Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3332

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
201407641/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:12720, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 26 mei 2009 ingetrokken en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407641/1/V3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 augustus 2014 in zaak nr. 14/5469 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 26 mei 2009 ingetrokken en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 28 februari 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris zich nader uitgelaten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 8 december 2008 heeft de echtgenoot van de vreemdeling (hierna: referent) ten behoeve van de vreemdeling een verzoek gedaan om advies voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Bij dat verzoek heeft referent stukken overgelegd met betrekking tot zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf A] waaruit blijkt dat referent op 1 oktober 2008 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 april 2010 is aangegaan met [bedrijf A]. Op 1 januari 2009 is referent uit dienst getreden bij [bedrijf A] en is hij een arbeidsovereenkomst aangegaan met [bedrijf B] voor bepaalde tijd tot 31 december 2010.

De vreemdeling is in het bezit van een mvv Nederland binnengekomen. Op 26 mei 2009 heeft de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd (hierna: de aanvraag) en daarbij aangegeven dat geen sprake was van gewijzigde feiten of omstandigheden ten opzichte van het verzoek om advies voor afgifte van een mvv. Bij besluit van 16 juni 2009 is haar met ingang van 26 mei 2009 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij referent' verleend. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is nadien verlengd tot 15 juni 2013.

Aan het besluit van 29 augustus 2013 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling bij de aanvraag van haar verblijfsvergunning onjuiste informatie heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

2. In grief 1 en grief 2, in onderlinge samenhang, klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning niet kan worden ingetrokken omdat niet is gebleken dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat, kort gezegd en voor zover thans van belang, de rechtbank heeft miskend dat het in Suwinet-inkijk geregistreerde inkomen van referent over de maand juni 2009 niet afkomstig is uit het dienstverband met [bedrijf B], maar uit het dienstverband met [bedrijf A]. De arbeidsovereenkomst tussen referent en [bedrijf A] is op 1 januari 2009 beëindigd, zodat op grond van deze overeenkomst geen sprake was van middelen van bestaan die langer dan een jaar beschikbaar waren. Derhalve was er op grond van de arbeidsovereenkomst met [bedrijf A] ten tijde van belang geen sprake van duurzame middelen van bestaan, aldus de staatssecretaris.

Voorts voert de staatssecretaris aan dat door de vreemdeling geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent op het moment van het besluit van 16 juni 2009 daadwerkelijk én duurzaam beschikte over middelen van bestaan uit het dienstverband met [bedrijf B]. De door de vreemdeling overgelegde loonstrook heeft betrekking op de periode januari 2010 en dateert derhalve van na het besluit van 16 juni 2009. Gelet op het voorgaande zouden de thans bekende gegevens over het dienstverband tussen referent en [bedrijf B] in 2009 niet hebben geleid tot verlening van de verblijfsvergunning, aldus de staatssecretaris.

3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (hierna: het middelenvereiste).

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van die wet, worden afgewezen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Ingevolge artikel 19 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3.75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

Volgens paragraaf B1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, moet op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop op de aanvraag wordt beslist worden of zijn voldaan aan de drie elementen van middelen van bestaan: zelfstandig, duurzaam en voldoende. Uit de ratio en strekking van het middelenvereiste volgt dat het moet gaan om legale arbeid. Arbeid is legaal als er naast belastingen ook premies sociale verzekeringen worden afgedragen.

Als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van de Vw 2000 worden (onder meer) aangemerkt inkomsten uit arbeid in loondienst.

Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt aangetoond door het overleggen van:

- een afschrift van de arbeidsovereenkomst;

- een recente werkgeversverklaring (op het moment van overleggen niet ouder dan drie maanden), voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel;

- (indien de arbeidsovereenkomst meer dan drie maanden geleden is aangevangen) afschriften van loonstroken over de drie maanden direct voorafgaand aan de aanvraag;

- een afschrift van een officieel document waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst bij de uitvoeringsinstelling is aangemeld.

