Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201504943/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het dagelijks bestuur onder meer locatie 5-15 ter hoogte van het perceel Eerste Jan van der Heijdenstraat 121 D-F te Amsterdam aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504943/1/A4.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het dagelijks bestuur onder meer locatie 5-15 ter hoogte van het perceel Eerste Jan van der Heijdenstraat 121 D-F te Amsterdam aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar [appellant] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en G. Westerbos, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam, kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen met behulp van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Verordening op de bestuurscommissies 2013 van de gemeente Amsterdam, gelezen in verbinding met onderdeel D.3 van bijlage 3 bij die verordening, is de in artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening bedoelde bevoegdheid door het college gedelegeerd aan het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie heeft deze bevoegdheid bij het Mandaatbesluit algemeen bestuur aan dagelijks bestuur gemandateerd aan het dagelijks bestuur.

2. Bij het aanwijzingsbesluit heeft het dagelijks bestuur onder meer locatie 5-15 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers. De afvalcontainers worden ter hoogte van het perceel Eerste Jan van der Heijdenstraat 121 D-F geplaatst.

Het dagelijks bestuur hanteert bij het aanwijzen van een locatie voor een ondergrondse afvalcontainer de "Beleidsregels locatiecriteria ondergrondse afvalcontainers stadsdeel Zuid" van 25 februari 2014 (hierna: de beleidsregels).

3. [appellant] kan zich niet verenigen met de aanwijzing van locatie 5-15 voor het plaatsen van de afvalcontainers. Volgens haar is er een betere locatie beschikbaar, namelijk op de hoek van de Eerste Jan van der Heijdenstraat en de Ferdinand Bolstraat. Volgens [appellant] zijn daar weliswaar datakabels in de grond gelegen, maar zijn die ook op locatie 5-15 aanwezig, zodat dat geen reden is om van aanwijzing van de alternatieve locatie af te zien. Voor zover op de alternatieve locatie niet wordt voldaan aan de maximaal toegestane loopafstand van 75 m, kunnen de twee afvalcontainers worden gesplitst en kan een van de twee halverwege de Eerste Jan van der Heijdenstraat worden geplaatst, aldus [appellant].

3.1. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting aan de hand van een kaart toegelicht dat indien de afvalcontainers worden geplaatst op de hoek van de Eerste Jan van der Heijdenstraat en de Ferdinand Bolstraat, de volgens artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels maximaal toegestane loopafstand van 75 m wordt overschreden. Voorts heeft het dagelijks bestuur onbetwist gesteld dat, anders dan op locatie 5-15, ter hoogte van de alternatieve locatie naast datakabels ook gasleidingen liggen. Plaatsing op die locatie in plaats van op locatie 5-15 zou op gespannen voet staan met artikel 2, achtste lid, onder b, van de beleidsregels. Volgens dat artikellid wordt bij het bepalen van een locatie rekening gehouden met de ondergrondse infrastructuur. Verder heeft het dagelijks bestuur erop gewezen dat als onderdeel van het project Rode Loper, dat voorziet in de herinrichting van de straten tussen het centraal station en de RAI, fietsenrekken zullen worden geplaatst op de door [appellant] voorgestelde alternatieve locatie, zodat plaatsing van de containers aldaar ook om die reden niet mogelijk is.

3.2. Gelet op deze motivering bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de locatie op de hoek van de Eerste Jan van der Heijdenstraat en de Ferdinand Bolstraat had moeten aanwijzen in plaats van locatie 5-15. Het standpunt van [appellant] dat een andere invulling aan het project Rode Loper zou moeten worden gegeven met het oog op de belangen van omwonenden leidt niet tot een ander oordeel. Deze procedure heeft geen betrekking op dat project, maar uitsluitend op de aanwijzing van locatie 5-15 voor de plaatsing van twee ondergrondse afvalcontainers. Een alternatieve invulling van het project Rode Loper is in deze procedure dan ook niet aan de orde.

De stelling van [appellant] dat de twee afvalcontainers op locatie 5-15 met het oog op de maximale loopafstand kunnen worden gesplitst, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting toegelicht dat bij de aanwijzing van locaties uitgangspunt is dat de verdeling van de inzamelcapaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingericht. Het splitsen van locatie 5-15 is met dat uitgangspunt in strijd. Voorts zijn de kosten van het plaatsen van de afvalcontainers op twee verschillende locaties hoger dan bij plaatsing op een locatie. Daarom heeft het dagelijks bestuur ervoor gekozen locatie 5-15 niet te splitsen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur die keuze niet in redelijkheid heeft kunnen maken.

Ten aanzien van het eerst ter zitting door [appellant] naar voren gebrachte betoog over locatie 5-14 overweegt de Afdeling dat de aanwijzing van die locatie in deze procedure niet aan de orde is. Reeds daarom kan dat betoog niet leiden tot het door [appellant] beoogde doel.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

457.