Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
201409698/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 28 juni 2013 en 1 juli 2013 heeft Aequor de erkenningen van Synergie e.a. als leerbedrijf in het opleidingsdomein voedsel-, natuur- en leefomgeving ingetrokken en bepaald dat aan de praktijkovereenkomsten die vóór 1 juli 2013 zijn gesloten nog uitvoering mag worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409698/1/A2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Synergie International B.V., gevestigd te Schijndel, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bolap.nl B.V., gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Werkpool Flex B.V. en ForeignFlex B.V., beiden gevestigd te Cuijk,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid POS Outsourcing Services B.V., gevestigd te Cuijk,

appellanten (hierna tezamen: Synergie e.a.),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2014 in zaak nr. 14/160 in het geding tussen:

Synergie e.a.,

en

de stichting Stichting kennis- en communicatiecentrum voedsel en leefomgeving Aequor (hierna: Aequor).

Procesverloop

Bij besluiten van 28 juni 2013 en 1 juli 2013 heeft Aequor de erkenningen van Synergie e.a. als leerbedrijf in het opleidingsdomein voedsel-, natuur- en leefomgeving ingetrokken en bepaald dat aan de praktijkovereenkomsten die vóór 1 juli 2013 zijn gesloten nog uitvoering mag worden gegeven.

Bij besluit van 3 december 2013 heeft Aequor de door Synergie e.a. daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en bepaald dat aan de vóór 1 maart 2014 gesloten overeenkomsten nog uitvoering mag worden gegeven.

Bij uitspraak van 23 oktober 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door Synergie e.a. daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de besluiten van 28 juni 2013 en 1 juli 2013 herroepen, in de zin dat de intrekking van de erkenningen geschiedt met ingang van 1 maart 2014 en nog uitvoering mag worden gegeven aan vóór die datum gesloten praktijkovereenkomsten en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Synergie e.a. hoger beroep ingesteld.

Aequor heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaken nrs. 201404689/1/A2 en 201408501/1/A2, ter zitting behandeld op 9 juni 2015, waar Synergie e.a., vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Den Bosch, mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht en mr. W.C.J. Driessen, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: de Web) hebben de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven die daartoe op voet van artikel 2.1.5 door Onze Minister in aanmerking zijn gebracht, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van hun bij deze wet opgedragen werkzaamheden, voor zover niet verricht in het kader van dienstverlening.

Ingevolge artikel 7.2.8, eerste lid, maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit van elke beroepsopleiding. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de deelnemer is ingeschreven voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier.

Ingevolge het derde lid draagt het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, zorg voor de begeleiding van de deelnemers binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de deelnemer het in het tweede lid, onder c, bedoelde deel van de kwalificatie heeft behaald. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels.

Ingevolge artikel 5a, eerste lid, van het Erkenningsreglement, zoals dat luidde tot 1 mei 2013 (hierna: het oude reglement), kan een erkenning uitsluitend worden verleend, indien de aanvrager naar het oordeel van Aequor een passende leerwerkomgeving en een kwalitatief voldoende begeleiding van de deelnemer kan bieden en aannemelijk is dat een goede communicatie met de onderwijsinstelling en de bedrijfsadviseur zal zijn verzekerd.

Ingevolge het tweede lid is een erkenning gekoppeld aan een of meer kwalificaties dan wel examenprogramma's en wordt verleend als deze op het leerbedrijf door middel van de beroepspraktijkvorming verworven kunnen worden, tenzij Aequor op grond van omstandigheden besluit dat van deze eis kan worden afgeweken.

Ingevolge het derde lid dient aan de specifieke voorwaarden van Aequor, genoemd in bijlage 1, te zijn voldaan om in aanmerking te komen voor de erkenning als leerbedrijf. De bijlage wordt geacht een onverbrekelijk geheel te vormen met dit reglement.

Ingevolge artikel 5b, eerste lid, kunnen detacheringsorganisaties en samenwerkingsverbanden erkend worden wanneer:

a. ze zorg dragen voor zowel individuele opleidingsplannen als voortgangsregistratie van iedere deelnemer; en

b. de uitvoering van de beroepspraktijkvorming plaatsvindt bij door Aequor erkende leerbedrijven; en

c. ze Aequor op de hoogte stellen van de locatie waar de beroepspraktijkvorming van de deelnemer plaatsvindt.

In het Erkenningsreglement Aequor 2013, zoals dat luidde van 1 mei 2013 tot 1 augustus 2014 (hierna: het Erkenningsreglement), is artikel 5a van het oude reglement vernummerd tot artikel 5 en is artikel 5b van het oude reglement komen te vervallen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de erkenning worden ingetrokken indien niet langer aan de voorwaarden voor erkenning als vermeld in artikel 5 wordt voldaan, dan wel het leerbedrijf de aan de erkenning verbonden voorwaarden of beperkingen niet of niet naar behoren naleeft of indien Aequor op grond van zwaarwegende redenen meent dat de erkenning in redelijkheid niet dient te worden voortgezet.