4. De arbeidsovereenkomst tussen referent en [bedrijf A] is op 1 januari 2009 beëindigd. Derhalve beschikte de referent op het moment van de aanvraag op 26 mei 2009, de beslissing op deze aanvraag op 16 juni 2009, dan wel op enig moment daartussen (hierna: ten tijde van belang) op grond van deze arbeidsovereenkomst, gelet op artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000, niet over duurzame middelen van bestaan als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Reeds om die reden betoogt de staatssecretaris terecht dat referent op grond van deze arbeidsovereenkomst niet voldeed aan het middelenvereiste.

4.1. Indien de staatssecretaris ten tijde van het besluit van 16 juni 2009 had geweten dat de door de vreemdeling verstrekte gegevens onjuist waren zou haar op basis van deze gegevens geen verblijfsvergunning zijn verleend.

De staatssecretaris heeft de vreemdeling in de gelegenheid gesteld alsnog aannemelijk te maken dat referent ten tijde van belang wel aan het middelenvereiste voldeed. De vreemdeling heeft vervolgens een arbeidsovereenkomst van referent met [bedrijf B] en een loonstrook over de maand januari 2010 overgelegd. Uit deze gegevens blijkt niet dat referent ten tijde van belang wel voldeed aan het middelenvereiste.

4.2. Uit het voren overwogene volgt dat noch de arbeidsoverkomst tussen referent en [bedrijf A], noch de arbeidsovereenkomst tussen referent en [bedrijf B] grond bieden voor het oordeel dat referent ten tijde van belang voldeed aan het middelenvereiste.

Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning niet kan worden ingetrokken omdat niet is gebleken dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

De grieven slagen reeds hierom.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris daartegen voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 28 februari 2014 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. In beroep klaagt de vreemdeling dat het besluit in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is genomen, omdat zij samen met referent en haar twee minderjarige kinderen een gezinsleven in Nederland heeft en het niet mogelijk is dit gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen.

6.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6.2. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

6.3. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

6.4. In het besluit van 28 februari 2014, waarin het besluit van 29 augustus 2013 als herhaald en ingelast is beschouwd, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat vorenbedoelde belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdeling uitvalt. Daartoe heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling bij haar aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling en haar gezin zich niet kunnen vestigen in het land van herkomst van de vreemdeling. Verder heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling in Afghanistan is geboren, daar tot haar eenentwintigste - en derhalve het grootste gedeelte van haar leven - heeft verbleven en zij en referent daar in 2000 zijn gehuwd. Volgens de staatssecretaris valt niet in te zien dat de banden van de vreemdeling met haar land van herkomst zouden zijn verbroken door haar verblijf in Nederland en is niet gebleken dat de kinderen van referent en de vreemdeling, gezien hun jonge leeftijd, niet zouden kunnen aarden in Afghanistan. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, aldus de staatssecretaris.

6.5. Gelet op de onder 6.4. weergegeven motivering heeft de staatssecretaris alle gestelde belangen van de vreemdeling en haar gezinsleden op een inzichtelijke en kenbare wijze bij de te verrichten belangenafweging betrokken en gewogen. De staatssecretaris heeft bij de afweging terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat sprake is van een objectieve belemmering het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. De gestelde omstandigheden dat referent in Nederland is toegelaten als vluchteling en de vreemdeling om die reden niet kan volgen naar haar land van herkomst en haar kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, heeft de vreemdeling voor het eerst ter zitting bij de rechtbank aangevoerd. Om die reden heeft de staatssecretaris deze omstandigheden niet bij de besluitvorming kunnen betrekken. Daarbij blijkt uit het dossier, zoals de staatssecretaris ter zitting terecht heeft opgemerkt, dat referent in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Om die reden kan de vreemdeling niet worden gevolgd in haar betoog dat referent als vluchteling is toegelaten in Nederland en hij haar om die reden niet kan volgen naar haar land van herkomst. Door de vreemdeling is voorts niet onderbouwd dat haar kinderen de Nederlandse nationaliteit zouden hebben. Het geheel van feiten en omstandigheden biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de "fair balance", die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het besluit van 28 februari 2014 in strijd met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op gezinsleven is genomen.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 augustus 2014 in zaak nr. 14/5469;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Vonk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2015

345-750.