Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
201503053/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:5829, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503053/1/V1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2015 in zaak nr. 15/1901 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 23 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft aan het besluit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 13 mei 2014 (hierna: het BMA-advies) ten grondslag gelegd.

Het BMA-advies vermeldt dat de vreemdeling bekend is met Familiaire Middellandse Zeekoorts (hierna: FMF), dat haar behandeling bestaat uit regelmatige controle door een internist en medicatie, te weten Colchicine en Diclofenac, en dat bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal kunnen ontstaan. Volgens het BMA-advies is behandeling voor de aandoening mogelijk door een internist in het City hospital nr. 71 te Moskou (hierna: de instelling) en is de door de vreemdeling gebruikte medicatie daar aanwezig. Deze informatie is afkomstig van SOS International en weergegeven in brondocument BMA 5378 van 12 mei 2014 (hierna: het brondocument).

2. Bij brief van 2 juni 2014 heeft de gemachtigde van de vreemdeling in reactie op het BMA-advies laten weten dat hij met behulp van een tolk op 30 mei 2014 heeft gebeld met de instelling, dat een zich niet met naam voorstellende arts-infectioloog van de afdeling infectieziekten van de instelling hem meedeelde dat de instelling FMF niet behandelt, dat zij wel van deze ziekte heeft gehoord, maar niet bekend is met het medicijn Colchicine. Verder heeft de gemachtigde volgens deze brief gebeld met een met name genoemde professor van het Instituut voor Tropische Geneeskunde, onderdeel van de Medische Universiteit Moskou, die vertelde dat FMF een soort griep is die overal met antibiotica kan worden behandeld en anders ook vanzelf overgaat, dat het geen exotische (tropische) ziekte is en dat hij het medicijn Colchicine niet kent. De opnames van voormelde telefoongesprekken, in het Russisch, kunnen volgens de gemachtigde desgewenst worden overgelegd. De conclusie van de gemachtigde is dat de instelling de behandeling van FMF niet biedt en dat het medicijn Colchicine daar en ook elders niet bekend is.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat de staatssecretaris daarin ten onrechte is afgegaan op het BMA-advies. Volgens de rechtbank is niet duidelijk of het medicijn Colchicine wel of niet beschikbaar is in de instelling, nu uit voormeld telefoongesprek met de instelling twijfel voortvloeit over de beschikbaarheid daarvan. De staatssecretaris had hier volgens de rechtbank naar aanleiding van dat telefoongesprek, nader onderzoek naar moeten doen, al dan niet via het BMA.

4. De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 3 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het, eerst als de vreemdeling de juistheid van de bevindingen van het BMA weerspreekt met een advies afkomstig van een deskundige op het gebied van medicijnvoorziening en behandelmogelijkheden in Moskou, op zijn weg ligt om nader onderzoek te laten verrichten. Hij betoogt dat de in de brief van 2 juni 2014 weergegeven stellingen over gevoerde telefoongesprekken niet kunnen worden aangemerkt als contra-expertise. Hij wijst er hiertoe op dat deze enkele stellingen niet nader zijn gedocumenteerd, met bijvoorbeeld een vertaald verslag. Verder wijst hij erop dat de telefoongesprekken zijn gevoerd met functionarissen waarvan de expertise onduidelijk is, die niet op de hoogte zijn van de ziekte FMF dan wel het medicijn Colchicine en die, afgaande op de inhoud van de stellingen, evenmin kunnen worden aangemerkt als toekomstig behandelaar van de vreemdeling of apotheker van de instelling. Hij wijst erop dat uit voormelde brief van 2 juni 2014 veeleer blijkt dat deze functionarissen niet van de materie op de hoogte zijn.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

4.2. Onbetwist is dat het BMA-advies en het brondocument wat betreft het antwoord dat het medicijn Colchicine in de instelling verkrijgbaar is zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn.

Gezien voormelde uitspraak van 13 oktober 2010 betoogt de staatssecretaris terecht dat, om de juistheid van de bevindingen van het BMA te kunnen weerspreken, het vervolgens op de weg van de vreemdeling lag een contra-expertise over te leggen. De staatssecretaris betoogt terecht dat de brief van 2 juni 2014 noch de opnames van voormelde telefoongesprekken als zodanig zijn aan te merken. De brief van 2 juni 2014 is geen contra-expertise, omdat deze is opgesteld door de gemachtigde van de vreemdeling en bovendien de daarin aangeduide arts-infectioloog anoniem is. De staatssecretaris wijst er voorts terecht op dat de vreemdeling geen vertaalde verslagen van de opnames van de telefoongesprekken heeft overgelegd, dat de genoemde functionarissen niet op de hoogte zijn van de ziekte FMF dan wel het medicijn Colchicine en dat niet blijkt dat zij deskundig zijn met betrekking tot medicijnvoorziening en behandelmogelijkheden van FMF in Moskou.

De staatssecretaris heeft aldus aan zijn vergewisplicht voldaan. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris naar aanleiding van bedoelde telefoongesprekken nader onderzoek had moeten - laten - doen.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

6. Voor zover de vreemdeling, onder verwijzing naar de onder 2 weergegeven brief en opnames van de telefoongesprekken, heeft aangevoerd dat ook behandeling van FMF in de instelling door een internist niet mogelijk is, faalt deze beroepsgrond om dezelfde redenen als weergegeven onder 4.2.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2015 in zaak nr. 15/1901;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2015

154.