Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
201501090/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:7247, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2014 heeft het college aan [appellant] een boete opgelegd van € 7.500,00 wegens overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 3.1.2, aanhef en onder a, van de Regionale huisvestingsverordening bestuur regio Utrecht en hem tevens op straffe van een eenmalige dwangsom van € 7.500,00 gelast het gebruik van de woning aan de [locatie] te Utrecht als pension te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501090/1/A3.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2014 in zaak nr. 14/5697 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2014 heeft het college aan [appellant] een boete opgelegd van € 7.500,00 wegens overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 3.1.2, aanhef en onder a, van de Regionale huisvestingsverordening bestuur regio Utrecht (hierna: de Huisvestingsverordening) en hem tevens op straffe van een eenmalige dwangsom van € 7.500,00 gelast het gebruik van de woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: de woning) als pension te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 28 juli 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Mulder, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet, welke wet ten tijde van belang gold, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van het college:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

b. (…);

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten;

d. (…).

Ingevolge artikel 85a, eerste lid, kan de raad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid. Het college is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan € 18.500,00 voor overtreding van artikel 30, eerste lid.

Ingevolge het derde lid stelt de raad bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Ingevolge artikel 3.1.1 van de Huisvestingsverordening is het bepaalde in hoofdstuk 3 van toepassing op alle woonruimten.

Ingevolge artikel 3.1.2 is het verboden om zonder vergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 3.1.1:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is

b. (…);

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 4.2, onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete voor de overtreding van artikel 3.1.2. Burgemeester en wethouders bepalen de hoogte van de op te leggen boete overeenkomstig de tabel in bijlage 2. Voor de eerste overtreding gelden de boetes overeenkomstig kolom A van de tabel.

Ingevolge de tabel in bijlage 2 is het boetebedrag bij een eerste overtreding door een niet bedrijfsmatige eigenaar van artikel 3.1.2, aanhef en onder a, € 7.500,00.

2. Het college heeft aan het besluit van 28 juli 2014 een door een inspecteur toezicht en handhaving op 19 maart 2014 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (hierna: het proces-verbaal) ten grondslag gelegd. Het proces-verbaal vermeldt dat op 15 maart 2014 een controle in de woning heeft plaatsgevonden. Het proces verbaal vermeldt verder dat [persoon A], die samen met zijn echtgenote in de woning is aangetroffen, heeft verklaard dat hij niet heel goed Nederlands spreekt, maar de inspecteur begrijpt, dat hij de kamer op de eerste verdieping waar hij zich op dat moment in bevond, huurt van [appellant] met wie hij een huurcontract heeft, dat zijn echtgenote niet in de woning woont en nog diezelfde avond naar Polen zal terugkeren, dat in de woning, in de kamer naast hem, een kamerbewoonster woont en dat, hoewel dat nu niet het geval is, soms mensen boven in de woning komen slapen. Het proces-verbaal vermeldt verder dat [persoon B], die elders in de woning, in een kamer van 5 m² met op de grond een matras, tassen en opgestapelde kleding, is aangetroffen, heeft verklaard dat zij sinds één maand in deze kamer woont, dat zij op het adres van haar vader in Leiden staat ingeschreven, dat zij geen huurcontract heeft, dat zij de huur contant betaalt aan een persoon die [naam 1] of zo heet, maar waarvan zij de naam niet precies weet, dat zij via een uitzendbureau in Utrecht werkt, dat zij hier blijft wonen zolang haar contract met dit uitzendbureau loopt, en dat zij geen idee heeft wie hier allemaal wonen. Het proces-verbaal vermeldt verder dat op de tweede verdieping vier kamers zijn aangetroffen die ten tijde van de controle niet werden bewoond, maar dat in twee kamers bedden gebruiksklaar stonden. Het proces-verbaal vermeldt voorts dat de voornaam van [appellant] [naam 2] is.

3. De rechtbank heeft overwogen dat een bestuursorgaan, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 oktober 2013 in zaak nr. 201303907/1/A3), in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed, dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal en dat dat evenzeer voor de rechter geldt, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om niet van de juistheid van het proces-verbaal en de daarin weergegeven verklaringen van [persoon A] en [persoon B] uit te gaan, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant], die niet over de vereiste omzettingsvergunning beschikte, artikel 3.1.2, aanhef en onder c, van de huisvestingsverordening heeft overtreden en dat het college derhalve bevoegd was de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom aan [appellant] op te leggen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte van de juistheid van het proces-verbaal is uitgegaan. [appellant] voert daartoe aan dat hij de woning als zelfstandige woonruimte aan [persoon A] heeft verhuurd, hetgeen blijkt uit het huurcontract dat [persoon A] tijdens de inspectie heeft getoond, en dat [persoon A] in de woning samenwoonde met [persoon B]. Verder voert [appellant] aan dat [persoon A] de Nederlandse taal begrijpt noch spreekt, zodat het bevreemdt dat [persoon A] in de Nederlandse taal een verklaring zou hebben afgelegd. Verder voert [appellant] aan dat [persoon A] tegen de verbalisant heeft gelogen om voor zijn echtgenote, die op dat moment plotseling vanuit Polen op bezoek was gekomen, te verhullen dat hij met [persoon B], die zich ten tijde van belang in een kleine kamer ophield, samenwoont. Voorts voert [appellant] aan dat de omstandigheid dat ten tijde van de inspectie niet alle kamers in de woning bezet waren er op duidt dat de woning als zelfstandige woonruimte werd gebruikt.

4.1. Daargelaten dat de stelling van [appellant] dat [persoon A] tegen de verbalisant heeft gelogen niet valt te rijmen met zijn stelling dat [persoon A] de Nederlandse taal begrijpt noch spreekt, heeft hij geen van beide stellingen aannemelijk gemaakt. Gelet hierop is in hetgeen [appellant] aanvoert geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte van de juistheid van het proces-verbaal is uitgegaan. Nu hetgeen [persoon A] en [persoon B] blijkens het proces-verbaal over het gebruik van de woning hebben verklaard, overeenkomt met de situatie die de verbalisanten blijkens het proces-verbaal in de woning hebben aangetroffen, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte van de juistheid van de aldus in het proces-verbaal weergegeven verklaringen van [persoon A] en [persoon B] is uitgegaan. Nu voorts het getoonde huurcontract noch de omstandigheid dat ten tijde van belang kamers in de woning leegstonden, aannemelijk maakt dat deze verklaringen onjuist zijn, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 3.1.2, aanhef en onder a, van de huisvestingsverordening heeft overtreden. Gelet hierop heeft de rechtbank, hoewel zij daarbij ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] artikel 3.1.2, aanhef en onder c, van de huisvestingsverordening heeft overtreden, terecht overwogen dat het college bevoegd was de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom aan [appellant] op te leggen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015

610.