2. Synergie e.a. zijn detacheringsorganisaties die door Aequor op grond van artikel 5b, eerste lid, van het oude reglement voor een periode van vier jaar als leerbedrijf waren erkend.

Aequor heeft de erkenningen ingetrokken, omdat de mogelijkheid tot erkenning van detacheringsorganisaties op grond van artikel 5b van het oude reglement met de inwerkingtreding van het Erkenningsreglement per 1 mei 2013 is komen te vervallen.

3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar van 3 december 2013 wegens strijd met het motiveringsbeginsel vernietigd, omdat Aequor eerst in het verweerschrift op de door Synergie e.a. gemaakte bezwaren is ingegaan. Aequor heeft in het verweerschrift toegelicht dat artikel 5b van het oude reglement in het Erkenningsreglement is komen te vervallen, omdat die bepaling in strijd is met artikel 7.2.8 van de Web, dat eist dat de beroepspraktijkvorming binnen het leerbedrijf, dat wil zeggen op de eigen bedrijfslocatie, plaatsvindt, hetgeen bij detacheringsorganisaties niet het geval is.

De rechtbank heeft overwogen dat Aequor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 5b van het Reglement in strijd was met de Web en dat zij met de intrekking van de erkenningen per 1 maart 2014 een redelijke overgangstermijn in acht heeft genomen.

4. Synergie e.a. betogen dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door, overeenkomstig het vernietigde besluit, de erkenningen per 1 maart 2014 in te trekken en te bepalen dat nog uitvoering mag worden gegeven aan vóór die datum gesloten praktijkovereenkomsten. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 7.2.8. van de Web zich niet verzet tegen het verzorgen van de beroepspraktijkvorming op een andere dan de eigen bedrijfslocatie. Verder betogen zij dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg staan dat Aequor de erkenningen intrekt vóór het verstrijken van de termijn waarvoor ze waren verleend.

4.1. De Afdeling begrijpt het betoog aldus dat de rechtbank heeft miskend dat Aequor ten onrechte artikel 5b van het oude reglement in het Erkenningsreglement heeft laten vervallen wegens strijd met de Web, zodat het Erkenningsreglement in zoverre buiten toepassing had moeten worden gelaten en van intrekking van de erkenningen had moeten worden afgezien.

4.2. Ingevolge artikel 7.2.8, eerste en derde lid, van de Web maakt onderricht in de praktijk van het beroep, de zogenoemde beroepspraktijkvorming, deel uit van elke beroepsopleiding en draagt het bedrijf dat de beroepspraktijkvorming verzorgt, zorg voor de begeleiding van deelnemers binnen het bedrijf.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van heden in zaak nr. 201404689/1/A2 heeft overwogen, heeft de wetgever daarbij de situatie voor ogen gehad, waarin een erkend leerbedrijf op de eigen bedrijfslocatie de beroepspraktijkvorming verzorgt. Indien de beroepspraktijkvorming geschiedt in het kader van een opleiding tot een beroep dat naar zijn aard op een andere locatie - doorgaans bij de klant - wordt uitgeoefend, zoals bijvoorbeeld bij beroepen als hovenier, timmerman of schilder het geval is, kan dit niet in strijd met de Web worden geacht. De beroepspraktijkvorming vindt dan weliswaar plaats op een andere locatie, maar binnen de arbeidsorganisatie en onder volledige verantwoordelijkheid van het erkende leerbedrijf.

Artikel 5b van het oude reglement voorzag in de erkenning van detacheringsorganisaties. Het detacheringsbedrijf bestaat in het tijdelijk uitzenden van arbeidskrachten naar andere bedrijven. Dat brengt met zich dat in het geval een detacheringsorganisatie een werknemer opleidt, de beroepspraktijkvorming van deze werknemer (grotendeels) plaatsvindt bij het inlenende bedrijf en daarmee op een andere locatie dan die van het erkende leerbedrijf. Het gaat daarbij niet om opleidingen zoals in de hiervoor genoemde beroepen die naar hun aard op een andere locatie worden uitgeoefend, zodat de praktijk waarin een detacheringsbedrijf de beroepspraktijkvorming bij een bedrijf verzorgt, in strijd met de Web moet worden geacht.

Het Erkenningsreglement, waarin artikel 5b van het oude reglement niet langer voor komt, is dan ook in overeenstemming met de Web. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat Aequor het Erkenningsreglement buiten toepassing had moeten laten.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen en artikel 5 van het Erkenningsreglement, was Aequor ingevolge artikel 9 van het Erkenningsreglement bevoegd de erkenningen in te trekken. Anders dan Synergie e.a. betogen, brengen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet met zich dat Aequor daartoe niet eerder mocht overgaan dan na het verstrijken van de termijn waarvoor de erkenningen waren verleend. Gegeven de aanwezigheid van een met de Web strijdige situatie, heeft de rechtbank terecht doorslaggevend geacht of Aequor, door de erkenningen eerst per 1 maart 2014 in te trekken, aan Synergie e.a. voldoende gelegenheid heeft geboden hun bedrijfsvoering in overeenstemming met de Web en het Erkenningsreglement te brengen.

4.4. Het betoog faalt.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Borman w.g. Krokké

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015

686.