Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201503375/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur, locatie 17-1 ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2015/561

Uitspraak

201503375/1/A4.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting School voor Filosofie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur, locatie 17-1 ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers.

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 19 november 2013 in stand gelaten.

Tegen het besluit van 27 januari 2015 heeft de stichting beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2015, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Kleef, advocaat te Amsterdam, mr. N.C.J. Meeuwisse en R.M.J. Stemp, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en G. Westerbos, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam, kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen met behulp van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Verordening op de bestuurscommissies 2013 van de gemeente Amsterdam, gelezen in verbinding met onderdeel D.3 van bijlage 3 bij die verordening, is de in artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening bedoelde bevoegdheid door het college gedelegeerd aan het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie heeft deze bevoegdheid bij het Mandaatbesluit algemeen bestuur aan dagelijks bestuur gemandateerd aan het dagelijks bestuur.

2. Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid onder meer locatie 17-1 ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 38 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers.

Bij het besluit van 19 november 2013 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid het besluit van 5 maart 2013 gewijzigd, in die zin dat locatie 17-1 niet langer ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 38 ligt, maar ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34.

Bij het besluit van 27 januari 2015 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 19 november 2013 in stand gelaten.

3. De stichting betoogt vergeefs dat het besluit tot wijziging van locatie 17-1 niet genomen had mogen worden naar aanleiding van het beroep van een derde tegen het besluit van 5 maart 2013, omdat dat beroep, indien het niet was ingetrokken, niet-ontvankelijk zou zijn geweest. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de ontvankelijkheid van dat beroep in deze procedure niet van belang is, reeds omdat het dagelijks bestuur ook ambtshalve, en dus zonder dat daartegen beroep was ingesteld, bevoegd was het besluit van 5 maart 2013 te wijzigen.

4. Het betoog van de stichting dat, nu het besluit van 5 maart 2013 is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), ook het wijzigingsbesluit met die procedure had moeten worden voorbereid, slaagt evenmin. Er bestaat geen wettelijke regeling die daartoe verplichtte en ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur daar in dit geval toe gehouden was. Daarbij merkt de Afdeling op dat, anders dan waarvan de stichting uitgaat, ook bij toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd zou zijn geweest om van het beroep kennis te nemen.

5. De enkele omstandigheid dat een beroep tegen het besluit van 5 maart 2013 aanleiding is geweest om opnieuw naar de locatie voor de afvalcontainers te kijken, maakt voorts, anders dan de stichting betoogt, niet dat het betreffende beroepschrift een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat ten onrechte niet ter inzage is gelegd. Nu niet het beroepschrift maar een nieuwe beoordeling van de mogelijke locaties voor de plaatsing van de afvalcontainers aan het besluit van 19 november 2013 ten grondslag is gelegd, bestond er geen verplichting het beroepschrift ter inzage te leggen.

6. De stichting betoogt verder dat het dagelijks bestuur ten onrechte de locatie ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34 heeft aangewezen voor de plaatsing van twee afvalcontainers, omdat door die plaatsing het monumentale karakter van het pand op dat perceel wordt aangetast. Volgens de stichting is het beleid dat het gemeentebestuur van Amsterdam voert tegenstrijdig, omdat het enerzijds monumenten beschermt blijkens de Erfgoedverordening Amsterdam 2013, maar er anderzijds voor kiest om twee afvalcontainers pal voor een monument te plaatsen. Die plaatsing leidt tot stankoverlast en overlast door zwerfafval, aldus de stichting.

6.1. Het dagelijks bestuur hanteert bij het aanwijzen van een locatie voor een ondergrondse afvalcontainer de "Beleidsregels locatiecriteria ondergrondse afvalcontainers stadsdeel Zuid" van 25 februari 2014 (hierna: de beleidsregels).

6.2. In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig zijn beleidsregels. Bij de vaststelling van de beleidsregels is onderkend dat zich een situatie kan voordoen dat een locatie voor een pand met monumentale waarde wordt aangewezen. Het dagelijks bestuur heeft in het verweerschrift toegelicht dat er bewust van af is gezien terzake een criterium in de beleidsregels op te nemen, omdat ook in straten met beschermde monumenten ondergrondse afvalinzameling dient plaats te vinden en daartoe locaties aangewezen moeten worden. Gelet hierop, is de aanwezigheid van eventuele monumentale waarden geen criterium waaraan het dagelijks bestuur diende te toetsen. In zoverre biedt het betoog van de stichting geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de locatie ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34 niet heeft mogen aanwijzen voor de plaatsing van de afvalcontainers.

