Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:331

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201309895/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college geweigerd [appellante] een vergunning te verlenen voor de uitoefening van het horecabedrijf Maison Hélène aan de [locatie] te {plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/705
AB 2015/145 met annotatie van Mr. drs. B. van der Vorm
Gst. 2015/55 met annotatie van A.E.M. van den Berg
Module Horeca 2015/2606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309895/1/A3.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2013 in zaak nr. 12/3849 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college geweigerd [appellante] een vergunning te verlenen voor de uitoefening van het horecabedrijf Maison Hélène aan de [locatie] te {plaats].

Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de door het college verzochte beperkte kennisneming van het advies van 16 februari 2012 en het aanvullende advies van 5 september 2012 die het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) op verzoek van het college heeft uitgebracht, gerechtvaardigd geoordeeld.

Bij brief van 3 maart 2014 heeft [appellante] aan de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling heeft kennis genomen van de adviezen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen, en het college, vertegenwoordigd door M.J.M. van Kempen-Cuppen, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob), zoals die luidde ten tijde van het in beroep bestreden besluit, kunnen bestuursorganen voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge het zevende lid kan, voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW), zoals die luidde ten tijde van het in beroep bestreden besluit, is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van het college het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 27, derde lid, kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

2. [appellante] heeft een vergunning aangevraagd als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de DHW.

Het college heeft aan de weigering die vergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat volgens het advies van het Bureau van 16 februari 2012 ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en tevens een mindere mate van gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Op 1 februari 2011 is in de woning van [appellante] en haar [toenmalige partner] een hennepdrogerij met 21 kilo gedroogde henneptoppen aangetroffen. Er is daarom een ernstig vermoeden dat [appellante] heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet, aldus het besluit van 13 november 2012. De strafbare feiten zijn vermoedelijk gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd, omdat de exploitatie van een horecagelegenheid een goede mogelijkheid biedt om in verdovende middelen te handelen. Tevens kunnen de opbrengsten van de handel in verdovende middelen via de onderneming worden witgewassen. Het is aannemelijk dat de onderneming gedeeltelijk is gefinancierd met vermogen dat is verkregen uit strafbare feiten, te weten de handel in drugs, aldus het besluit van 13 november 2012.

Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het een aanvullend advies van het Bureau heeft gevraagd, welk advies op 5 september 2012 is uitgebracht. Dat advies is samen met dat van 16 februari 2012 aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag gelegd. Volgens het besluit volgt uit het aanvullend advies dat een ernstig vermoeden bestaat dat [appellante] van 31 augustus 2010 tot en met 1 februari 2011 handelde in strijd met de Opiumwet. Daarnaast volgt uit het aanvullend advies dat een ernstig vermoeden bestaat dat [appellante] zich van 15 april 2011 tot en met 22 juni 2012 schuldig maakte aan witwassen. [appellante] staat met Maison Hélène in relatie tot strafbare feiten, omdat een ernstig vermoeden bestaat dat zij die strafbare feiten zelf heeft gepleegd. Het Bureau acht aannemelijk dat ook [appellante] financieel voordeel heeft genoten dat afkomstig is uit de hennepdrogerij, welk voordeel redelijk groot wordt geacht, aldus het in beroep bestreden besluit. Volgens dat besluit is het Bureau van oordeel dat [appellante] in de periode van 31 augustus 2010 tot op het moment van het nemen van dat besluit structureel, maar in ieder geval herhaaldelijk, strafbare feiten heeft gepleegd. Er bestaat een ernstig vermoeden dat de vergunning die [appellante] wenst te verkrijgen mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Daarnaast bestaat een ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de onschuldpresumptie, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, heeft geschonden en dat de rechtbank de onschuldpresumptie eveneens heeft geschonden. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat een verband kan bestaan tussen de strafrechtelijke procedure en een bestuursrechtelijke procedure, welk verband kan worden gelegd door taalgebruik en de motivering van de beslissing van een bestuursorgaan of rechterlijke uitspraak, niet zijnde een strafrechtelijke uitspraak. [appellante] wijst hierbij op onder meer het arrest van het EHRM van 27 september 2011 in de zaak Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (www.echr.co.int). [appellante] was ten tijde van het in beroep bestreden besluit door het Openbaar Ministerie gedagvaard op grond van dezelfde feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan dat besluit. Zij genoot daarom de bescherming van de onschuldpresumptie, die volgens de jurisprudentie van het EHRM door iedere autoriteit in acht moet worden genomen zolang en indien de strafrechter nog geen eindoordeel heeft gegeven. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de adviezen van het Bureau, evenwel op het standpunt gesteld dat zij medepleger was van het aanwezig hebben van hennep als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet. Ook de bestuursrechter heeft zonder enig voorbehoud overwogen dat zij de Opiumwet heeft overtreden. Daarmee hebben zij zich uitgelaten over de vraag of zij schuldig is aan overtreding van de Opiumwet, terwijl er nog een strafrechtelijke procedure tegen haar liep. In dit verband is ook van belang dat de bevoegdheid tot weigering van het verlenen van de gevraagde vergunning pas ontstaat als betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, waarbij in deze zaak de vraag centraal staat of zij op grond van artikel 3,vierde lid, onder a, van de Wet Bibob die feiten zelf heeft gepleegd, aldus [appellante]. Gelet ook op voornoemde arresten van het EVRM is er een verband tussen de strafrechtelijke procedure en de bestuursrechtelijke, zodat de onschuldpresumptie ook daarom doorwerkt in de bestuursrechtelijke procedure. Zolang een strafrechtelijke procedure loopt en er geen definitief oordeel is gegeven door een bevoegde rechter over een lopende "criminal charge", mag een bestuursorgaan hooguit uitgaan van een verdenking jegens de betrokkene. Het nemen van preventieve maatregelen, gebaseerd op een aangenomen gevaar dat een burger strafbare feiten gaat plegen, is in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, aldus [appellante]. Wanneer wordt geoordeeld dat welhaast zeker is dat de betrokkene een strafbaar feit heeft gepleegd, zoals de rechtbank heeft gedaan, wordt de vereiste terughoudendheid niet in acht genomen. In dit verband wijst [appellante] op onder meer het arrest van het EHRM van 8 februari 2011 in de zaak Finster tegen Finland, nr. 24860/08 (www.echr.co.int).

Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld en heeft de rechtbank overwogen dat aannemelijk is dat zij geld heeft witgewassen, waarbij de rechtbank ook nog heeft overwogen dat aannemelijk in dit verband betekent dat welhaast vaststaat dat zij dit strafbare feit heeft gepleegd, zonder dat er verder een "criminal charge" tegen haar is, aldus [appellante]. Daarmee is eveneens de onschuldpresumptie geschonden. Nu er evenwel geen "criminal charge" is ter zake van witwassen, werkt de onschuldpresumptie vervat in artikel 6, tweede lid, door via artikel 8. Daar komt bij dat het Bureau als deskundige wordt aangemerkt, het Bureau de feiten vaststelt, die kwalificeert en daaraan gevolgen verbindt, terwijl de bestuursrechter slechts toetst of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn conclusie is gekomen. Dit is volgens [appellante] in strijd met artikel 6 van het EVRM, nu er niet terughoudend moet worden getoetst. Het gaat namelijk om de vaststelling van feiten en de juridische duiding van die feiten.

3.1. In het arrest Hrdalo tegen Kroatië heeft het EHRM overwogen:

"The Court further reiterates that the scope of Article 6 § 2 is not limited to pending criminal proceedings, but may extend to judicial decisions taken after the discontinuation of such proceedings or following an acquittal, in so far as the issues raised in these cases are a consequence of and concomitant to the criminal proceedings concerned, in which the applicant was the "accused" (see Moullet v. France (no. 2) (dec.), no. 27521/04, ECHR 2007-X, and the cases cited therein). The scope of Article 6 § 2 thus also extends to various administrative proceedings conducted simultaneously with the criminal proceedings against an applicant or after the conclusion of criminal proceedings ending without a decision finding the accused guilty in so far as there are such links between the criminal proceedings and the parallel administrative proceedings as to justify extending the scope of Article 6 § 2 to cover the latter (see Vassilios Stavropoulos v. Greece, no. 35522/04, 27 September 2007; Paraponiaris v. Greece, no. 42132/06, 25 September 2008, and Çelik (Bozkurt) v. Turkey, no. 34388/05, 12 April 2011)."

De reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM is derhalve niet beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar kan zich in voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met de strafrechtelijke procedure. Deze situatie kan zich voordoen tijdens een strafrechtelijke procedure alsook na het staken van de strafrechtelijke procedure of na een vrijspraak. Het hangt af van de in de bestuursrechtelijke procedure gebruikte bewoordingen of een zodanige band bestaat tussen die procedure en de strafrechtelijke procedure dat artikel 6, tweede lid, ook in de bestuursrechtelijke procedure van toepassing is, zo volgt onder meer uit het arrest van het EHRM van 12 april 2011 in de zaak Çelik (Bozkurt) tegen Turkije, nr. 34388/05 (www.echr.co.int).

In het arrest Hrdalo heeft het EHRM voorts als volgt overwogen:

"The Court considers that in the present case the reliance of the domestic authorities in the above administrative proceedings on the pending criminal proceedings against the applicant and his non-final conviction as reasons justifying his removal from office created a "link" between the criminal and the administrative proceedings, which justifies the extension of the scope of Article 6 § 2 to cover the latter (see, mutatis mutandis, Çelik (Bozkurt), cited above, § 34)."

De Afdeling leidt uit deze overweging af dat, indien in een bestuursrechtelijke procedure wordt teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure aanhangig is of op een nog niet onherroepelijke veroordeling, dit een zodanige band tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke procedure meebrengt, dat artikel 6, tweede lid, in eerstgenoemde procedure van toepassing is.

3.2. De weigering [appellante] een vergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de DHW te verlenen is gestoeld op, kort gezegd, enerzijds het vermoeden dat zij in relatie staat tot strafbare feiten en die strafbare feiten zelf heeft gepleegd en anderzijds de stelling dat zij structureel, maar in ieder geval herhaaldelijk, strafbare feiten heeft gepleegd. Ten tijde van het in bezwaar gehandhaafde besluit was [appellante] reeds gedagvaard ter zake van overtreding van de Opiumwet, zodat in deze zaak een verband bestaat tussen de handhaving van de weigering [appellante] de verzochte vergunning te verlenen en de lopende strafzaak. Gelet op die omstandigheden en de rechtspraak van het EHRM die is weergegeven in de eerste alinea van overweging 3.1, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de onschuldpresumptie, als vervat in artikel 6, tweede lid, van het EVRM niet in deze zaak van toepassing is.

3.3. Het EHRM heeft in voornoemd arrest Hrdalo tegen Kroatië onder meer overwogen:

"The Court reiterates that the presumption of innocence will be violated if a judicial decision or a statement by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved guilty according to law. It suffices, even in the absence of any formal finding, that there is some reasoning suggesting that the court or the official regards the accused as guilty (see, for example, Böhmer v. Germany, no. 37568/97, § 54, 3 October 2002). A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question (see, for example, Peša v. Croatia, no. 40523/08, § 141, 8 April 2010)."

Deze overweging voert de Afdeling tot het oordeel dat sprake is van schending van de onschuldpresumptie indien een rechterlijke beslissing of een uiting van een ambtenaar een oordeel weergeeft omtrent de schuld van iemand die is aangeklaagd ter zake van het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan, maar dat het enkele uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd, geen schending van de onschuldpresumptie oplevert.

3.4. Aan het in beroep bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat [appellante] volgens de adviezen van het Bureau in de periode van 31 augustus 2010 tot de datum van dat besluit structureel, maar in ieder geval herhaaldelijk, strafbare feiten heeft gepleegd. Nu [appellante] ten tijde van het in beroep bestreden besluit in de aanhangige strafrechtelijke procedure niet was veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet, heeft de rechtbank miskend dat het college met die motivering van het in beroep bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie als vervat in artikel 6, tweede lid.

Het betoog slaagt in zoverre.

