Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
201501934/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:475, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het college [appellant A] en [appellant B] gelast binnen twee maanden na de verzenddatum van dit besluit het laten gebruiken van het recreatieverblijf op het perceel [locatie 1]te Baarland ten behoeve van de huisvesting van een medewerker te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom ten bedrage van € 25.000,00 ineens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501934/1/A1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 januari 2015 in zaak nr. 14/3847 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het college [appellant A] en [appellant B] gelast binnen twee maanden na de verzenddatum van dit besluit het laten gebruiken van het recreatieverblijf op het perceel [locatie 1]te Baarland ten behoeve van de huisvesting van een medewerker te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom ten bedrage van € 25.000,00 ineens.

Bij besluit van 30 december 2013 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door [appellant A] en [appellant B] verbeurde dwangsom ten bedrage van € 25.000,00.

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 7 augustus 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 30 december 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 15 mei 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2015, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. Th, J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. de Kuijper en J. Buijze, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Last onder dwangsom

1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dat besluit op dezelfde dag aan [appellant A] en [appellant B] is verzonden per aangetekende en gewone post. Daardoor is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 8 augustus 2012 aangevangen en geëindigd op 18 september 2012. [appellant A] en [appellant B] hebben eerst op 15 november 2013, derhalve na afloop van de termijn, bezwaar gemaakt. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is volgens het college niet gebleken.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hen is geen sprake van termijnoverschrijding, nu het besluit van 7 augustus 2012 niet aan hen is bekendgemaakt. [appellant A] en [appellant B] voeren daartoe aan dat zij het besluit van 7 augustus 2012 nooit hebben ontvangen en het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 7 augustus 2012 per aangetekende post dan wel gewone post aan hen is verzonden. Voor zover sprake is van termijnoverschrijding heeft de rechtbank niet onderkend dat deze gelet op voormelde omstandigheden verschoonbaar is, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.1. Het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het besluit van 7 augustus 2012 niet aan hen is bekendgemaakt.

Indien een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.

Uit het door het college overgelegde register van Post NL voor geregistreerde verzendingen volgt dat op 7 augustus 2012 een aangetekend poststuk is verzonden naar het adres van [appellant A] en [appellant B] met dezelfde unieke barcode als is vermeld op het door het college overgelegde besluit van 7 augustus 2012. Dat de handtekening voor ontvangst van [appellant A] of [appellant B] ontbreekt, leidt, anders dan zij stellen, niet tot de conclusie dat het poststuk niet ook op hun adres is aangeboden. De postbeambte heeft achter alle poststukken die zijn aangeboden, onder het opschrift "Aangenomen door (naam)" zijn paraaf gezet. Het college heeft voorts aannemelijk gemaakt dat het besluit van 7 augustus 2012 eveneens per gewone post aan [appellant A] en [appellant B] is verzonden. Op het besluit is het juiste adres vermeld en uit de door het college overgelegde print uit het registratiesysteem van de gemeente voor uitgaande documenten volgt dat op 7 augustus 2012 een document gericht aan [appellant A] en [appellant B] is verzonden. [appellant A] en [appellant B] hebben geen feiten gesteld op grond waarvan de ontvangst van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Uit het voorgaande volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 7 augustus 2012 ook op die dag per aangetekende en gewone post aan [appellant A] en [appellant B] is verzonden.

Nu het besluit op dezelfde dag overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb is bekendgemaakt door toezending daarvan aan [appellant A] en [appellant B], is gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb de bezwaartermijn op 8 augustus 2012 aangevangen. De laatste dag van de bezwaartermijn was 18 september 2012. Het bezwaarschrift, gedagtekend op 15 november 2013, is op 18 november 2013 door het college ontvangen en, gelet op artikel 6:9, eerste lid en tweede lid, van de Awb, niet tijdig ingediend. Nu aannemelijk is gemaakt dat het besluit aan [appellant A] en [appellant B] is verzonden en dit is bezorgd op hun adres, biedt het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Het betoog faalt.

Invorderingsbeschikking

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van een overtreding en zij geen dwangsom hebben verbeurd. Daartoe voeren zij aan dat het college niet heeft aangetoond dat de bij de controle op 3 oktober 2013 in de recreatiewoning aangetroffen persoon, [persoon] de recreatiewoning niet recreatief gebruikte. De stelling van het college, dat [appellant A] en [appellant B] de recreatiewoningen aan arbeidsmigranten verhuren is louter gebaseerd op de constatering dat deze persoon met Poolse nationaliteit in de woning verbleef. Niet valt in te zien waarom deze persoon ter plaatse niet een enkele keer zou mogen overnachten. Bovendien is hij geen arbeidsmigrant. Van strijd met het bestemmingsplan is geen sprake, aldus [appellant A] en [appellant B].

4.1. Vast staat dat tijdens de controle op 3 oktober 2013 [persoon] in de recreatiewoning is aangetroffen. Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze [persoon] een medewerker van het bedrijf van [appellant A] en [appellant B] aan de [locatie 2] te Baarland is. Blijkens het controlerapport van 4 oktober 2013 heeft [persoon] verklaard ongeveer drie dagen per week in de recreatiewoning te verblijven in overleg met de eigenaar van het bedrijf aan de Kerkepolderweg waar hij werkt, hij niet de enige gebruiker van de recreatiewoning is en nog iemand die voor hetzelfde bedrijf werkt gebruik maakt van de recreatiewoning als hij niet aanwezig is. Voorts is in het controlerapport vermeld dat de recreatiewoning niet wordt geventileerd, de wanden en plafonds zeer vochtig en beschimmeld zijn en de elektravoorzieningen, fittingen, bedrading en belichting, loshangen van de plafonds en wanden, zonder bescherming.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat sprake was van recreatief gebruik door [persoon] van de recreatiewoning. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het recreatieverblijf gebruikt is ten behoeve van de huisvesting van een medewerker van het bedrijf van [appellant A] en [appellant B], zodat zij niet aan de opgelegde last hebben voldaan en een dwangsom van € 25.000,00 hebben verbeurd. De stelling dat [persoon] niet als arbeidsmigrant kan worden aangemerkt is, wat daar verder van zij, onvoldoende voor een ander oordeel, nu de last niet de huisvesting van een arbeidsmigrant maar van een medewerker betreft.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015

580.