De gestelde stankoverlast en overlast door zwerfafval geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De stichting heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het gebruik van de containers tot onaanvaardbare stankoverlast leidt. Voorts betreft de mogelijke aanwezigheid van zwerfafval een kwestie van handhaving.

Het betoog faalt.

7. Voor zover de stichting betoogt dat door de plaatsing van de containers een parkeerplaats verloren gaat en de locatie ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34 om die reden ten onrechte is aangewezen, faalt dat betoog eveneens. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat reeds bij het nemen van het besluit van 5 maart 2013 in aanmerking is genomen dat door de plaatsing van afvalcontainers een parkeerplaats verloren zou gaan in de J.J. Viottastraat. In zoverre heeft de wijziging van dat besluit niet tot een andere situatie geleid. Het verlies van een parkeerplaats is volgens de beleidsregels toegestaan als de parkeerplaats binnen een jaar na uitvoering van de locatie op een andere plek in de wijk wordt gecompenseerd. Het dagelijks bestuur heeft aan de hand van stukken toegelicht dat financiële middelen ter beschikking zijn gesteld om in dit gedeelte van de wijk 15 nieuwe parkeerplaatsen te realiseren en in het hele Museumkwartier 44 nieuwe parkeerplaatsen. Aldus doet zich geen strijd met de beleidsregels voor. Het betoog van de stichting dat zij niets aan de nieuwe parkeerplaats heeft, omdat deze niet in de directe nabijheid van haar pand wordt gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals het dagelijks bestuur ter zitting heeft toegelicht, is de parkeerplaats die verloren gaat een openbare parkeerplaats die niet specifiek voor de stichting was bedoeld. Ook de beleidsregels stellen niet de eis dat de nieuw aan te leggen parkeerplaats rechtstreeks het belang van de omwonenden van de verloren gegane parkeerplaats moet dienen.

8. De stichting betoogt voorts dat er alternatieve locaties zijn voor de plaatsing van de twee afvalcontainers. In dat verband wijst zij op een locatie ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 44. Ook wijst zij op een locatie op de hoek van de J.J. Viottastraat en de Emmastraat, waar al een textielcontainer staat.

8.1. De enkele omstandigheid dat, naar niet in geschil is, de locatie ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 44 ook voldoet aan de beleidsregels, maakt niet dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid voor de locatie ter hoogte van het perceel J.J. Viottastraat 34 heeft kunnen kiezen. Het dagelijks bestuur heeft bij de keuze van de locatie artikel 3, eerste lid, van de beleidsregels naar analogie toegepast. Volgens dat artikellid wordt, als bij de aanwijzing van een locatie zich de keuze voordoet tussen een locatie voor een gebouw met een woning op de begane grond of een locatie met een gebouw met op de begane grond een niet-woonfunctie de laatstgenoemde locatie aangewezen. Omdat op de eerste verdieping van het pand aan de J.J. Viottastraat 44 een woning aanwezig is en in het pand op nr. 34 niet, heeft het dagelijks bestuur voor die laatste locatie gekozen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur dat niet in redelijkheid heeft kunnen doen.

Het dagelijks bestuur heeft voorts ter zitting toegelicht dat ter plaatse van de locatie op de hoek van de J.J. Viottastraat en de Emmastraat niet wordt voldaan aan de maximale loopafstand van 75 m die is opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels. Voorts staat aanwijzing van die locatie op gespannen voet met de beleidsregels, omdat de vrachtwagen die de containers leegt op die locatie een stuk achteruit zou moeten rijden, hetgeen de verkeersveiligheid aantast. Gelet op deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur die locatie had moeten aanwijzen, daargelaten of zijn stelling juist is dat ter plaatse ook nog een hoofdleidingtracé is gelegen dat aan plaatsing van de containers in de weg staat.

Het betoog faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

457.