3.5. [appellante] heeft gewezen op de beslissing van het EHRM van 27 november 2003 in de zaak Zollmann tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 62902/00 (www.echr.co.int). De Afdeling leidt uit het samenstel van in dat opzicht relevante beslissingen van het EHRM af dat, wil de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM van toepassing zijn, hetzij sprake moet zijn van een "criminal charge", bijvoorbeeld in een punitieve bestuursrechtelijke procedure, hetzij sprake moet zijn van een niet-punitieve bestuursrechtelijke procedure waaraan parallel een strafrechtelijke procedure loopt of heeft gelopen. Voor zover het witwassen betreft, doet geen van beide situaties zich voor. Ten aanzien van witwassen is de onschuldpresumptie derhalve niet van toepassing.

Voor zover zij onder verwijzing naar voormelde beslissing betoogt dat de onschuldpresumptie die is vervat in artikel 6, tweede lid, via artikel 8 doorwerkt, geldt dat dit betoog berust op een onjuiste lezing van die beslissing. Het EHRM heeft overwogen dat artikel 6, tweede lid, niet van toepassing is op de uitlatingen die in het Britse parlement zijn gedaan, maar dat die uitlatingen mogelijk relevant zijn voor bescherming tegen laster en een voldoende toegang tot een onafhankelijke burgerlijke rechter en dat daarmee mogelijk problemen bestaan in het licht van de artikelen 8 en 6 van het EVRM.

Het betoog faalt in zoverre.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het vermoeden van witwassen ten grondslag heeft gelegd aan het besluit van 13 november 2012. De rechtbank heeft met haar overweging dat de horecabranche faciliterend zou zijn voor witwassen een onjuiste maatstaf aangelegd, nu dat criterium niet is vervat in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob en evenmin in de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling is vermeld.

Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of om strafbare feiten te plegen. Zij heeft nimmer geld van haar toenmalige partner geleend. Verder wist zij niet dat het bedrag van € 12.101,50 dat zij aan hem heeft terugbetaald een criminele herkomst had. Haar vriend had destijds ook legale inkomsten en had bovendien geen strafblad. Zij heeft daarnaast haar eigen geld gebruikt bij de financiering van Maison Hélène en heeft van de financiering een helder beeld gegeven.

4.1. Aan het handhaven van de weigering [appellante] een vergunning te verlenen is zowel artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, als artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob ten grondslag gelegd. Voor beide grondslagen is ter motivering verwezen naar het vermeende witwassen door [appellante].

In verband met de weigeringsgrond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is van belang dat het witwassen ziet op voordelen die zijn behaald met het handelen in strijd met de Opiumwet, welk handelen er naar zijn aard op is gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr. 201207841/1/A3).

4.2. Zoals hiervoor onder 3.5 is overwogen, is de onschuldpresumptie niet van toepassing op het vermeende witwassen door [appellante] en heeft het dan ook niet in strijd met de onschuldpresumptie gehandeld door dat vermeende witwassen aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag te leggen. Ook overigens bestaat geen grond om te oordelen dat de rechtbank heeft miskend dat het college het vermeende witwassen ten onrechte aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, is het op grond van de adviezen van het Bureau voldoende aannemelijk dat [appellante] uit strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen in de onderneming heeft geïnvesteerd. Hierbij mocht het college van belang achten dat [appellante] en haar vriend in februari 2011 hebben verklaard dat zij geen legale bron van inkomsten hebben. Desondanks heeft zij in april 2011 de inventaris van Maison Hélène overgenomen voor een bedrag van € 1.190,00. Voorts heeft zij, anders dan zij betoogt, wel geld van haar toenmalige partner geleend. Dit volgt reeds uit de omstandigheid dat zij hem € 12.101,50 heeft terugbetaald. Op grond van de adviezen van het Bureau mocht het college het aannemelijk achten dat ook dat bedrag in ieder geval deels in Maison Hélène is geïnvesteerd. Gelet daarop mocht het college zich ook op het standpunt stellen dat een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en tevens een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Het betoog faalt.

5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 13 november 2012 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.

6. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het college het witwassen aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Verder heeft [appellante] ter zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat zij thans in hoger beroep onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet. Gelet op die omstandigheden bestaat voldoende grond voor het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de door [appellante] gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en een ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2013 in zaak nr. 12/3849;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert van 13 november 2012, kenmerk S&O/TH/2012/1692/2/M/12/73;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Borman w.g. Reuveny

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

622.