tashray. De brandweer heeft aandachtspunten genoemd over de bereikbaarheid, brandveiligheid en risicobeheersing van de locatie Noorderkanaalweg. Ook een bestemmingswijziging is nodig en konden bezwaren van omliggende ondernemers en omwonenden verwacht worden die de reguliere bezwaar- en beroepsprocedures zouden moeten doorlopen. Dat het college op 21 april 2009 heeft besloten dat desalniettemin een aanvang kan worden gemaakt met de bestemmingswijziging en het aanvragen van een vergunning, betekent, anders dat Tashray betoogt, niet dat zij er op kon vertrouwen dat de omgevingsvergunning zonder meer zou worden verleend. Dat na de samenwerkingsovereenkomst van 11 september 2009 niet meteen door het college is gewezen op de mogelijke gevolgen voor de bereikbaarheid van Noorderkanaalweg 18, betekent evenmin dat op dat moment door het college toezeggingen zijn gedaan dat de omgevingsvergunning zou worden verleend. Het betoog van Tashray dat de rechtbank ten onrechte de periode van gerechtvaardigd vertrouwen heeft gesteld op februari tot en met september 2011, faalt daarom.

4. Tashray betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat € 12.000,00 een reële vergoeding is voor ontwikkelings- en haalbaarheidskosten die zijn gemaakt als gevolg van het gerechtvaardigd gewekte vertrouwen dat de omgevingsvergunning zou worden verleend. Daarmee zijn ten onrechte niet de daadwerkelijke gemaakte kosten van € 72.005,42 vergoed. Daartoe verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 in zaak nr. 200400527/1.

4.1. Uit het verslag van de vergadering op 27 september 2011 van de deelgemeente Noord blijkt dat Tashray aanvankelijk zelf heeft gesteld dat zij ongeveer € 12.000,00 aan kosten heeft gemaakt voor het haalbaarheidsonderzoek en bedrijfsplan. Dit zijn de kosten van werkzaamheden verricht door Toorman Architecten Schiedam, die de aanvraag voor de omgevingsvergunning inclusief de daarbij behorende tekeningen namens Tashray heeft ingediend. Het college heeft kunnen volstaan met het toekennen van dit bedrag, dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, volgens de aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente Rotterdam, Centraal Beheer Achmea B.V., overeenkomt met het bedrag dat gemiddeld wordt uitgegeven voor een project van een dergelijke omvang. De uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 ziet op een heel ander geval en daaruit volgt niet dat zonder meer de gestelde daadwerkelijke kosten moeten worden vergoed. Dat Tashray, naar zij stelt, de keuze heeft gemaakt naast Toorman ook MSRM Tekenburo & Interieurarchitectuur en J. Wijntjes Beheer B.V. in te schakelen om eenzelfde onderzoek uit te voeren, betekent niet dat die extra kosten het gevolg kunnen worden geacht van het gewekte vertrouwen en voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij komt dat Tashray niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gestelde extra kosten heeft gemaakt, nu de overgelegde facturen niet gericht zijn aan Tashray, maar aan een financieringsmaatschappij.

5. Tashray betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding van € 1000,00 per maand voor de kosten van eigen arbeid redelijk heeft geacht. Ten onrechte is dit bedrag gebaseerd op een inspanning van vijf uur per week tegen een tarief van € 50,00 per uur, Uit de accountantsverklaring van 23 september 2014 van Bonis Accountancy volgt dat de inspanningen moeten worden gewaardeerd op een tarief van € 100,00 per uur. Gelet op een periode van 29 maanden waarin gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt en een gemiddelde tijdsbesteding van tien uur per week, maakt zij aanspraak op een vergoeding van € 116.000,00.

5.1. Zoals is overwogen onder 4.1 is de periode van gerechtvaardigd vertrouwen, anders dan Tashray betoogt, niet aangevangen op 21 april 2009. De periode loopt van 11 februari 2011 tot en met 27 september 2011. Voorts ziet de vergoeding niet op inkomstenderving als gevolg van inspanningen die Tashray in het project heeft gestopt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet kan worden uitgegaan van een uurtarief van een bestuurder dat is bepaald op basis van zijn werkzaamheden als exploitant van een feestcentrum in het verleden. Nu Tashray de door haar bestuurder gestelde daadwerkelijke tijdsbesteding van gemiddeld tien uur per week niet aannemelijk heeft gemaakt, is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft kunnen volstaan met het toekennen van een forfaitaire vergoeding van € 8.000,00, waarbij is uitgegaan van een tarief van € 50,00 per uur en een tijdsbesteding van vijf uur per week.

6. Tashray betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat een vergoeding van ten minste € 25.000,00 voor gemaakte advocaatkosten redelijk is.

7. Het college heeft zich bij besluit van 11 september 2014 op het standpunt gesteld dat Tashray niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de door haar gestelde kosten zijn gemaakt als gevolg van gerechtvaardigd vertrouwen dat de omgevingsvergunning zou worden verleend. Niettemin heeft het college een vergoeding toegekend van € 10.000,00. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college heeft kunnen volstaan met de toekenning van dit bedrag, te meer omdat daarnaast aan Tashray een proceskostenvergoeding is toegekend. Dat Tashray, naar zij stelt, in het geheel geen advocaatkosten zou hebben gemaakt indien het college de omgevingsvergunning zou hebben verleend, betekent niet dat deze vergoeding onredelijk is. Tashray stelt daarnaast kosten te hebben gemaakt in een aantal procedures in het kader van de Wet openbaarheid bestuur, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze het gevolg zijn van gewekt vertrouwen dat een omgevingsvergunning zou worden verleend.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

299.